NUMAGA

Vereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving


De geschiedenis van de wandtapijten van het Nijmeegse stadhuis 1

De Nijmeegse wandtapijten in de 20e eeuw
. De Nijmeegse wandtapijten in de 21e eeuw

Ruim twee decennia geleden beschreef Herman de Heiden in twee artikelen de geschiedenis van de Nijmeegse gobelins in het stadhuis, waarvan een deel, de Metamorfosentapijten, sinds de recente (2004) verbouwing van de raadzaal uit het stadhuis verdwenen zijn. Voor wie het aangaat en interesseert volgt hier zijn relaas over hoe de tapijten in het stadhuis terecht kwamen in de tijd van de Vrede van Nijmegen (1678/1679). De geschiedenis van de tapijten in de twintigste eeuw vindt u hier. En hoe het de tapijten in de eenentwintigste eeuw vergaat, leest u hier.

De Vredesonderhandelingen en de verwerving van Antwerpse tapijten door de stad Nijmegen

H.G.M. de Heiden

De Vrede van NijmegenDe Vrede van NijmegenUit: De Vrede van Nijmegen. Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr.1. Uitgegeven ter gelegenheid van de herdenkingstentoonstelling in het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan' en het Gemeentearchief in het Arsenaal, van 14 september tot 23 oktober 1978. Nijmegen, 1978, p. 81-83

De gemeente Nijmegen is in het bezit van drie onderscheiden series wandtapijten uit de zeventiende eeuw, te weten: de Verdures of groenwerktapijten, de Aeneas- en de Metamorfosentapijten. Deze drie series, die in totaal vijf en twintig grotere en kleinere tapijten omvatten, behoren tot de inrichting van het stadhuis. De verdures waren in 1664 door de Magistraat aangekocht voor de Raadszaal. De beide andere series tapijten maken eerst sinds het Nijmeegse vredescongres van 1676-1679 deel uit van de inventaris van het stadhuis.
De Aeneas-serie (thans zes tapijten) bevat afbeeldingen uit het epos van Vergilius en werd vervaardigd naar kartons van Giovanni Francesco Romanelli. De zes tapijten hingen tot voor kort in de twee zogenaamde Gouden Kamers van het Stadhuis.
De Metamorfosen-serie, welke thans zeven tapijten omvat, is ongeveer even oud als de zojuist vermelde reeks. De voorstellingen, zeer populair in de 17e eeuw, zijn ontleend aan de Metamorfosen van Publius Ovidius Naso.
Beide reeksen zijn geweven in de befaamde ateliers van Michiel Wouters te Antwerpen (1). In onderstaand relaas zullen wij zien, hoe de tapijten in het Stadhuis van Nijmegen terecht zijn gekomen en welke hun verdere lotgevallen zijn geweest.


De Metamorfosentapijten (klik op afbeelding voor een wat groter beeld)

Apollo en Daphne
(408 x 309 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Apollo en Daphne

Arcas en de berin
(420 x 320 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Arcas en de berin

Cephalus en Procris
(410 x 290 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Cephalus en Procris

Ovidius, Metamorfosen I, 452 vv
De god Apollo achtervolgt Daphne, de dochter van een Thessalische riviergod. Om hem te ontkomen roept zij de goden aan die haar veranderen in een laurierboom.

Ovidius, Metamorfosen II, 401 vv.
Nadat Jupiter de nimf Callisto verleid heeft en hun zoontje Arcas geboren is, verandert de jaloerse Juno Callisto in een berin. Zij weet het er zelfs op aan te leggen dat de jonge Arcas, op jacht, niets vermoedend op de berin - zijn moeder - mikt. Jupiter redt beiden echter en plaatst hen als sterrebeelden van de Grote en de Kleine Beer aan het firmament.

Ovidius, Metamorfosen VII, 661 vv.
Jaloezie teistert het echtpaar Cephalus en Procris. Als haar man argwaan tegen haar koestert, vlucht Procris naar Kreta, waar zij van de jachtgodin Artemis een werpspies krijgt waarmee men  zijn doel niet kan missen. Verzoend met haar man keert zij terug en geeft hem de spies. Op haar beurt jaloers volgt zij Cephalus wanneer hij op jacht is en bespiedt hem. Daarbij wordt zij getroffen door de altijd rakende werpspies.


