Het
begin: Rogier De eerste aflevering van het tijdschrift
Numaga werd geopend met de rede die prof. dr. L.J. Rogier uitsprak bij de
oprichtingsvergadering, onder de titel: NUMAGA REDIVIVA (Numaga tijdschrift jrg. I, 1954,
p. 2-8). U leest deze rede hieronder.
"Onder verrassend grote belangstelling van de kant van overheid en burgerij is op
de 21ste Mei 1954 in de gastvrij daartoe ter beschikking gestelde raadzaal van het
stadhuis de historische vereniging "Numaga" tot stand gekomen of - beter gezegd
- uit de schijndood opgestaan. Dit feit is een uitdrukking van een bij vele bewoners van
Nijmegen bestaande wil om het eigen historisch bewustzijn te verlevendigen en in het
algemeen de kennis van de geschiedenis van Nijmegen en de naburige gemeenten te verbreden
en te verdiepen.
Nijmegen is een van de alleroudste Nederlandse steden: het kan in 1955 zijn 1850-jarig
bestaan als stad vieren. Bijna al onze steden dateren uit de late middeleeuwen, maar
Nijmegen gaat terug tot de bloeitijd van het Romeinse keizerrijk. Naar de kranten dezer
dagen op gezag van een alleszins deskundige hebben meegedeeld, is men onlangs bij
graafwerk nabij het Beziendershuis in de Steenstraat gestuit op een muurwerk, dat moet
teruggaan tot in het begin van de tweede eeuw en vermoedelijk deel heeft uitgemaakt van de
oudste omwalling. Dit Romeinse Nijmegen is een sterke grenspost van het Imperium geweest.
Eeuwen later, maar nog altijd eeuwen vóór de nevel optrok over het grootste deel van ons
vaderland, was er een Karolingisch Nijmegen met een keizerspalts, waar Karel de Grote en
vooral Lodewijk de Vrome vaak resideerden.
Wij moeten helaas erkennen, dat de hedendaagse bewoner - en dan natuurlijk in
versterkte mate de bezoeker - moeite heeft om de stad haar ouderdom aan te zien. Voor ons,
sterfelijke en ijdele mensen mag zoiets een compliment zijn, van een stad gezegd, is het
een verwijt. Een stad is meer dan de woonplaats van het levend geslacht; zij behoort de
heugenis te bewaren aan het leven der vaderen. Het valt de bestuurders van snel-groeiende
steden niet altijd gemakkelijk daarvoor zorg te dragen. Er zijn in en buiten Nederland
steden, waar het leven van eeuwen her gefixeerd schijnt te zijn, gevangen binnen oude
wallen, geborgen in stille straten met ongerepte trap-, klok- en halsgevels. Een toerist,
die er neerstrijkt, kan peinzen over het raadsel van hun als vegeterend voortbestaan en
over de geheimzinnige reden, die nog altijd honderden, soms zelfs duizenden doet volharden
in de zo zinloos schijnende woonachtigheid in een "dode" stad. Zulke steden kan
het niet al te veel moeite kosten de oude schoonheid in stand te houden: zij zijn iets als
een bewoond gebleven Herculaneum en Pompeji.
Het valt moeilijk er om te treuren, dat Nijmegen zoiets niet is. Het heeft wel nooit
veel op een dode stad geleken. Vóór zijn ontmanteling in de jaren zeventig der vorige
eeuw moet het geleken hebben op een wriemelende mierenhoop van kleinsteedse bedrijvigheid
en sindsdien toont het zijn krachtig leven in telkens weer nieuwe uitbouw naar alle
kanten. De lof dier ontmanteling is vaak en in vele toonaarden gezongen en de billijke
faam van het driemanschap Graadt van Roggen, Francken en Terwindt leeft gelukkig voort van
geslacht op geslacht. Numaga hoopt daartoe bij te dragen. Maar ook dit werk had zijn
schaduwzijden en ook deze verdienstelijke mannen hadden hun beperktheden.
