|
Ruim twee decennia geleden beschreef Herman de Heiden in twee artikelen de
geschiedenis van de Nijmeegse gobelins in het stadhuis, waarvan een deel, de
Metamorfosentapijten, sinds de recente (2004) verbouwing van de raadzaal uit het stadhuis
verdwenen zijn. Voor wie het aangaat en interesseert volgt hier zijn relaas over hoe de
tapijten in het stadhuis terecht kwamen in de tijd van de Vrede van Nijmegen (1678/1679).
De geschiedenis van de tapijten in de twintigste eeuw vindt u hier.
En hoe het de tapijten in de eenentwintigste eeuw vergaat, leest u hier.
De Vredesonderhandelingen en de verwerving van Antwerpse
tapijten door de stad Nijmegen
H.G.M. de Heiden
 Uit: De Vrede van Nijmegen. Catalogi van het kunstbezit
van de Gemeente Nijmegen nr.1. Uitgegeven ter gelegenheid van de
herdenkingstentoonstelling in het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan' en het
Gemeentearchief in het Arsenaal, van 14 september tot 23 oktober 1978. Nijmegen, 1978, p.
81-83
De gemeente Nijmegen is in het bezit van drie onderscheiden series wandtapijten uit de
zeventiende eeuw, te weten: de Verdures of groenwerktapijten, de Aeneas- en de
Metamorfosentapijten. Deze drie series, die in totaal vijf en twintig grotere en kleinere
tapijten omvatten, behoren tot de inrichting van het stadhuis. De verdures waren in 1664
door de Magistraat aangekocht voor de Raadszaal. De beide andere series tapijten maken
eerst sinds het Nijmeegse vredescongres van 1676-1679 deel uit van de inventaris van het
stadhuis.
De Aeneas-serie (thans zes tapijten) bevat afbeeldingen uit het epos
van Vergilius en werd vervaardigd naar kartons van Giovanni Francesco Romanelli. De zes
tapijten hingen tot voor kort in de twee zogenaamde Gouden Kamers van het Stadhuis.
De Metamorfosen-serie, welke thans zeven tapijten omvat, is ongeveer even oud als de
zojuist vermelde reeks. De voorstellingen, zeer populair in de 17e eeuw, zijn ontleend aan
de Metamorfosen van Publius Ovidius Naso.
Beide reeksen zijn geweven in de befaamde ateliers van Michiel Wouters te Antwerpen (1). In onderstaand relaas zullen wij zien, hoe de tapijten in het
Stadhuis van Nijmegen terecht zijn gekomen en welke hun verdere lotgevallen zijn geweest.
De Metamorfosentapijten (klik
op afbeelding voor een wat groter beeld)
|
Apollo
en Daphne
(408 x 309 cm)
 |
Arcas
en de berin
(420 x 320 cm)
 |
Cephalus
en Procris
(410 x 290 cm)
 |
Ovidius,
Metamorfosen I, 452 vv
De god Apollo achtervolgt Daphne, de dochter van een Thessalische riviergod. Om hem te
ontkomen roept zij de goden aan die haar veranderen in een laurierboom. |
Ovidius,
Metamorfosen II, 401 vv.
Nadat Jupiter de nimf Callisto verleid heeft en hun zoontje Arcas geboren is, verandert de
jaloerse Juno Callisto in een berin. Zij weet het er zelfs op aan te leggen dat de jonge
Arcas, op jacht, niets vermoedend op de berin - zijn moeder - mikt. Jupiter redt beiden
echter en plaatst hen als sterrebeelden van de Grote en de Kleine Beer aan het firmament. |
Ovidius,
Metamorfosen VII, 661 vv.
Jaloezie teistert het echtpaar Cephalus en Procris. Als haar man argwaan tegen haar
koestert, vlucht Procris naar Kreta, waar zij van de jachtgodin Artemis een werpspies
krijgt waarmee men zijn doel niet kan missen. Verzoend met haar man keert zij terug
en geeft hem de spies. Op haar beurt jaloers volgt zij Cephalus wanneer hij op jacht is en
bespiedt hem. Daarbij wordt zij getroffen door de altijd rakende werpspies. |
|
Meleager
en het Calydonische zwijn
(410 x 422 cm)
 |
De
geschiedenis van Narcissus
(406 x 466 cm)
 |
Mercurius,
Herse en Aglaurus
(400 x 409 cm)
 |
Ovidius,
Metamorfosen VIII, 260 vv.