Meleager en het Calydonische zwijn
(410 x 422 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Meleager en het Calydonische zwijn

De geschiedenis van Narcissus
(406 x 466 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, De geschiedenis van Narcissus

Mercurius, Herse en Aglaurus
(400 x 409 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, Mercurius, Herse en Aglaurus

Ovidius, Metamorfosen VIII, 260 vv.
Uit woede omdat de koning van de stad Calydon niet voldoende aan haar geofferd heeft, laat Artemis een monsterachtig everzwijn de akkers van de bewoners vernielen. Onder leiding van Meleager maakt men jacht op het dier. Hij doodt het en schenkt het als jachtbuit aan de jageres Atalanta. Velen worden daarop jaloers op hem, waaronder ook zijn moeders broers; Meleager doodt hen maar daarop zorgt zijn moeder dat hij zelf omkomt. Zijn rouwende zusters worden veranderd in parelhoenders.

Ovidius, Metamorfosen III, 339 vv.
De nimf Echo wordt verliefd op de beeldschone zoon van een riviergod, Narcissus. Deze versmaadt haar, waarop zij de wraakgodin Nemesis te hulp roept, die Narcissus voor straf wanhopig op zijn eigen spiegelbeeld in het water verliefd laat raken. Narcissus sterft en wordt door de goden veranderd in de naar hem genoemde bloem. Op het tapijt zijn de drie episoden afgebeeld: links Narcissus en Echo, rechts Narcissus bij een bron, op de voorgrond een narcis.

Ovidius, Metamorfosen II, 708 vv
De god Mercurius ontmoet de drie dochters van Cecrops: Aglaurus, Herse en Pandrosus, die op weg zijn om een offer te brengen. Hij wordt verliefd op Herse, maar haar zuster Aglaurus misgunt haar de liefde van de god en probeert deze te dwarsbomen. Daarop wordt zij veranderd in een steen.


De ontvoering van Europa
(412 x 347 cm)
Nijmeegse Metamorfosentapijten, de ontvoering van Europa



Ovidius, Metamorfosen  II, 833 vv
Verliefd geworden op de Fenicische prinses Europa neemt Jupiter de gedaante aan van een stier. De prinses en haar vriendinnen, die aan de kust wandelen, tooien het dier met bloemslingers, totdat de stier Europa plotseling meesleept en over zee ontvoert naar het eiland Kreta.

