Historische Vereniging Numaga

Vereniging NumagaActueelPublicatiesActiviteitenNumaga Archiefblog
home

Numaga jaarrede 2015 - 

Uitgesproken door voorzitter prof.dr. Jos Joosten, op 21 november 2015 in De Lindenberg


In deze jaarrede, traditioneel uitgesproken tijdens de presentatie van Jaarboek Numaga, heb ik er een gewoonte van gemaakt om steeds toch iets van mijn achtergrond als letterkundige en neerlandicus een rol te laten spelen. Dat is niet zo’n opgave, omdat Nijmegen niet alleen een rijk literair heden heeft, maar al evenzeer een rijk literair verleden. En soms is de droevige maar onvermijdelijke realiteit dat dat heden overgaat in verleden. Blijvende teksten worden gemaakt door sterfelijke mensen. Wat dat aangaat was het in literair Nijmegen een droevig jaar. Op 12 januari overleed literatuurcriticus, biograaf en Gelderlander-columnist Wam de Moor. In de jaren zeventig en tachtig was hij een prominente stem in het literair debat, onder meer als criticus voor De Tijd. Volgens sommigen was hij te meegaand en zachtaardig als criticus, zelf verdedigde hij zijn ‘empathische kritiek’: je moest zoveel mogelijk recht doen aan een tekst en zijn maker. De Moor was Nijmegenaar met hart en ziel en zal velen ook bij blijven als bevlogen docent.

Een zeer groot verlies was het overlijden op 9 maart 2015 van dichter H.H. ter Balkt. Zijn Twentse roots heeft hij noch in zijn taal noch in zijn werk ooit verloochend, maar het grootste gedeelte van zijn leven woonde Ter Balkt, die onder meer bekroond werd met de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs, in Nijmegen. Hij wijdde veel gedichten aan heden én verleden van de stad. Met name zijn Laaglandse Hymnen verraden zijn grote interesse in en kennis van de vaderlandse geschiedenis. In deze overdonderende reeks gedichten geeft Ter Balkt zijn eigen tegendraadse visie op de nationale historie. Vanzelfsprekend is er in een dergelijk historisch project aandacht voor de oudste stad van Nederland. Nijmegen duikt dan ook regelmatig op in de Laaglandse Hymnen. Ter Balkt kiest niet het perspectief van de traditionele schoolboekjes. Hij neemt ten opzichte van het Grote Historische Verhaal bewust een a-centrisch perspectief in: bij hem spreken de dieren, de dingen, de outcasts, de bijrollen dus en niet de hoofdrolspelers van de geschiedenis. Het gedicht over Mariken van Nieumeghen, bijvoorbeeld, gaat niet over de naamgeefster en hoofdrolspeelster, of over Moenen of haar oom, maar ent zich op de - overigens historische, in het archief bewaarde - stadsrekening die weleens gebruikt is als bron voor de aanname dat Mariken écht bestaan heeft en Nijmegen bezocht. Niet Mariken, maar een Nijmeegse klerk is dus de centrale figuur.

Een van Ter Balkts meest indrukwekkende gedichten is dat gewijd aan het bombardement op Nijmegen.

 

Rustig als het metrum van Petrarca en ver insnijdend

als de tramrails in de Grote Markt het diep gebrom;

rustig als de huizenrijen vóór het huis der treinen

met zijn roodwit gestreepte baksteen.

 

Niet alleen roept hij indringend het bombardement zelf op, hij ziet het, denk ik, als meer: als keerpunt voor het rustig ingeslapen provinciale Nijmegen dat voor het eerst sinds lange tijd oorlogsgeweld ervaart en hardhandig de moderne tijd wordt ingeslingerd.

 

Het is een wat stemmig en somber begin van de jaarrede, realiseer ik me. Het oogt allicht als een wat ongepaste overgang, maar het is toch nodig om nu door te gaan met wat zakelijkere berichten. Vereniging Numaga heeft een rustig en overzichtelijk jaar achter de rug. Te melden valt een aantal bestuurswisselingen. Claartje van Well, die namens het Regionaal Archief Nijmegen in het bestuur zitting had, nam afscheid. Haar plaats werd ingenomen door Ernest Verhees. Ook hebben we afscheid genomen van onze zeer energieke penningmeester Sjef van de Wiel, die de afgelopen jaren in tal van opzichten zeer actief was binnen het bestuur. Vanaf 1 januari 2016 zal Frans de Krijger de nieuwe penningmeester zijn. Om de zware taak van onze secretaris te verlichten is besloten om een nieuw bestuurslid als tweede secretaris aan te trekken. Als zodanig functioneert alweer enige tijd Marijn Alofs tot zeer grote tevredenheid. De Algemene Ledenvergadering heeft bestuurslid Els Peeters, die het Nijmeegs Katern vertegenwoordigt in het bestuur, voor nóg een jaar verlenging toegestaan van haar bestuurslidmaatschap. Ten slotte hebben we als extra bestuurslid Rob Wolf aangetrokken. Dezelfde vergadering benoemde, op advies nog van de commissie voor toekenning van de Numaga-penningen uit november 2014, Gerard Lemmens tot Erelid van onze vereniging.

