NUMAGA

Vereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving


Numaga-tijdschrift 1954-1990

Openingsartikel Rogier (Numaga I, p. 2)
Numaga-tijdschrift 25 jaar
Het afscheid (Numaga XXXVII, p. 92)
. Boekbesprekingen
Artikelen op auteursnaam
Berichten op auteursnaam

De integrale tekst van alle jaargangen van het Numaga-tijdschrift is te raadplegen op de Numaga-cd-rom die in juni 2005 is verschenen. Op deze cd-rom vindt u alle publikaties van Numaga vanaf 1954 tot en met 2004. Voor bestelinfo, klik hier.

Zie ook Numaga katern 1987
Numaga tijdschrift jaargang 1958Het begin: Rogier

De eerste aflevering van het tijdschrift Numaga werd geopend met de rede die prof. dr. L.J. Rogier uitsprak bij de oprichtingsvergadering, onder de titel: NUMAGA REDIVIVA (Numaga tijdschrift jrg. I, 1954, p. 2-8). U leest deze rede hieronder.

"Onder verrassend grote belangstelling van de kant van overheid en burgerij is op de 21ste Mei 1954 in de gastvrij daartoe ter beschikking gestelde raadzaal van het stadhuis de historische vereniging "Numaga" tot stand gekomen of - beter gezegd - uit de schijndood opgestaan. Dit feit is een uitdrukking van een bij vele bewoners van Nijmegen bestaande wil om het eigen historisch bewustzijn te verlevendigen en in het algemeen de kennis van de geschiedenis van Nijmegen en de naburige gemeenten te verbreden en te verdiepen.

Nijmegen is een van de alleroudste Nederlandse steden: het kan in 1955 zijn 1850-jarig bestaan als stad vieren. Bijna al onze steden dateren uit de late middeleeuwen, maar Nijmegen gaat terug tot de bloeitijd van het Romeinse keizerrijk. Naar de kranten dezer dagen op gezag van een alleszins deskundige hebben meegedeeld, is men onlangs bij graafwerk nabij het Beziendershuis in de Steenstraat gestuit op een muurwerk, dat moet teruggaan tot in het begin van de tweede eeuw en vermoedelijk deel heeft uitgemaakt van de oudste omwalling. Dit Romeinse Nijmegen is een sterke grenspost van het Imperium geweest. Eeuwen later, maar nog altijd eeuwen vóór de nevel optrok over het grootste deel van ons vaderland, was er een Karolingisch Nijmegen met een keizerspalts, waar Karel de Grote en vooral Lodewijk de Vrome vaak resideerden.

Wij moeten helaas erkennen, dat de hedendaagse bewoner - en dan natuurlijk in versterkte mate de bezoeker - moeite heeft om de stad haar ouderdom aan te zien. Voor ons, sterfelijke en ijdele mensen mag zoiets een compliment zijn, van een stad gezegd, is het een verwijt. Een stad is meer dan de woonplaats van het levend geslacht; zij behoort de heugenis te bewaren aan het leven der vaderen. Het valt de bestuurders van snel-groeiende steden niet altijd gemakkelijk daarvoor zorg te dragen. Er zijn in en buiten Nederland steden, waar het leven van eeuwen her gefixeerd schijnt te zijn, gevangen binnen oude wallen, geborgen in stille straten met ongerepte trap-, klok- en halsgevels. Een toerist, die er neerstrijkt, kan peinzen over het raadsel van hun als vegeterend voortbestaan en over de geheimzinnige reden, die nog altijd honderden, soms zelfs duizenden doet volharden in de zo zinloos schijnende woonachtigheid in een "dode" stad. Zulke steden kan het niet al te veel moeite kosten de oude schoonheid in stand te houden: zij zijn iets als een bewoond gebleven Herculaneum en Pompeji.