Foto's: Stichting Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem

Zoals vermeld, gaat de geschiedenis terug tot het Nijmeegse vredescongres en wel - om precies te zijn - tot het jaar 1677. In de maand januari van dat jaar zochten Hieronimus van Beverningk, Willem Adriaan van Nassau Odijk en Willem van Haren, ambassadeurs van de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Provinciën bij het vredescongres een gemeenschappelijke vergaderruimte, die aanvaardbaar was voor alle gezanten der geallieerde landen. Zij lieten daartoe een welgevallig oog rusten op 'een vertrek van 't klein Raad-huis, 't geen nevens het grote staat en een doorgang in 't zelve heeft. 't Is daar, dat de Gedeputeerden van Gelderland van 't quartier van Nijmegen hun gewoonlijke vergaderingen houden" (2).
Voor kenners van de geschiedenis van het Stadhuis is het zonneklaar, dat de schrijver van deze woorden doelde op de zalen, gemaakt van de voormalige refter en keuken van het in 1591 geseculariseerde Dominicanenklooster, die in dat jaar bij het Stadhuis gevoegd waren en die in 1659 ter beschikking waren gestald van de gedeputeerden van Gelderland voor hun vergaderingen in Nijmegen (3). En om alle twijfels weg te nemen vinden wij in een brief van de Staatse ambassadeurs aan hun principalen over deze kwestie het volgende:
"… daer op sijn wij heden agt dagen gesamentlijk geweest ter kameren van de heren Gedeputeerden van 't quartier van Nijmegen, sijnde twe vertrekken bij der aerden nevens malkanderen van eene grote ende distantie ende die haren toegang hebben door de porte cochere van de straet benevens het stadhuys" (4).
Wij vernemen terloops, dat het ging om twee zalen. Dit is van belang, omdat hier mogelijk een verklaring gegeven wordt voor de huidige aanwezigheid van juist twee onderscheiden series tapijten. Met de 'porte cochere' is in de zojuist aangehaalde tekst niets anders bedoeld dan de grote overwelfde koetspoort, welke nog altijd leidt van de Burchtstraat naar de binnenplaats en die bekend staat als de Gedeputeerdenpoort.
Waarom de Nederlandse gezanten zochten naar een zo neutraal mogelijke vergaderruimte lezen we bij St. Disdier:
"… d'Ambassadeurs van Holland hadden krachtige redenen gehad om een publieke plaats tot conferentien te verkiezen, als wel weetende, dat men daer met meer vrijheid zouden konnen handelen als bij de Keyzerschen, die zich daer meester van wilden maaken …"(5).
Kennelijk stuurden de keizerlijke ambassadeurs het er dus op aan om de gemeenschappelijke vergaderingen in hun residentie te houden en daar hadden de overige verbondenen allerlei bezwaren tegen. Dit verklaart het zoeken naar een ruimte, die zo neutraal was, dat zij door alle partijen zonder wantrouwen gebruikt kon worden. De keuze veroorzaakte een geweldig gekrakeel, daar met name de Fransen vreesden, dat "in een neutraale en aan alle d'ambassadeurs even gemeene stad d'eenen sich geen publike plaats toeëygenen konden tot prejuditie der anderen zonder die neutraliteit daarvan te violeren …"(6).
De zaak kon in der minne geschikt worden door aan de Fransen op hun beurt een kamer aan te bieden in "t groot-Raadhuis' (het 'voorhuis' dus) voor hun bijeenkomsten met de Zweden.
Op 25 januari spraken de gezanten der Staten-Generaal met enige Gedeputeerden van het kwartier van Nijmegen over het gebruik van de beide Gedeputeerdenkamers. Bij dit gesprek werd laatstgenoemden verzocht om de vertrekken op eigen kosten van behangsels en van leunstoelen te voorzien (7). Wellicht werd op dat moment de sfeer van deze voormalige keuken en refter nog bepaald door koele witte muren, die hun kloosterlijke herkomst verraadden. Men achtte, hoe het ook zij, de beide kamers blijkbaar niet representatief genoeg voor de verwende ogen van al die hoge vertegenwoordigers uit vreemde landen. Bij het verzoek ging men er kennelijk van uit, dat de eigenlijke gebruikers van de kamers maar moesten opdraaien voor de kosten.
Wij zien de kwestie weer opduiken in de Raad van de stad Nijmegen, en wel op 26 januari 1677. Geconstateerd werd toen - ongetwijfeld met veel misnoegen - dat Hunne Excellenties (i.c. de Staatse Ambassadeurs) van mening waren, dat "de nodige oncosten om de voorsz. camers bequam (= bekwaam, geschikt) te maken tot de voorsz. conferentien behoorden te werden gedaen door dese stad … " (8).