De stad Nijmegen telde met inbegrip van de toen nog zelfstandige gemeenten Hees en
Hatert in 1795 bijna 13 000 inwoners en driekwart eeuw later, in 1870, bijna 23 000. Dit
wijst niet op uitzonderlijke bloei - het niet door zijn wallen beperkte Arnhem klom in
dezelfde periode van 10 000 op ruim 30 000 zielen. - maar overtreft toch nog altijd het
algemene Nederlandse bevolkingsaccres. De openbreking der stad, haar eindelijke
ontmanteling in de periode 1874-1880 werd het beginpunt van een versnelde ontwikkeling.
Tussen 1870 en 1900 groeide het inwonertal met ruim 20 000. In deze periode begon de
volksverhuizing, die, voortgezet in de 20ste eeuw en door de rampen van de tweede
wereldoorlog min of meer tot een sauve-qui-peut aangewakkerd, de overgrote meerderheid der
bevolking zich buiten de wallencirkel deed neerzetten en de oude stad gaandeweg ontvolkte.
Verval van wat doelloos en ongebruikt kwam te staan, werd hier als elders de inleiding tot
de dictatuur van de slopershouweel, die het zwak en de schande van de 19e eeuw vormt.
Ook Nijmegen is in die eeuw "slopend herboren", om een term van Victor de
Stuers te gebruiken. De ondernemende vernieuwingsdrift van hen, die aan de stadsuitleg
leiding gaven, had weinig oog voor het conserveren der historische schoonheid. De
verdienstelijke Graadt van Roggen vermeldt in zijn aantekeningen over "Ontmanteling
en uitleg" op de datum af de sloping van alle stadspoorten zonder een woord van
beklag. Deze blindheid voor historisch-aesthetische waarden kenmerkte zijn generatie.
Overal, waar de eeuw van stoom en ijzer haar nieuwe scheppingen tot stand bracht, gaf zij
het oude gedachteloos aan de sloper prijs. Ontegenzeglijk is het oorlogsgeweld, vooral dat
van de zwarte dag 22 februari 1944, er de hoofdoorzaak van, dat de stad Nijmegen
onherstelbaar geschonden is, en geen bewoner of bezoeker het beeld, dat zijn hart van de
karakteristiekste plekke bewaart, meer terugvindt. Maar men schuive niet alles op de brede
rug van de oorlog. Er is ook autochthoon vandalisme in het spel geweest. De koelbloedig
voltrokken destructie van de keizerspalts op het Valkhof vond plaats in de overspannen
jeugdjaren van een Bataafse Republiek, die alles nieuw kwam maken. Zij was het voorspel
van de slopersterreur, die zich de hele 19e eeuw zou uitleven. Wie de oudste Nijmeegse
straten, voorkomend op de kaarten van de 16e en 17e eeuw, zoals de Boddelstraat en de
Hezelstraat, critisch doorkruist, wacht bij het monsteren der gevels slechts
ontnuchtering. Hij constateert de naakte waarheid: in de negentiende eeuw zijn verreweg de
meeste oude gevels argeloos en smakeloos vervangen door nette burgerpuien.