Uit woede omdat de koning van de stad Calydon niet voldoende aan haar geofferd heeft, laat
Artemis een monsterachtig everzwijn de akkers van de bewoners vernielen. Onder leiding van
Meleager maakt men jacht op het dier. Hij doodt het en schenkt het als jachtbuit aan de
jageres Atalanta. Velen worden daarop jaloers op hem, waaronder ook zijn moeders broers;
Meleager doodt hen maar daarop zorgt zijn moeder dat hij zelf omkomt. Zijn rouwende
zusters worden veranderd in parelhoenders. |
Ovidius,
Metamorfosen III, 339 vv.
De nimf Echo wordt verliefd op de beeldschone zoon van een riviergod, Narcissus. Deze
versmaadt haar, waarop zij de wraakgodin Nemesis te hulp roept, die Narcissus voor straf
wanhopig op zijn eigen spiegelbeeld in het water verliefd laat raken. Narcissus sterft en
wordt door de goden veranderd in de naar hem genoemde bloem. Op het tapijt zijn de drie
episoden afgebeeld: links Narcissus en Echo, rechts Narcissus bij een bron, op de
voorgrond een narcis. |
Ovidius,
Metamorfosen II, 708 vv
De god Mercurius ontmoet de drie dochters van Cecrops: Aglaurus, Herse en Pandrosus, die
op weg zijn om een offer te brengen. Hij wordt verliefd op Herse, maar haar zuster
Aglaurus misgunt haar de liefde van de god en probeert deze te dwarsbomen. Daarop wordt
zij veranderd in een steen. |
|
De
ontvoering van Europa
(412 x 347 cm)
 |
Ovidius, Metamorfosen II, 833 vv
Verliefd geworden op de Fenicische prinses Europa neemt Jupiter de gedaante aan van een
stier. De prinses en haar vriendinnen, die aan de kust wandelen, tooien het dier met
bloemslingers, totdat de stier Europa plotseling meesleept en over zee ontvoert naar het
eiland Kreta.
|
|
| Foto's: Stichting
Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem |
Zoals vermeld, gaat de geschiedenis terug tot het Nijmeegse vredescongres en wel - om
precies te zijn - tot het jaar 1677. In de maand januari van dat jaar zochten Hieronimus
van Beverningk, Willem Adriaan van Nassau Odijk en Willem van Haren, ambassadeurs van de
Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Provinciën bij het vredescongres een
gemeenschappelijke vergaderruimte, die aanvaardbaar was voor alle gezanten der geallieerde
landen. Zij lieten daartoe een welgevallig oog rusten op 'een vertrek van 't klein
Raad-huis, 't geen nevens het grote staat en een doorgang in 't zelve heeft. 't Is daar,
dat de Gedeputeerden van Gelderland van 't quartier van Nijmegen hun gewoonlijke
vergaderingen houden" (2).
Voor kenners van de geschiedenis van het Stadhuis is het zonneklaar, dat de schrijver van
deze woorden doelde op de zalen, gemaakt van de voormalige refter en keuken van het in
1591 geseculariseerde Dominicanenklooster, die in dat jaar bij het Stadhuis gevoegd waren
en die in 1659 ter beschikking waren gestald van de gedeputeerden van Gelderland voor hun
vergaderingen in Nijmegen (3). En om alle twijfels weg te nemen
vinden wij in een brief van de Staatse ambassadeurs aan hun principalen over deze kwestie
het volgende:
"
daer op sijn wij heden agt dagen gesamentlijk geweest ter kameren van de
heren Gedeputeerden van 't quartier van Nijmegen, sijnde twe vertrekken bij der aerden
nevens malkanderen van eene grote ende distantie ende die haren toegang hebben door de
porte cochere van de straet benevens het stadhuys" (4).
Wij vernemen terloops, dat het ging om twee zalen. Dit is van belang, omdat hier mogelijk
een verklaring gegeven wordt voor de huidige aanwezigheid van juist twee onderscheiden
series tapijten. Met de 'porte cochere' is in de zojuist aangehaalde tekst niets anders
bedoeld dan de grote overwelfde koetspoort, welke nog altijd leidt van de Burchtstraat
naar de binnenplaats en die bekend staat als de Gedeputeerdenpoort.