Het valt moeilijk er om te treuren, dat Nijmegen zoiets niet is. Het heeft wel nooit veel op een dode stad geleken. Vóór zijn ontmanteling in de jaren zeventig der vorige eeuw moet het geleken hebben op een wriemelende mierenhoop van kleinsteedse bedrijvigheid en sindsdien toont het zijn krachtig leven in telkens weer nieuwe uitbouw naar alle kanten. De lof dier ontmanteling is vaak en in vele toonaarden gezongen en de billijke faam van het driemanschap Graadt van Roggen, Francken en Terwindt leeft gelukkig voort van geslacht op geslacht. Numaga hoopt daartoe bij te dragen. Maar ook dit werk had zijn schaduwzijden en ook deze verdienstelijke mannen hadden hun beperktheden.

De stad Nijmegen telde met inbegrip van de toen nog zelfstandige gemeenten Hees en Hatert in 1795 bijna 13 000 inwoners en driekwart eeuw later, in 1870, bijna 23 000. Dit wijst niet op uitzonderlijke bloei - het niet door zijn wallen beperkte Arnhem klom in dezelfde periode van 10 000 op ruim 30 000 zielen. - maar overtreft toch nog altijd het algemene Nederlandse bevolkingsaccres. De openbreking der stad, haar eindelijke ontmanteling in de periode 1874-1880 werd het beginpunt van een versnelde ontwikkeling. Tussen 1870 en 1900 groeide het inwonertal met ruim 20 000. In deze periode begon de volksverhuizing, die, voortgezet in de 20ste eeuw en door de rampen van de tweede wereldoorlog min of meer tot een sauve-qui-peut aangewakkerd, de overgrote meerderheid der bevolking zich buiten de wallencirkel deed neerzetten en de oude stad gaandeweg ontvolkte. Verval van wat doelloos en ongebruikt kwam te staan, werd hier als elders de inleiding tot de dictatuur van de slopershouweel, die het zwak en de schande van de 19e eeuw vormt.

Ook Nijmegen is in die eeuw "slopend herboren", om een term van Victor de Stuers te gebruiken. De ondernemende vernieuwingsdrift van hen, die aan de stadsuitleg leiding gaven, had weinig oog voor het conserveren der historische schoonheid. De verdienstelijke Graadt van Roggen vermeldt in zijn aantekeningen over "Ontmanteling en uitleg" op de datum af de sloping van alle stadspoorten zonder een woord van beklag. Deze blindheid voor historisch-aesthetische waarden kenmerkte zijn generatie. Overal, waar de eeuw van stoom en ijzer haar nieuwe scheppingen tot stand bracht, gaf zij het oude gedachteloos aan de sloper prijs. Ontegenzeglijk is het oorlogsgeweld, vooral dat van de zwarte dag 22 februari 1944, er de hoofdoorzaak van, dat de stad Nijmegen onherstelbaar geschonden is, en geen bewoner of bezoeker het beeld, dat zijn hart van de karakteristiekste plekke bewaart, meer terugvindt. Maar men schuive niet alles op de brede rug van de oorlog. Er is ook autochthoon vandalisme in het spel geweest. De koelbloedig voltrokken destructie van de keizerspalts op het Valkhof vond plaats in de overspannen jeugdjaren van een Bataafse Republiek, die alles nieuw kwam maken. Zij was het voorspel van de slopersterreur, die zich de hele 19e eeuw zou uitleven. Wie de oudste Nijmeegse straten, voorkomend op de kaarten van de 16e en 17e eeuw, zoals de Boddelstraat en de Hezelstraat, critisch doorkruist, wacht bij het monsteren der gevels slechts ontnuchtering. Hij constateert de naakte waarheid: in de negentiende eeuw zijn verreweg de meeste oude gevels argeloos en smakeloos vervangen door nette burgerpuien.