Te laat bejammert ook de Nijmeegse burgerij de noeste afbraakvlijt van vroegere
geslachte. Was er tachtig jaar geleden, toen de kritiekste tijd aanbrak, meer historisch
besef geweest, dan zou veel schoons behouden zijn, zonder dat de ontwikkeling der stad er
ook maar in het minst door geremd werd. Volkomen heeft die historische belangstelling de
leidende mannen niet ontbroken, want zij zijn ook de beschermers van het Valkhof en zijn
ruïnes geweest. Volstrekte ontstentenis van respect voor het verleden zou trouwens heel
vreemd zijn in de bewoners van een stad, waarin reeds het graven in de bodem vanouds de
speurzin bevredigd heeft. De geschriften van Smetius, In de Betouw, Pontanus, Van
Slichtenhorst, Arkstee en uit de jongere tijd o.a. die van C. ten Hoet, H.D.J. van
Schevichaven, J.J. Weve, M. Daniëls, F.J. de Waele, Brunsting en Van Buchem zijn zeer
indrukwekkende blijken van die belangstelling. Daarenboven zijn het Museum Kam, verrijkt
met veel, dat eertijds elders bijeengebracht was, speciaal in het Canisiuscollege, en het
Stedelijk Museum getuigen van speurzin en aesthetische instelling. Bepaalde branches der
locale geschiedenis zijn met voorliefde beoefend, met name die van kerk en godsdienst. De
priesters G.A. Meyer O.P. en F. van Hoeck S.J. hebben belangrijke en uitvoerige
geschriften aan de geschiedenis van de katholieken te Nijmegen gewijd. Reeds meer dan
tachtig jaar geleden is de geschiedenis van de Waalse gemeente alhier anoniem in het
tijdschrift "De Navorser" behandeld. P.C.G. Guyot publiceerde in 1845 een
Geschiedenis van de Doopsgezinden te Nijmegen en in het Archief voor Nederlandse
Kerkgeschiedenis schreef J.C.F. van der Meer van Kuffeler over de lotgevallen van de
Lutheranen alhier. Over de vroeger te Nijmegen blijkbaar nogal talrijke Joden hebben wij
publicaties van P.C.G. Guyot, H.D.J. van Schevichaven, W. van Leer e.a. Het is
waarschijnlijk, dat over de Hervormde kerk te Nijmegen, vooral ten aanzien van de
problematiek, die Arminianen en Gomaristen ook te Nijmegen heftig beroerd heeft, nog
vrijwat interessants te vermelden valt. Dit nieuwe tijdschrift zal daartoe gaarne zijn
kolommen openstellen.
Onder de moderne beoefenaars der locale geschiedenis was vooral H.D.J. van Schevichaven
productief. Hij gaf in 1906 een bibliografie der Nijmeegse geschiedenis uit van een
zeldzame volledigheid en publiceerde in zijn drie delen Penschetsen zoveel aardige
bijzonderheden uit het verleden der stad, dat er waarheid schuilt in de klacht, als zou
hij latere onderzoekers het gras voor de voeten weggemaaid hebben. |
|
Hoger in wetenschappelijke waarde staan de studies van M.
Daniëls, zijn opvolger als gemeente-archivaris. Van deze in 1952 overleden geleerde zegt
het jaarverslag van de Directeur van het (Leids) Rijksmuseum van Oudheden, dat hij
"een kenner bij uitnemendheid van het Romeinse Nijmegen" was en dat wij "al
onze kennis daarvan, op een enkele uitzondering na, aan hem te danken" hebben, die
"in de chaos der verschijnselen orde gebracht" heeft. Belangrijke handschriften
van deze auteur, in zijn nalatenschap gevonden, worden thans, naar ik verneem, tot een
uitgave gereed gemaakt, sommige ervan zouden wellicht in ons tijdschrift uitnemend tot hun
recht komen. Van Schevichaven en Weve, de stadsarchitect en als zodanig de
verdienstelijke restaurateur van menig oud bouwwerk, o.a. de Waag en de Karolingische
kapel, zijn de geestelijke vaders van het denkbeeld heel de burgerij te interesseren voor
Nijmegens verleden en daartoe een genootschap te stichten. De 9de April 1902 riepen zij
een blijkbaar vrij beperkt gezelschap bijeen in "Hôtel Metropole". In beginsel
werd tot het stichten van een historische vereniging "Oppidum
Batavorum" besloten. De heren Ir J.J. Weve, H.D.J. van Schevichaven en Mr C.G.J.
Bijleveld werden belast met het ontwerpen van statuten. Twee volgende vergaderingen waren
nodig om deze statuten grondig te behandelen, in die van 5 Mei 1902 werden zij aangenomen.