Waarom de Nederlandse gezanten zochten naar een zo neutraal mogelijke vergaderruimte lezen
we bij St. Disdier:
"
d'Ambassadeurs van Holland hadden krachtige redenen gehad om een publieke
plaats tot conferentien te verkiezen, als wel weetende, dat men daer met meer vrijheid
zouden konnen handelen als bij de Keyzerschen, die zich daer meester van wilden maaken
"(5).
Kennelijk stuurden de keizerlijke ambassadeurs het er dus op aan om de gemeenschappelijke
vergaderingen in hun residentie te houden en daar hadden de overige verbondenen allerlei
bezwaren tegen. Dit verklaart het zoeken naar een ruimte, die zo neutraal was, dat zij
door alle partijen zonder wantrouwen gebruikt kon worden. De keuze veroorzaakte een
geweldig gekrakeel, daar met name de Fransen vreesden, dat "in een neutraale en aan
alle d'ambassadeurs even gemeene stad d'eenen sich geen publike plaats toeëygenen konden
tot prejuditie der anderen zonder die neutraliteit daarvan te violeren
"(6).
De zaak kon in der minne geschikt worden door aan de Fransen op hun beurt een kamer aan te
bieden in "t groot-Raadhuis' (het 'voorhuis' dus) voor hun bijeenkomsten met de
Zweden.
Op 25 januari spraken de gezanten der Staten-Generaal met enige Gedeputeerden van het
kwartier van Nijmegen over het gebruik van de beide Gedeputeerdenkamers. Bij dit gesprek
werd laatstgenoemden verzocht om de vertrekken op eigen kosten van behangsels en van
leunstoelen te voorzien (7). Wellicht werd op dat moment de sfeer van
deze voormalige keuken en refter nog bepaald door koele witte muren, die hun kloosterlijke
herkomst verraadden. Men achtte, hoe het ook zij, de beide kamers blijkbaar niet
representatief genoeg voor de verwende ogen van al die hoge vertegenwoordigers uit vreemde
landen. Bij het verzoek ging men er kennelijk van uit, dat de eigenlijke gebruikers van de
kamers maar moesten opdraaien voor de kosten.
Wij zien de kwestie weer opduiken in de Raad van de stad Nijmegen, en wel op 26 januari
1677. Geconstateerd werd toen - ongetwijfeld met veel misnoegen - dat Hunne Excellenties
(i.c. de Staatse Ambassadeurs) van mening waren, dat "de nodige oncosten om de
voorsz. camers bequam (= bekwaam, geschikt) te maken tot de voorsz. conferentien behoorden
te werden gedaen door dese stad
" (8).
Blijkbaar hadden de Gedeputeerden kans gezien om de Zwarte Piet van de kosten door te
spelen naar de stad Nijmegen. Het is niet gemakkelijk om de gedachtengang hierbij precies
na te gaan. Vermoedelijk zal de overweging geweest zijn, dat de stad Nijmegen, als
eigenaresse van de zalen (de Gedeputeerden hadden slechts het recht van gebruik) maar in
een en ander dienden te voorzien. Rond de stedelijke vergadertafel zullen toen wel vele
wenkbrauwen gefronst zijn, want wat van de magistraat werd verlangd, was niet mis. De
aanschaf van tapijten was immers een peperdure aangelegenheid, die alleen de zeer rijken
zich konden veroorloven. Men besloot toen om een kleine deputatie af te vaardigen naar de
Nederlandse ambassadeurs teneinde hen tot andere gedachten te brengen. De ongetwijfeld
welgekozen bewoordingen bleken echter aan dovemansoren besteed, want reeds één dag later
constateerde de raad met spijt, dat 'Haere Exellentien waren gebleven bij het gevoelen,
dat 't selve bij de stadt behoorde becosticht te worden
' (9).
Ten einde raad besloot men de heer Van Heuckelom, achtenswaardig lid van de Nijmeegse
magistraat en op dat moment afgevaardigde van het Nijmeegs Kwartier bij de Staten-Generaal
te 's-Gravenhage, in te schakelen. Met zijn hulp wilde men zien te bereiken, dat de
aanschaf van de tapijten als een zaak werd aangemerkt, die de Generaliteit (dus de zeven
gewesten gezamenlijk) aanging (10). In dat geval zouden de kosten
bestreden kunnen worden uit de gemene middelen (uit de gemeenschappelijke 'pot' dus),
waarin de souvereine gewesten in vaste verhoudingen bijdroegen.