Te laat bejammert ook de Nijmeegse burgerij de noeste afbraakvlijt van vroegere geslachte. Was er tachtig jaar geleden, toen de kritiekste tijd aanbrak, meer historisch besef geweest, dan zou veel schoons behouden zijn, zonder dat de ontwikkeling der stad er ook maar in het minst door geremd werd. Volkomen heeft die historische belangstelling de leidende mannen niet ontbroken, want zij zijn ook de beschermers van het Valkhof en zijn ruïnes geweest. Volstrekte ontstentenis van respect voor het verleden zou trouwens heel vreemd zijn in de bewoners van een stad, waarin reeds het graven in de bodem vanouds de speurzin bevredigd heeft. De geschriften van Smetius, In de Betouw, Pontanus, Van Slichtenhorst, Arkstee en uit de jongere tijd o.a. die van C. ten Hoet, H.D.J. van Schevichaven, J.J. Weve, M. Daniëls, F.J. de Waele, Brunsting en Van Buchem zijn zeer indrukwekkende blijken van die belangstelling. Daarenboven zijn het Museum Kam, verrijkt met veel, dat eertijds elders bijeengebracht was, speciaal in het Canisiuscollege, en het Stedelijk Museum getuigen van speurzin en aesthetische instelling. Bepaalde branches der locale geschiedenis zijn met voorliefde beoefend, met name die van kerk en godsdienst. De priesters G.A. Meyer O.P. en F. van Hoeck S.J. hebben belangrijke en uitvoerige geschriften aan de geschiedenis van de katholieken te Nijmegen gewijd. Reeds meer dan tachtig jaar geleden is de geschiedenis van de Waalse gemeente alhier anoniem in het tijdschrift "De Navorser" behandeld. P.C.G. Guyot publiceerde in 1845 een Geschiedenis van de Doopsgezinden te Nijmegen en in het Archief voor Nederlandse Kerkgeschiedenis schreef J.C.F. van der Meer van Kuffeler over de lotgevallen van de Lutheranen alhier. Over de vroeger te Nijmegen blijkbaar nogal talrijke Joden hebben wij publicaties van P.C.G. Guyot, H.D.J. van Schevichaven, W. van Leer e.a. Het is waarschijnlijk, dat over de Hervormde kerk te Nijmegen, vooral ten aanzien van de problematiek, die Arminianen en Gomaristen ook te Nijmegen heftig beroerd heeft, nog vrijwat interessants te vermelden valt. Dit nieuwe tijdschrift zal daartoe gaarne zijn kolommen openstellen.

Onder de moderne beoefenaars der locale geschiedenis was vooral H.D.J. van Schevichaven productief. Hij gaf in 1906 een bibliografie der Nijmeegse geschiedenis uit van een zeldzame volledigheid en publiceerde in zijn drie delen Penschetsen zoveel aardige bijzonderheden uit het verleden der stad, dat er waarheid schuilt in de klacht, als zou hij latere onderzoekers het gras voor de voeten weggemaaid hebben.

Hoger in wetenschappelijke waarde staan de studies van M. Daniëls, zijn opvolger als gemeente-archivaris. Van deze in 1952 overleden geleerde zegt het jaarverslag van de Directeur van het (Leids) Rijksmuseum van Oudheden, dat hij "een kenner bij uitnemendheid van het Romeinse Nijmegen" was en dat wij "al onze kennis daarvan, op een enkele uitzondering na, aan hem te danken" hebben, die "in de chaos der verschijnselen orde gebracht" heeft. Belangrijke handschriften van deze auteur, in zijn nalatenschap gevonden, worden thans, naar ik verneem, tot een uitgave gereed gemaakt, sommige ervan zouden wellicht in ons tijdschrift uitnemend tot hun recht komen.