Blijkbaar hadden de Gedeputeerden kans gezien om de Zwarte Piet van de kosten door te spelen naar de stad Nijmegen. Het is niet gemakkelijk om de gedachtengang hierbij precies na te gaan. Vermoedelijk zal de overweging geweest zijn, dat de stad Nijmegen, als eigenaresse van de zalen (de Gedeputeerden hadden slechts het recht van gebruik) maar in een en ander dienden te voorzien. Rond de stedelijke vergadertafel zullen toen wel vele wenkbrauwen gefronst zijn, want wat van de magistraat werd verlangd, was niet mis. De aanschaf van tapijten was immers een peperdure aangelegenheid, die alleen de zeer rijken zich konden veroorloven. Men besloot toen om een kleine deputatie af te vaardigen naar de Nederlandse ambassadeurs teneinde hen tot andere gedachten te brengen. De ongetwijfeld welgekozen bewoordingen bleken echter aan dovemansoren besteed, want reeds één dag later constateerde de raad met spijt, dat 'Haere Exellentien waren gebleven bij het gevoelen, dat 't selve bij de stadt behoorde becosticht te worden … ' (9).
Ten einde raad besloot men de heer Van Heuckelom, achtenswaardig lid van de Nijmeegse magistraat en op dat moment afgevaardigde van het Nijmeegs Kwartier bij de Staten-Generaal te 's-Gravenhage, in te schakelen. Met zijn hulp wilde men zien te bereiken, dat de aanschaf van de tapijten als een zaak werd aangemerkt, die de Generaliteit (dus de zeven gewesten gezamenlijk) aanging (10). In dat geval zouden de kosten bestreden kunnen worden uit de gemene middelen (uit de gemeenschappelijke 'pot' dus), waarin de souvereine gewesten in vaste verhoudingen bijdroegen.
De heer Van Heuckelom liet er geen gras over groeien, want reeds op 10 februari kwam de kwestie in de vergadering van de Staten-Generaal aan de orde. In de resolutien staat bij de betreffende passage in de marge: 'Gelderlant. 't Meubleren van de camers tot de vreedehandelingen te Nijmegen.'
De vergadering verzocht een aantal leden uit haar midden, die tezamen zoiets als een commissie voor buitenlandse zaken vormden en waarvan de heer Van Heuckelom zelf deel uitmaakte, om een advies in deze kwestie (11). De 'commissie' ging voortvarend te werk. De aanwezigheid van een lid van de Nijmeegse magistraat zal daaraan wel niet vreemd zijn geweest. Reeds enige dagen later besloten Hunne Hoog Mogenden op advies van Van Heuckelom c.s. om de behangsels inderdaad ten laste van 'uit den post van de defroyementen op de hoogh gemelte Provincie van Gelderlant gerepartieerd' (12).
Uit de post defroyementen (letterlijk: verteringen), behorende tot de eerder aangeduide generale middelen, werden o.a. de ontvangsten van buitenlandse gezanten betaald.
Door deze beslissing van de Staten-Generaal werd in de eerste plaats vastgesteld, dat de aankleding van de Gedeputeerden Kamers in het Nijmeegse Stadhuis een aangelegenheid was van de Generaliteit. (Het was immers in het belang van alle gewesten, dat er goed 'gedefroyeerd' werd). In de tweede plaats werd zo bepaald, dat de tapijten toch door het gewest Gelderland zouden worden betaald en dat dit zou geschieden uit het vaste gedeelte, dat dit gewest bijdroeg aan de post defroyementen. Met een omweg werd de provincie Gelderland dus in feite toch de betalende instantie. Hierdoor was echter bereikt, dat de kosten niet als een éxtra last op de Nijmeegse, Kwartierlijke of Gelderse bestuurderen werden geladen, maar werden opgenomen in de gewone stroom van uitgaven binnen het Gelderse aandeel aan de gemeenschappelijke pot. Een ingewikkelde beslissing als deze was alleen maar mogelijk in het gecompliceerde bestuursapparaat ten tijde van de Republiek, waarbij niet de Staten-Generaal, maar de afzonderlijke gewesten in hoge mate souverein waren.
Uit het bovenstaande blijkt, dat het de Staten-Generaal om het even bleef of de tapijten nu gehuurd of gekocht werden.
Vervolgens werd nog besloten om de Gelderse Gedeputeerden te verzoeken de maten van de kamers 'herwaerts', dus naar 's-Gravenhage, over te zenden (13). Waarvoor de Staten-Generaal de maten nodig hadden, blijkt nergens uit. Vermoedelijk zijn de tapijten hoewel dus op indirecte wijze betaald door Gelderland, aangekocht namens de Staten-Generaal. De zaak lijkt voor deze hiermede te zijn afgedaan, want in verdere resoluties vinden wij er geen melding meer van gemaakt.