De heer Van Heuckelom liet er geen gras over groeien, want reeds op 10 februari kwam de
kwestie in de vergadering van de Staten-Generaal aan de orde. In de resolutien staat bij
de betreffende passage in de marge: 'Gelderlant. 't Meubleren van de camers tot de
vreedehandelingen te Nijmegen.'
De vergadering verzocht een aantal leden uit haar midden, die tezamen zoiets als een
commissie voor buitenlandse zaken vormden en waarvan de heer Van Heuckelom zelf deel
uitmaakte, om een advies in deze kwestie (11). De 'commissie' ging
voortvarend te werk. De aanwezigheid van een lid van de Nijmeegse magistraat zal daaraan
wel niet vreemd zijn geweest. Reeds enige dagen later besloten Hunne Hoog Mogenden op
advies van Van Heuckelom c.s. om de behangsels inderdaad ten laste van 'uit den post van
de defroyementen op de hoogh gemelte Provincie van Gelderlant gerepartieerd' (12).
Uit de post defroyementen (letterlijk: verteringen), behorende tot de eerder aangeduide
generale middelen, werden o.a. de ontvangsten van buitenlandse gezanten betaald.
Door deze beslissing van de Staten-Generaal werd in de eerste plaats vastgesteld, dat de
aankleding van de Gedeputeerden Kamers in het Nijmeegse Stadhuis een aangelegenheid was
van de Generaliteit. (Het was immers in het belang van alle gewesten, dat er goed
'gedefroyeerd' werd). In de tweede plaats werd zo bepaald, dat de tapijten toch door het
gewest Gelderland zouden worden betaald en dat dit zou geschieden uit het vaste gedeelte,
dat dit gewest bijdroeg aan de post defroyementen. Met een omweg werd de provincie
Gelderland dus in feite toch de betalende instantie. Hierdoor was echter bereikt, dat de
kosten niet als een éxtra last op de Nijmeegse, Kwartierlijke of Gelderse bestuurderen
werden geladen, maar werden opgenomen in de gewone stroom van uitgaven binnen het Gelderse
aandeel aan de gemeenschappelijke pot. Een ingewikkelde beslissing als deze was alleen
maar mogelijk in het gecompliceerde bestuursapparaat ten tijde van de Republiek, waarbij
niet de Staten-Generaal, maar de afzonderlijke gewesten in hoge mate souverein waren.
Uit het bovenstaande blijkt, dat het de Staten-Generaal om het even bleef of de tapijten
nu gehuurd of gekocht werden.
Vervolgens werd nog besloten om de Gelderse Gedeputeerden te verzoeken de maten van de
kamers 'herwaerts', dus naar 's-Gravenhage, over te zenden (13).
Waarvoor de Staten-Generaal de maten nodig hadden, blijkt nergens uit. Vermoedelijk zijn
de tapijten hoewel dus op indirecte wijze betaald door Gelderland, aangekocht namens de
Staten-Generaal. De zaak lijkt voor deze hiermede te zijn afgedaan, want in verdere
resoluties vinden wij er geen melding meer van gemaakt.
De Aeneastapijten
(klik op afbeelding voor een wat groter beeld)
|
Aeneas ontmoet zijn
moeder Venus
(410 x 278 cm)
 |
De bouw van Carthago
(406 x 550 cm)
 |
Het offer van Dido
aan Juno
(415 x 488 cm)
 |
Aeneas en Dido
vluchten voor het onweer
(410 x 420 cm)
 |
Mercurius herinnert
Aeneas aan zijn verplichting naar Italië te reizen
(404 x 358 cm)
 |
Afscheid van Dido en
Aeneas
(420 x 400 cm)
 |
| Foto's:
Stichting Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem |
Wij kunnen de draad weer opnemen op 5 mei van hetzelfde jaar, toen in de vergadering
van het Kwartier van Nijmegen mededeling werd gedaan van de beslissing van de
Staten-Generaal. Tevens werd toen een brief voorgelezen van de zijde van burgemeester Van
Heuckelom, nog steeds afgevaardigde bij de Generaliteit, waarbij deze adviseerde om de
tapijten maar te kopen, daar men na één jaar huur anders ongeveer hetzelfde bedrag kwijt
zou zijn. Tenslotte werden in diezelfde vergadering 'de gedeputeerden geauthoriseerd de
voorsz. tapijten tot meesten dienst en mesnage van het kwartier te mogen doen incopen' (14).