Van Schevichaven en Weve, de stadsarchitect en als zodanig de verdienstelijke restaurateur van menig oud bouwwerk, o.a. de Waag en de Karolingische kapel, zijn de geestelijke vaders van het denkbeeld heel de burgerij te interesseren voor Nijmegens verleden en daartoe een genootschap te stichten. De 9de April 1902 riepen zij een blijkbaar vrij beperkt gezelschap bijeen in "Hôtel Metropole". In beginsel werd tot het stichten van een historische vereniging "Oppidum Batavorum" besloten. De heren Ir J.J. Weve, H.D.J. van Schevichaven en Mr C.G.J. Bijleveld werden belast met het ontwerpen van statuten. Twee volgende vergaderingen waren nodig om deze statuten grondig te behandelen, in die van 5 Mei 1902 werden zij aangenomen. In de daarop volgende zomermaanden organiseerde de nieuwe vereniging een historische tentoonstelling in de Nijmeegse schouwburg. Vervolgens stelde "Oppidum Batavorum" zich blijkbaar vooral het bevorderen van de verschijning van locaalhistorische geschriften ten doel. In 1904 maakte het een begin met de uitgave onder zijn auspiciën van het eerste stuk van "Katholiek Nijmegen" door G.A. Meyer O.P. In 1905 verscheen het tweede stuk. De auteur deelde in zijn voorbericht mee het werk geschreven te hebben "op vererende uitnodiging van de vereniging Oppidum Batavorum". In 1906 kwam onder auspiciën van de vereniging het reeds genoemde "Repertorium Noviomagense" uit, in 1907 het geschrift over de ontmanteling der stad, uit de aantekeningen van J.H. Graadt van Roggen samengesteld door Van Schevichaven en Weve. In dezelfde jaren gaf "Oppidum" met een toelichting van Van Schevichaven de herdruk uit van een vijftal plattegronden der stad, respectievelijk van 1572, van 1639, van 1647 en twee negentiende-eeuwse.

Het schijnt dat "Oppidum Batavorum" reeds omstreeks 1907 bij gebrek aan genoegzame adem bezweken is. Volgens betrouwbare mededelingen, mij gedaan, zou het tweede stuk van pater Meyer's geschrift over Katholiek Nijmegen, onder auspiciën der Vereniging verschenen, vele protestantse leden zozeer geërgerd hebben, dat zij het lidmaatschap opzegden. Ondenkbaar is dit m.i. geenszins. Het valt te betreuren, dat het tot dusver niet gelukt is het archief van Oppidum op te sporen. De redactie van dit tijdschrift zou het op prijs stellen, als een der lezers haar aanwijzingen dienaangaande kon verstrekken.

Na de geruisloze dood van "Oppidum Batavorum" moest het tot 1935 duren eer het stichten van een nieuw historisch genootschap serieus overwogen werd. Het initiatief ging uit van de Vereniging "Vivat Noviomagum", die onder de bezielende leiding van Martin Payens werkzaam was tot de culturele en economische verheffing der burgerij. Een van haar leden, de Heer J. van Vucht Tijssen Sr, entameerde het voorstel tot het stichten van een Nijmeegs Historisch Genootschap in een gesprek met Prof. Dr W. Mulder S.J., de eerste hoogleraar in de middeleeuwse geschiedenis aan de Nijmeegse Universiteit. Onder diens leiding werd nog in December 1935 een voorlopige bespreking gehouden door de hoogleraren W. Mulder, J.D.M. Cornelissen en F.J. de Waele, alsmede Jhr Dr van Rijckevorsel, de directeur van het Stedelijk Museum, de archivaris M.P.M. Daniëls en de heer J. van Vucht Tijssen. De oprichtingsvergadering, die op 9 Maart 1936 plaats had, werd bijgewoond door 12 personen. Op een volgende vergadering, die van 26 Mei 1936, bijgewoond door 13 leden, werd een bestuur gekozen. Het bestond uit de heren Dr K. Smits, voorzitter, Prof. Dr W Mulder S.J., vice-voorzitter, J. van Vucht Tijssen, 1e secretaris, C. Th. Kokke, 2e secretaris, M.P.M. Daniëls, penningmeester. Merkwaardigerwijze werd eerst in een bestuursvergadering van 10 November 1937 de naam "Numaga" vastgesteld. Hij was een vondst van de heer Kokke, die er op wees, dat de stad aldus genoemd wordt in een oorkonde van 7 juni 777, waarin Karel de Grote een schenking doet aan de kerk van St. Maarten te Utrecht. Onder aan die oorkonde staat: "Actum Numaga palacio publico in Dei nomine feliciter".