In de daarop volgende zomermaanden organiseerde de nieuwe vereniging een historische
tentoonstelling in de Nijmeegse schouwburg. Vervolgens stelde "Oppidum
Batavorum" zich blijkbaar vooral het bevorderen van de verschijning van
locaalhistorische geschriften ten doel. In 1904 maakte het een begin met de uitgave onder
zijn auspiciën van het eerste stuk van "Katholiek Nijmegen" door G.A. Meyer
O.P. In 1905 verscheen het tweede stuk. De auteur deelde in zijn voorbericht mee het werk
geschreven te hebben "op vererende uitnodiging van de vereniging Oppidum
Batavorum". In 1906 kwam onder auspiciën van de vereniging het reeds genoemde
"Repertorium Noviomagense" uit, in 1907 het geschrift over de ontmanteling der
stad, uit de aantekeningen van J.H. Graadt van Roggen samengesteld door Van Schevichaven
en Weve. In dezelfde jaren gaf "Oppidum" met een toelichting van Van
Schevichaven de herdruk uit van een vijftal plattegronden der stad, respectievelijk van
1572, van 1639, van 1647 en twee negentiende-eeuwse.
Het schijnt dat "Oppidum Batavorum" reeds omstreeks 1907 bij gebrek aan
genoegzame adem bezweken is. Volgens betrouwbare mededelingen, mij gedaan, zou het tweede
stuk van pater Meyer's geschrift over Katholiek Nijmegen, onder auspiciën der Vereniging
verschenen, vele protestantse leden zozeer geërgerd hebben, dat zij het lidmaatschap
opzegden. Ondenkbaar is dit m.i. geenszins. Het valt te betreuren, dat het tot dusver niet
gelukt is het archief van Oppidum op te sporen. De redactie van dit tijdschrift zou het op
prijs stellen, als een der lezers haar aanwijzingen dienaangaande kon verstrekken.
Na de geruisloze dood van "Oppidum Batavorum" moest het tot 1935 duren eer
het stichten van een nieuw historisch genootschap serieus overwogen werd. Het initiatief
ging uit van de Vereniging "Vivat Noviomagum", die onder de bezielende leiding
van Martin Payens werkzaam was tot de culturele en economische verheffing der burgerij.
Een van haar leden, de Heer J. van Vucht Tijssen Sr, entameerde het voorstel tot het
stichten van een Nijmeegs Historisch Genootschap in een gesprek met Prof. Dr W. Mulder
S.J., de eerste hoogleraar in de middeleeuwse geschiedenis aan de Nijmeegse Universiteit.
Onder diens leiding werd nog in December 1935 een voorlopige bespreking gehouden door de
hoogleraren W. Mulder, J.D.M. Cornelissen en F.J. de Waele, alsmede Jhr Dr van
Rijckevorsel, de directeur van het Stedelijk Museum, de archivaris M.P.M. Daniëls en de
heer J. van Vucht Tijssen. De oprichtingsvergadering, die op 9 Maart 1936 plaats had, werd
bijgewoond door 12 personen. Op een volgende vergadering, die van 26 Mei 1936, bijgewoond
door 13 leden, werd een bestuur gekozen. Het bestond uit de heren Dr K. Smits, voorzitter,
Prof. Dr W Mulder S.J., vice-voorzitter, J. van Vucht Tijssen, 1e secretaris, C. Th.
Kokke, 2e secretaris, M.P.M. Daniëls, penningmeester. Merkwaardigerwijze werd eerst in
een bestuursvergadering van 10 November 1937 de naam "Numaga" vastgesteld. Hij
was een vondst van de heer Kokke, die er op wees, dat de stad aldus genoemd wordt in een
oorkonde van 7 juni 777, waarin Karel de Grote een schenking doet aan de kerk van St.
Maarten te Utrecht. Onder aan die oorkonde staat: "Actum Numaga palacio publico in
Dei nomine feliciter".