Voor zover is na te gaan, schijnt de kwestie bij de nadere kwartieren van het gewest niet
aan de orde geweest te zijn. Het is mogelijk, dat de kwartieren stilzwijgend (?) hebben
ingestemd met het generaliteits-besluit en dat de Gedeputeerden van het Nijmeegs Kwartier
zijn opgetreden als uitvoerders van dat besluit. In het eerder vermelde Gelderse aandeel
in de post defroyementen droegen de drie kwartieren op hun beurt ook weer in een vaste
verhouding bij. Men zou zich in dit verband ook af kunnen vragen of de Staten van
Gelderland de kosten niet hebben doorgeschoven naar het Kwartier van Nijmegen op dezelfde
wijze als de Staten-Generaal het deden naar het gewest Gelderland. Onwaarschijnlijk lijkt
dit zeker niet.
Na het congres werd het stil rond de tapijten. Aangenomen mag worden, dat zij na het
vertrek van de laatste gezanten deel zijn blijven uitmaken van de vaste inrichting van de
beide zalen. Genoemd werden zij niet meer, noch in de 18e noch in de 19e eeuw. Het is
evenwel niet aannemelijk, dat de Gedeputeerden die, zoals uiteengezet is, als de
eigenlijke betalers mogen worden aangemerkt, na 1679 of daaromtrent de tapijten zouden
hebben laten afnemen. Zij zouden daarmee hun eigen vergaderruimten op niet geringe wijze
onttakeld hebben.
Toen in de 'Franse tijd' - door liquidatie van het oude gecompliceerde bestuursapparaat
van het gewest - de beide zalen hun functie verloren, stond het de stad als eigenaresse
vrij aan deze een nieuwe bestemming te geven. Dit nu geschiedde definitief in 1838. In dat
jaar was bepaald, dat het Kantongerecht - toen juist ingesteld - zou intrekken bij het
gemeentebestuur (15) . Om dit mogelijk te maken moest er een
inwendige verbouwing van het stadhuis plaats vinden, waarbij onder meer een aantal grotere
ruimten in kleinere werden verdeeld. Temidden van al dat breken en timmeren vormden de
beide zalen achter de Gedeputeerdenplaats een oase van rust. Wel werden er nieuwe
raamkozijnen en schuiframen gemaakt (de oude waren geheel versleten), maar daar bleef het
dan ook bij (16). Met nadruk werden toen de beide zalen ontzien,
kennelijk vanwege de luister die zij uitstraalden (17).
Toen na de verbouwing de beschikbare ruimten opnieuw werden verdeeld, kregen de zalen een
nieuwe, bij hun historisch aankleding passende, representatieve bestemming. De zaal waarin
zich de Metamorfosentapijten bevonden werd kamer van Burgemeester en Wethouders, terwijl
de andere - die met de Aeneastapijten - de bestemming kreeg van Raadszaal (na 1890
Trouwzaal). Men behield zo ook een mogelijkheid om vorsten en andere
hoogwaardigheidsbekleders te ontvangen (18). Inderdaad zou drie jaar
later Koning Willem II bij zijn officiële bezoek aan Nijmegen eenmaal de nacht in gepaste
waardigheid in een der beide zalen doorbrengen (19).
Bij dit alles veronderstellen we voortdurend de aanwezigheid van de tapijten, hoewel zij,
als aangegeven, nooit met name genoemd worden. Toch moet er een grote waardering voor
geweest zijn . Het zo zorgvuldig ontzien van de beide zalen tijdens de zojuist vermelde
verbouwing vormt er een aanwijzing voor. Doch deze stilzwijgende waardering gold de
gobelins als behangsels en niet als afzonderlijke kunstwerken. Zij behoorden zo
vanzelfsprekend tot het interieur, dat niemand ze als onderdeel van de inventaris noemde.