 

Anders dan het succesvolle lustrumjaar 2014, waarin alle verenigingsuitingen in het teken stonden van het gezamenlijke thema ‘Rondom Nijmegen/Nijmegen rondom’ zijn alle commissies en werkgroepen dit jaar op eigen wijze bezig geweest met het levend houden van de geschiedenis van Nijmegen en omgeving. Het onvolprezen Nijmeegs Katern verscheen weer vijf keer, er werden vijf Numaga-lezingen gehouden, dit jaar voor het eerst in De Lindenberg. Er was een volgeboekte excursie die deels gewijd was aan de wederopbouw van Nijmegen en deels aan de geschiedenis van en in Overbetuwe. Uiteraard is er ook dit jaar het Jaarboek Numaga, dat vandaag gepresenteerd wordt en als steeds een keur aan fraaie, doorwrochte artikelen bevat. Al deze activiteiten worden uitgevoerd door vrijwilligers die hier veel tijd en energie in steken. Ik denk dat we als vereniging buitengewoon blij en trots mogen zijn met zo’n kern van actieve leden en het bestuur is hen allen dan ook zeer erkentelijk.

 

Bij één relatief jonge activiteit wil ik graag even nader stilstaan. Het gaat om een zelfstandige clubje actieve leden, dat zich binnen Numaga presenteert en zeer boeiend werk doet: de werkgroep oral history. Het betreft een zeer boeiende variant van historisch onderzoek: betrokkenen vragen om over hun ervaringen te vertellen zodat deze verhalen geboekstaafd kunnen worden. Hoe precair die procedure kan zijn, merkte ik zelf onlangs.

Toen ik nog op de lagere school zat, werd Nijmegen geconfronteerd met een schokkend misdrijf op de Kopse Hof waarvan een jong meisje slachtoffer was. Het meisje in kwestie zat bij mij op school, bij mijn zusje in de klas. Ik herinner me nog precies hoezeer iedereen op school geschokt was, de verslagen sfeer bij de onderwijzeressen en het schoolhoofd, en de uitvaart in de St. Stephanuskerk. Op zoek naar iets heel anders, stuitte ik onlangs in het digitale krantenarchief Delpher toevallig op berichten over deze ophefmakende zaak. Wat bleek, tot mijn grote verbazing? Het geval had zich afgespeeld tijdens de zomervakantie vóórdat ik naar de middelbare school ging, op een moment dat ik met mijn ouders op vakantie was. Ik kán helemaal geen herinnering hebben aan de ontzetting op school, de geschokte juffen of een uitvaart. Ik moet in mijn hoofd allerlei zaken door elkaar gehusseld hebben, die uiteindelijk een verhaal vormden dat er wel beschouwd geen is. Het feilbare geheugen van mensen is een van de praktische obstakels waarmee onze oral history-mensen zonder twijfel leren omgaan. Een training maakt dan ook deel uit van hun voorbereiding.

En verder zijn er nog altijd de geschreven bronnen - voor zover die wél betrouwbaar zijn natuurlijk - om verhalen verder te bevestigen of ontkrachten. Want, zo weet ik ook uit eigen onderzoekservaring: verhalen zijn nooit helemaal verzonnen en vaak juist in hun onwaarschijnlijke details weer wel correct.

 

Het kleine verhaal heeft mij altijd al gefascineerd, ook en misschien wel juist, als onmisbare invulling van de echt belangrijke verhalen. Zeker als bij de woorden van zo’n verhaal de bijbehorende tastbare werkelijkheid nog te horen is - of anders te horen is. Zo denk ik steevast, als ik langs Broerdijk 187 fiets (wat me minimaal zo’n twee keer per week gebeurt) aan de in Nijmegen geboren, fameuze sociaal-democraat Marinus van der Goes van Naters. In een eenvormig rijtje van zes arbeidershuizen uit de eerste helft van de jaren twintig, staat er eentje dwars op de rest, wat groter, wat mooier, wat statiger. Eigenlijk precies Van der Goes van Naters zelf. Zijn vrouw en hij waren in augustus 1924 de eerste bewoners van dit huurhuis. Het kostte de jonge, pas afgestudeerde jurist, die terugkeerde uit Leiden om in het advocatenkantoor van zijn vader te werken, vierhonderd gulden huur per jaar (omgerekend zo’n drieduizend euro nu). Het lijkt er op dat de jonge Van der Goes (wiens vader in die tijd dik bovenin de Quote 500 van rijke Nijmeegse notabelen stond, en twintig jaar eerder zelf een enorm huis aan de Oranjesingel had laten bouwen) inderdaad uit principe in de arbeiderswijk was gaan wonen. Hoewel hij dat in zijn prachtmemoires, Met en tegen de tijd uit 1980, zelf al behoorlijk relativeert:

 

We woonden - zeiden we zelf - in een arbeidershuis, maar   was dat wel helemaal  eerlijk? Het was fonkelnieuw, had een drietal grote kamers (en een verrukkelijk klein studiekamertje boven voor mij) en de aannemer had ons zelf de kleuren enzovoort laten uitzoeken, die wij leuk vonden. Vóór keek het uit op een heel grote maar wel wat slonzige grasvlakte - achter op golvende korenvelden en een bosrand. (...)

‘s Winters hoorde je, in de sneeuw, alleen de belletjes van de Gelderse karrepaarden; karren met twee enorme wielen.

 

kalender nieuws