Het is mij niet gebleken dat "Numaga" meer vergaderingen met een spreekbeurt
heeft gehouden dan die van 1 december 1937, waarop de heer Daniëls een lezing met
lichtbeelden hield over Romeins Nijmegen. Uit het bewaard gebleven convocaat blijkt, dat
inmiddels burgemeester J.A.H. Steinweg ere-voorzitter geworden was en de plaats van de
kort tevoren overleden hoogleraar Mulder in het bestuur was ingenomen door Prof. Dr W.
Lampen O.F.M. Deze werd na zijn kort daarop gevolgd vertrek naar Italië opgevolgd door
Prof. Dr R.R. Post. "Numaga" zocht blijkbaar zijn kracht in het vormen van
studiekringen en het houden van rondleidingen. Het tweede had meer succes dan het eerste:
sinds 1937 hadden onder leiding van de heer Van Vucht Tijssen historische wandelingen door
de stad plaats met speciale oponthouden bij het Valkhof, het Gemeente-Museum, het Museum
Kam, het Stadhuis en de Grote Kerk. In de bezettingsjaren heeft "Numaga", dat
zich niet wenste te laten spannen voor de wagen van de bezetter door het opzichtig
beoefenen van de door deze gepropageerde "heemkunde", zijn werkzaamheden
gestaakt.
De bekende bezwaren en verwarringen van de eerste naoorlogse jaren hebben blijkbaar de
heroprichting van "Numaga" vertraagd. Eerst tegen het eind van 1950 begon Dr
H.J.H. van Buchem, de directeur van het Museum Kam met besprekingen over de mogelijkheid.
Het werk vorderde aanvankelijk moeizaam, maar leidde - dank zij de opwekkende steun van
het gemeentebestuur en van de chef der afdeling Culturele Zaken en van de locale pers - in
het voorjaar van 1954 tot het besluit der wederoprichting en tot vorming van een voorlopig
bestuur.
Als voorzitter van dit inmiddels definitief gekozen bestuur wil ik gaarne in het eerste
nummer van dit orgaan der Vereniging met een enkel woord uiteenzetten, wat het bestuur
zich van de werkzaamheid der Vereniging voorstelt. De eerste taak is de uitgave van het
tijdschrift "Numaga", in welks eerste nummer dit inleidend woord gastvrijheid
heeft gevonden. Het ligt in de bedoeling om de drie maanden een nummer van ongeveer
dezelfde omvang te doen verschijnen. Wij roepen de medewerking van alle belangstellende
deskundigen bij dezen gaarne in.
Ten tweede stelt het Bestuur zich voor, dat de Vereniging "Numaga" ten minste
eenmaal per jaar een vergadering met een spreekbeurt houdt en eveneens elk jaar een
excursie met deskundige rondleiding.
In de derde plaats hoopt het Bestuur in gestadige samenwerking met het Gemeentebestuur
- welks hoogste functionaris, Burgemeester Mr Ch.M.J.H. Hustinx, het ere-voorzitterschap
der Vereniging heeft willen aanvaarden - het zijne te doen voor een waardige viering van
het jubileum van 1955.
Eindelijk zal het Bestuur, zodra het zich daartoe gerechtigd acht, de verwezenlijking
van een lang gekoesterd plan ter hand nemen: het doen samenstellen van een
wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire "Geschiedenis van
Nijmegen". Of deze plannen vrome wensen zullen blijven, hangt af van de ontvangst,
die de burgerij het herleefde "Numaga" en zijn tijdschrift bereidt. Het succes
van de oprichtingsvergadering in een overbezette raadzaal geeft moed. Ook de aanmeldingen
voor het lidmaatschap mogen niet teleurstellend heten. Zij hebben thans ongeveer het getal
van 300 bereikt. In vertrouwen op de welwillendheid van het gemeentebestuur en een enkele
particulier kiest "Numaga" zee, maar met de zekerheid, dat het om te blijven
varen de vaste steun van ten minste 400 leden nodig heeft. Aan de burgerij thans de oproep
om zulk een minimum te helpen bereiken." |