Er was destijds ook weinig aanleiding om daar anders over te denken. De tapijten zaten
namelijk border aan border op de muren gespijkerd en bogen, net als behang, mee met alle
hoeken van die muren (20). Aan onderhoud werd niet veel geld
uitgegeven. Hier en daar werd eens iets opnieuw vastgespijkerd en ook de lijmpot werd
duchtig gehanteerd (21). Bij de aanleg van gasverlichting sloeg men
de pijpen onbekommerd door de doeken heen (22).
Dat de gobelins, hangend in ruimten waar 's winters omvangrijke kachels stonden te
branden, op den duur enorme stofnesten werden, laat zich gemakkelijk raden. De werksters,
die in die dagen menig kunstwerk in het stadhuis belaagden, hadden daar zo hun eigen
drastische opvattingen over en veegden, voor zover zij met hun armen reiken konden, de
gobelins schoon met zoiets als een veger. Voorts kon eeuwenlang het zonlicht onbelemmerd
op de kleuren inwerken (23).
In de jaren twintig van deze eeuw ging men, mede naar aanleiding van het feit dat de
toenmalige gemeente-archivaris M.Daniëls de naam van de maker van de verdures had
ontdekt, het belang van het Nijmeegse tapijtenbezit inzien (24). Dit
resulteerde in een schoonmaak- en restauratiebeurt van de Metamorfosentapijten in
1923-1924 door de Kunstweefschool te 's-Gravenhage. In de loop van 1925 werd de bekleding
weer op de muren aangebracht (25). Hamer en spijkers werden daarbij
weer met grote vlijt gehanteerd. Een overtollig stuk werd gedeponeerd in een kist op
zolder, een graf waarin een opruimen minnend voorgeslacht reeds vele restanten (i.c. van
de verdures) had bijgezet (26). Enige ontbrekende randen werden
tenslotte opgevuld met op linnen geschilderde nabootsingen en zo was iedereen weer
tevreden (27).
Dat deze restauratie niet zo erg geslaagd mocht heten, bleek in 1939 toen alle tapijten in
verband met oorlogsgevaar van de muren gehaald werden. Zij verkeerden - de zojuist
gerestaureerde tapijten incluis - in een werkelijk deplorabele toestand (28).
Een krenterig budget schijnt onder meer aan het niet slagen van de restauratie debet te
zijn geweest. Voorts mag niet vergeten worden, dat de kennis omtrent het reinigen en
herstellen van antiek textiel in de jaren twintig nog in de kinderschoenen had gestaan. In
1939 werd besloten tot een algehele en grondige restauratie onder de leiding van Dr. G.
van Ysselsteyn. Zij is de eerste geweest, die aan het Nijmeegse tapijtenbezit serieuze
aandacht heeft besteed (29).
Nadat alle lappen grondig gewassen waren, bleek eerst goed in welke slechte staat zij
verkeerden. Toen kwam ook al het onheil aan het licht, dat vroegere herstellingen hadden
teweeggebracht. 'Van slecht gelegde stoppen, als in soldatensokken, tot ruige
bijschilderingen met de kwast, was alles aanwezig' (30). De
restauratie nam jaren in beslag. De lange duur betekende in dubbele zin de redding van de
tapijten, want daardoor ontsnapten zij aan oorlogsverwoesting. Gedurende de slag om
Nijmegen in september 1994 ging het stadhuis immers - dank zij de activiteiten van een
gefrustreerde Hitlerjeugd - in vlammen op. De tapijten zouden - indien aanwezig -
vermoedelijk hetzelfde lot ondergaan hebben als bijvoorbeeld het schepengestoelte.
Bij de herbouw na de oorlog hield architect ir. J.G. Deur (31) vast
aan de historisch gegroeide plattegrond. Daarom verrezen er op de plaats van de totaal
verwoeste Kamer van Burgemeester en Wethouders en van de Trouwzaal twee zalen, die vanwege
de kleur van het behang de aanduiding Gouden Kamers meekregen. In 1954 konden de tapijten
hun plaatsen in de diverse zalen weer innemen. Bij de ophanging werd rekening gehouden met
de inmiddels totaal gewijzigde kijk op de gobelins. Met grote nadruk werden zij vanaf toen
als afzonderlijke kunstwerken benaderd. Daarom konden de beide series niet meer worden
samengeperst in twee zalen (per serie één zaal). De Aeneas-serie kwam verspreid over de
beide Gouden Kamers te hangen, de Metamorfosentapijten daarmee van hun historische plaats
verdringend. Voor deze waren echter nieuwe plaatsen in gereedheid gebracht op de boven de
Gouden Kamers gelegen verdieping.