Het is mij niet gebleken dat "Numaga" meer vergaderingen met een spreekbeurt heeft gehouden dan die van 1 december 1937, waarop de heer Daniëls een lezing met lichtbeelden hield over Romeins Nijmegen. Uit het bewaard gebleven convocaat blijkt, dat inmiddels burgemeester J.A.H. Steinweg ere-voorzitter geworden was en de plaats van de kort tevoren overleden hoogleraar Mulder in het bestuur was ingenomen door Prof. Dr W. Lampen O.F.M. Deze werd na zijn kort daarop gevolgd vertrek naar Italië opgevolgd door Prof. Dr R.R. Post. "Numaga" zocht blijkbaar zijn kracht in het vormen van studiekringen en het houden van rondleidingen. Het tweede had meer succes dan het eerste: sinds 1937 hadden onder leiding van de heer Van Vucht Tijssen historische wandelingen door de stad plaats met speciale oponthouden bij het Valkhof, het Gemeente-Museum, het Museum Kam, het Stadhuis en de Grote Kerk. In de bezettingsjaren heeft "Numaga", dat zich niet wenste te laten spannen voor de wagen van de bezetter door het opzichtig beoefenen van de door deze gepropageerde "heemkunde", zijn werkzaamheden gestaakt.

De bekende bezwaren en verwarringen van de eerste naoorlogse jaren hebben blijkbaar de heroprichting van "Numaga" vertraagd. Eerst tegen het eind van 1950 begon Dr H.J.H. van Buchem, de directeur van het Museum Kam met besprekingen over de mogelijkheid. Het werk vorderde aanvankelijk moeizaam, maar leidde - dank zij de opwekkende steun van het gemeentebestuur en van de chef der afdeling Culturele Zaken en van de locale pers - in het voorjaar van 1954 tot het besluit der wederoprichting en tot vorming van een voorlopig bestuur.

Als voorzitter van dit inmiddels definitief gekozen bestuur wil ik gaarne in het eerste nummer van dit orgaan der Vereniging met een enkel woord uiteenzetten, wat het bestuur zich van de werkzaamheid der Vereniging voorstelt. De eerste taak is de uitgave van het tijdschrift "Numaga", in welks eerste nummer dit inleidend woord gastvrijheid heeft gevonden. Het ligt in de bedoeling om de drie maanden een nummer van ongeveer dezelfde omvang te doen verschijnen. Wij roepen de medewerking van alle belangstellende deskundigen bij dezen gaarne in.

Ten tweede stelt het Bestuur zich voor, dat de Vereniging "Numaga" ten minste eenmaal per jaar een vergadering met een spreekbeurt houdt en eveneens elk jaar een excursie met deskundige rondleiding.

In de derde plaats hoopt het Bestuur in gestadige samenwerking met het Gemeentebestuur - welks hoogste functionaris, Burgemeester Mr Ch.M.J.H. Hustinx, het ere-voorzitterschap der Vereniging heeft willen aanvaarden - het zijne te doen voor een waardige viering van het jubileum van 1955.

Eindelijk zal het Bestuur, zodra het zich daartoe gerechtigd acht, de verwezenlijking van een lang gekoesterd plan ter hand nemen: het doen samenstellen van een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire "Geschiedenis van Nijmegen". Of deze plannen vrome wensen zullen blijven, hangt af van de ontvangst, die de burgerij het herleefde "Numaga" en zijn tijdschrift bereidt. Het succes van de oprichtingsvergadering in een overbezette raadzaal geeft moed. Ook de aanmeldingen voor het lidmaatschap mogen niet teleurstellend heten. Zij hebben thans ongeveer het getal van 300 bereikt. In vertrouwen op de welwillendheid van het gemeentebestuur en een enkele particulier kiest "Numaga" zee, maar met de zekerheid, dat het om te blijven varen de vaste steun van ten minste 400 leden nodig heeft. Aan de burgerij thans de oproep om zulk een minimum te helpen bereiken."