De Aeneastapijten (klik op afbeelding voor een wat groter beeld)
Aeneas ontmoet zijn moeder Venus
(410 x 278 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Aeneas ontmoet zijn moeder Venus
De bouw van Carthago
(406 x 550 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. De bouw van Carthago
Het offer van Dido aan Juno
(415 x 488 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Het offer van Dido aan Juno
Aeneas en Dido vluchten voor het onweer
(410 x 420 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Aeneas en Dido vluchten voor het onweer
Mercurius herinnert Aeneas aan zijn verplichting naar Italië te reizen
(404 x 358 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Mercurius en Aeneas
Afscheid van Dido en Aeneas
(420 x 400 cm)
Nijmeegse Aeneastapijten. Afscheid van Dido en Aeneas
Foto's: Stichting Werkplaats tot Herstel van Antieke Textiel, Haarlem

Wij kunnen de draad weer opnemen op 5 mei van hetzelfde jaar, toen in de vergadering van het Kwartier van Nijmegen mededeling werd gedaan van de beslissing van de Staten-Generaal. Tevens werd toen een brief voorgelezen van de zijde van burgemeester Van Heuckelom, nog steeds afgevaardigde bij de Generaliteit, waarbij deze adviseerde om de tapijten maar te kopen, daar men na één jaar huur anders ongeveer hetzelfde bedrag kwijt zou zijn. Tenslotte werden in diezelfde vergadering 'de gedeputeerden geauthoriseerd de voorsz. tapijten tot meesten dienst en mesnage van het kwartier te mogen doen incopen' (14).
Voor zover is na te gaan, schijnt de kwestie bij de nadere kwartieren van het gewest niet aan de orde geweest te zijn. Het is mogelijk, dat de kwartieren stilzwijgend (?) hebben ingestemd met het generaliteits-besluit en dat de Gedeputeerden van het Nijmeegs Kwartier zijn opgetreden als uitvoerders van dat besluit. In het eerder vermelde Gelderse aandeel in de post defroyementen droegen de drie kwartieren op hun beurt ook weer in een vaste verhouding bij. Men zou zich in dit verband ook af kunnen vragen of de Staten van Gelderland de kosten niet hebben doorgeschoven naar het Kwartier van Nijmegen op dezelfde wijze als de Staten-Generaal het deden naar het gewest Gelderland. Onwaarschijnlijk lijkt dit zeker niet.