Thans (september 1978) zij de tapijten opnieuw afgenomen en opgeborgen. Dit is geschied in
verband met de afbraak van de secretarievleugel uit 1942 en de bouw van een nieuw
stadhuis, waarin het historische stadhuis uit 1554 opgenomen wordt. In dit gebouw zullen
de dertien Antwerpse tapijten een nieuwe opstelling krijgen (32).
H.G.M. de Heiden

|
|
Noten
1. G.T. van IJsselsteyn, Geschiedenis der Tapijtweverijen in de Noordelijke Nederlanden,
Leiden 1936, p. 195-196, 285-286
2. De Heer de St. Disdier, geheimschrijver der Fransche Ambassade, Nijmeegsche
Vreede-Handeling
., in het Nederduitsch gebracht, Amsterdam, 1680, p. 31
3. H.D.J. van Schevichaven, Het Stadhuis van Nijmegen, Nijmegen 1903, p. 60 en 89
4. Stukken tot het Verbael (van de Vredesonderhandelingen) nr. 187, Collectie
Handschriften en Curiosa (H. en C.) nr. II, A - 1d, 8, Gemeente-Archief Nijmegen
5. St. Disdier, o.c., p. 32
6. idem, p. 32
7. Verbael (van de Vredesonderhandelingen), fol. 424-425, H. en C., II, A-1d, 5
8. Oud Archief Nijmegen (O.A.N.) nr. 113, fol. 155
9. idem, fol. 156
10. idem, fol. 156
11. Algemeen Rijksarchief (A.R.A.), Resolutien der Staten-Generaal, nr. 3295, fol. 95
12. idem, fol. 109
13. idem, fol. 109 vo
14. O.A.N. 3310 (niet gepagineerd)
15. Van Schevichaven, o.c., p. 12
16. Nieuw Archief Nijmegen (N.A.N.), 1814-1850, nr. 2108
17. Cfr. het besluit van de Raad der Gemeente d.d. 19.9.1838 (N.A.N. 0023-serie delen-,
fol. 79-79 vo
18. idem, fol 79-79 vo
19. Cfr. onder meer J.W. en G. van Druijnen, Vervolg op Kronijk van Nijmegen, beginnende
met het jaar 1841, H. en C. II, A - 1a, 3
20. Talloze foto's van het Stadhuis van Nijmegen vóór de verwoesting tonen dit aan.
21. G.T. van IJsselsteyn, Rapport aan B. en W. d.d. 15.11.1937 (documentatie met
betrekking tot de tapijten; G.A.N.)
22. J.G. Deur, Rapport aan de burgemeester d.d. 11.5.1946 betreffende de restauratie van
de wandtapijten uit het oude raadhuis te Nijmegen (documentatie wandtapijten; G.A.N.)
23. Deur, o.c.
24. Verslag der Commissie ter Verzekering eener goede bewaring van Gedenkstukken van
Geschiedenis en Kunst te Nijmegen over het jaar 1921, Nijmegen, 1922, p. 8
25. Verslag der Commissie
. over het jaar 1925, Nijmegen 1926, p. 2
26. G.T. van IJsselsteyn, 'Over een serie wandtapijten in het bezit van de Gemeente
Nijmegen', in: Kunsthistorische mededelingen van het Rijksbureau voor Kunsthistorische
Documentatie, 's-Gravenhage 4 (1949) nr. 3-4, p. 48-51
27. Verslag der Commissie
. over het jaar 1925, Nijmegen 1926, p. 2
28. Deur, o.c.
29. Cfr. noot 1
30. Deur, o.c.
31. J.G. Deur, 'De Restauratie van het Stadhuis', in: Noviomagum Revivens, Nijmegen 1953
32. Dit artikel is een bewerking van mijn bijdrage in het aan de herdenking van de van
Nijmegen gewijde nummer van het tijdschrift Numaga, jaargang 25, augustus 1978, p.
185-195: ''t Meubleren van de plaetse van de Vreedehandelingen'. |