Numaga-tijdschrift1979Numaga na 25 jaar

In 1979, bij het 25-jarig bestaan van Numaga, beschreef J. Brinkhoff, redactiesecretaris van het Numaga-tijdschrift, omstandig de geschiedenis van Numaga in de voorafgaande 25 jaren (Numaga 26, p. 33-54). Brinkhoff memoreerde hoe Numaga in 1954 uit zijn as herrees, blijkbaar onder een gunstiger gesternte dan de voorgangers. Al bij de eerste ledenvergadering kon vice-voorzitter Van Buchem, de motor achter de heroprichting van Numaga, melden dat er 350 leden waren geregistreerd. Daarvan werd, in tegenstelling tot de zeden in het vooroorlogse Numaga, wèl contributie geheven (zij het dat het bestuur volgens Brinkhoff de eerste jaren niet echt actief was bij de inning ervan), en dat geld werd onder meer besteed aan het degelijke, verzorgde en al snel gezaghebbende tijdschrift Numaga, dat drie of vier maal per jaar verscheen. "Tijdschrift gewijd aan heden en verleden van Nijmegen en omgeving" zo luidde de ondertitel. Over het heden werd zelden geschreven, over het verleden des te meer.
De vereniging bloeide. Het aantal leden groeide tot ruim 1300. Naast het tijdschrift werden, zoals de eerste voorzitter Rogier het gewenst had, lezingen en cultuur-historische excursies vast onderdeel van het Numaga-programma. Brinkhoff en de Numaga-bestuurderen, bij het 25-jarig jubileum voor het eerst in de geschiedenis geleid door een vrouwelijke voorzitter, mevrouw Peters-Moormann, konden met trots terugzien op de eerste 25 jaar. Maar de ook door Rogier bepleite Geschiedenis van Nijmegen zou nog even op zich laten wachten ...


Numaga tijdschrift1990Bij het afscheid van het tijdschrift Numaga

Het tijdschrift zou de daarop volgende 25 jaar niet volmaken. Nadat enkele jaren voordien al het tijdschrift Nijmeegs Katern was gestart, kwam in 1990 het afscheid van het Numagatijdschrift, opgevolgd door het Jaarboek Numaga.

Numagavoorzitter O. Moorman van Kappen luidde het tijdschrift in de laatst verschenen aflevering uit (Numaga tijdschrift jrg. XXXVII, 1990, p. 92):

"Na zevenendertig jaargangen zal de uitgave van dit tijdschrift worden gestaakt. Met ingang van volgend jaar zal het plaats maken voor een gelijknamig jaarboek. Voor de leden van Numaga komt deze verandering niet onverwacht. Eind mei j.l. ontvingen zij van het bestuur een brief met een bijgevoegde 'Notitie Jaarboek Numaga', waarin het voorstel van de redactiecommissie om van een viermaal per jaar verschijnend tijdschrift over te schakelen op een jaarboek werd bekendgemaakt, respectievelijk toegelicht, zulks met opsomming van alle voor- en nadelen. Op de op 12 juni 1990 in 'De Vereeniging' gehouden ledenvergadering werd dit voorstel met grote meerderheid van stemmen aanvaard.
In het eerste, in juli 1954 verschenen nummer van Numaga valt te lezen, dat het bestuur het tot zijn 'eerste taak' rekende dit tijdschrift, 'gewijd aan heden en verleden van Nijmegen en omgeving', om de drie maanden te doen verschijnen. Aan dit uitgangspunt is zevenendertig jaren lang consequent de hand gehouden, zij het, dat in sommige jaren 'dubbelnummers' - veelal zgn. themanummers - verschenen, in het eerste jaar zelfs twee. De omslag bleef consequent geel, al maakte het oudst bekende stadszegel van 1265 als omslagvignet met ingang van de 34ste jaargang (1987) plaats voor een meer 'eigentijds' exterieur, waarin de oplettende lezer dadelijk het aan de Waal gelegen Nijmegen herkent. In 1974 werd het 'klassieke' drukprocédé vervangen door de onvermijdelijk blijkende offsetdruk, terwijl qua lay-out met ingang van de 30ste jaargang (1983) werd overgestapt op een tweekolommen-systeem om de lezers op eenzelfde aantal bladzijden meer inhoud te kunnen bieden.
Wat die inhoud van Numaga betreft hebben de successieve redactieleden er steeds naar gestreefd om een zo groot mogelijk variëteit van onderwerpen uit Nijmegens rijke verleden, reikend van de prehistorie tot heden, te bieden en daarbij het hoge qualitatieve niveau, dat de eerste jaargangen reeds kenmerkte, zo goed mogelijk te handhaven zonder concessies te doen op het stuk van de 'presentabiliteit' en leesbaarheid', omdat dit tijdschrift nu eenmaal in de eerste plaats bestemd is voor leden en begunstigers van de vereniging. Het combineren van deze basisvoorwaarden met alle consequenties van dien was bepaald niet altijd een gemakkelijke opgave en in de zich in het verleden wel eens gemanifesteerd hebbende tijden van 'kopij-nood' zelfs een netelige. Kritiek is de successieve redacties dan ook niet bespaard gebleven en de huidige redactie zal de eerste zijn om toe te geven, dat ook redactiewerk 'mensenwerk' is en blijft met alle feilen van dien. Wie echter de inhoud van de zevenendertig tot op heden verschenen jaargangen overziet, zal toch bezwaarlijk kunnen ontkennen, dat daarin een ware schat aan bijdragen tot de beoefening van vele facetten van de geschiedenis van Nijmegen en omgeving te vinden is. Zodat van het tijdschrift Numaga bepaald niet gezegd kan worden, dat het zijn funktie als stimulans van de Nijmeegse geschiedbeoefening heeft verzaakt. Die funktie zal thans worden overgenomen door een jaarboek, waarvan het produktieproces voor onze niet-professionele redactie beter beheersbaar zal zijn en dat langere artikelen dan het tijdschrift zal kunnen bevatten (al betekent dit geenszins, dat het jaarboek 'alleen maar' lange artikelen zal behelzen).
Daarmee zal dan tevens worden teruggekeerd tot een gedachte, die J.H. van 't Lindehout, een van de oprichters van de huidige vereniging, al in het begin van de vijftiger jaren voorstond, namelijk dat de her op te richten vereniging Numaga naar het voorbeeld van vele andere lokale en regionale verenigingen een 'jaarboekje' zou moeten uitgeven. Dat idee, dat aanvankelijk 'algemene bijval vond', werd pas begin 1954 op aanraden van de toenmalige Nijmeegse gemeentesecretaris, mr. J. Meddens, gewijzigd in de uitgave van een Nijmeegs historisch tijdschrift (vgl. J.M.G.M.Brinkhoff, 'Numaga Rediviva Anno MCMLIV. Een terugblik vanuit 1979', in: Numaga 26 (1979) 33-54). Thans zal dat aanvankelijke idee een nieuwe kans krijgen en vanzelfsprekend zal de redactie er haar uiterste best voor doen het jaarboek tot een succes te maken, uiteraard met handhaving van de vertrouwde benaming Numaga en van de goede tradities van het tijdschrift ter zake van qualiteit, varieteit en presentabiliteit. Aldus markeert het afscheid van dit tijdschrift tevens een nieuw begin in jaarboekvorm.
Namens de redactie, 0. Moorman van Kappen"

Naar boven
Commentaar? Suggesties? Vragen?
Mail ons: info@numaga.nl  
Laatst bijgewerkt:
05-09-2007