Na het congres werd het stil rond de tapijten. Aangenomen mag worden, dat zij na het vertrek van de laatste gezanten deel zijn blijven uitmaken van de vaste inrichting van de beide zalen. Genoemd werden zij niet meer, noch in de 18e noch in de 19e eeuw. Het is evenwel niet aannemelijk, dat de Gedeputeerden die, zoals uiteengezet is, als de eigenlijke betalers mogen worden aangemerkt, na 1679 of daaromtrent de tapijten zouden hebben laten afnemen. Zij zouden daarmee hun eigen vergaderruimten op niet geringe wijze onttakeld hebben.
Toen in de 'Franse tijd' - door liquidatie van het oude gecompliceerde bestuursapparaat van het gewest - de beide zalen hun functie verloren, stond het de stad als eigenaresse vrij aan deze een nieuwe bestemming te geven. Dit nu geschiedde definitief in 1838. In dat jaar was bepaald, dat het Kantongerecht - toen juist ingesteld - zou intrekken bij het gemeentebestuur (15) . Om dit mogelijk te maken moest er een inwendige verbouwing van het stadhuis plaats vinden, waarbij onder meer een aantal grotere ruimten in kleinere werden verdeeld. Temidden van al dat breken en timmeren vormden de beide zalen achter de Gedeputeerdenplaats een oase van rust. Wel werden er nieuwe raamkozijnen en schuiframen gemaakt (de oude waren geheel versleten), maar daar bleef het dan ook bij (16). Met nadruk werden toen de beide zalen ontzien, kennelijk vanwege de luister die zij uitstraalden (17).
Toen na de verbouwing de beschikbare ruimten opnieuw werden verdeeld, kregen de zalen een nieuwe, bij hun historisch aankleding passende, representatieve bestemming. De zaal waarin zich de Metamorfosentapijten bevonden werd kamer van Burgemeester en Wethouders, terwijl de andere - die met de Aeneastapijten - de bestemming kreeg van Raadszaal (na 1890 Trouwzaal). Men behield zo ook een mogelijkheid om vorsten en andere hoogwaardigheidsbekleders te ontvangen (18). Inderdaad zou drie jaar later Koning Willem II bij zijn officiële bezoek aan Nijmegen eenmaal de nacht in gepaste waardigheid in een der beide zalen doorbrengen (19).
Bij dit alles veronderstellen we voortdurend de aanwezigheid van de tapijten, hoewel zij, als aangegeven, nooit met name genoemd worden. Toch moet er een grote waardering voor geweest zijn . Het zo zorgvuldig ontzien van de beide zalen tijdens de zojuist vermelde verbouwing vormt er een aanwijzing voor. Doch deze stilzwijgende waardering gold de gobelins als behangsels en niet als afzonderlijke kunstwerken. Zij behoorden zo vanzelfsprekend tot het interieur, dat niemand ze als onderdeel van de inventaris noemde. Er was destijds ook weinig aanleiding om daar anders over te denken. De tapijten zaten namelijk border aan border op de muren gespijkerd en bogen, net als behang, mee met alle hoeken van die muren (20). Aan onderhoud werd niet veel geld uitgegeven. Hier en daar werd eens iets opnieuw vastgespijkerd en ook de lijmpot werd duchtig gehanteerd (21). Bij de aanleg van gasverlichting sloeg men de pijpen onbekommerd door de doeken heen (22).
Dat de gobelins, hangend in ruimten waar 's winters omvangrijke kachels stonden te branden, op den duur enorme stofnesten werden, laat zich gemakkelijk raden. De werksters, die in die dagen menig kunstwerk in het stadhuis belaagden, hadden daar zo hun eigen drastische opvattingen over en veegden, voor zover zij met hun armen reiken konden, de gobelins schoon met zoiets als een veger. Voorts kon eeuwenlang het zonlicht onbelemmerd op de kleuren inwerken (23).
In de jaren twintig van deze eeuw ging men, mede naar aanleiding van het feit dat de toenmalige gemeente-archivaris M.Daniëls de naam van de maker van de verdures had ontdekt, het belang van het Nijmeegse tapijtenbezit inzien (24). Dit resulteerde in een schoonmaak- en restauratiebeurt van de Metamorfosentapijten in 1923-1924 door de Kunstweefschool te 's-Gravenhage. In de loop van 1925 werd de bekleding weer op de muren aangebracht (25). Hamer en spijkers werden daarbij weer met grote vlijt gehanteerd. Een overtollig stuk werd gedeponeerd in een kist op zolder, een graf waarin een opruimen minnend voorgeslacht reeds vele restanten (i.c. van de verdures) had bijgezet (26). Enige ontbrekende randen werden tenslotte opgevuld met op linnen geschilderde nabootsingen en zo was iedereen weer tevreden (27).
Dat deze restauratie niet zo erg geslaagd mocht heten, bleek in 1939 toen alle tapijten in verband met oorlogsgevaar van de muren gehaald werden. Zij verkeerden - de zojuist gerestaureerde tapijten incluis - in een werkelijk deplorabele toestand (28). Een krenterig budget schijnt onder meer aan het niet slagen van de restauratie debet te zijn geweest. Voorts mag niet vergeten worden, dat de kennis omtrent het reinigen en herstellen van antiek textiel in de jaren twintig nog in de kinderschoenen had gestaan. In 1939 werd besloten tot een algehele en grondige restauratie onder de leiding van Dr. G. van Ysselsteyn. Zij is de eerste geweest, die aan het Nijmeegse tapijtenbezit serieuze aandacht heeft besteed (29).
Nadat alle lappen grondig gewassen waren, bleek eerst goed in welke slechte staat zij verkeerden. Toen kwam ook al het onheil aan het licht, dat vroegere herstellingen hadden teweeggebracht. 'Van slecht gelegde stoppen, als in soldatensokken, tot ruige bijschilderingen met de kwast, was alles aanwezig' (30). De restauratie nam jaren in beslag. De lange duur betekende in dubbele zin de redding van de tapijten, want daardoor ontsnapten zij aan oorlogsverwoesting. Gedurende de slag om Nijmegen in september 1994 ging het stadhuis immers - dank zij de activiteiten van een gefrustreerde Hitlerjeugd - in vlammen op. De tapijten zouden - indien aanwezig - vermoedelijk hetzelfde lot ondergaan hebben als bijvoorbeeld het schepengestoelte.
Bij de herbouw na de oorlog hield architect ir. J.G. Deur (31) vast aan de historisch gegroeide plattegrond. Daarom verrezen er op de plaats van de totaal verwoeste Kamer van Burgemeester en Wethouders en van de Trouwzaal twee zalen, die vanwege de kleur van het behang de aanduiding Gouden Kamers meekregen. In 1954 konden de tapijten hun plaatsen in de diverse zalen weer innemen. Bij de ophanging werd rekening gehouden met de inmiddels totaal gewijzigde kijk op de gobelins. Met grote nadruk werden zij vanaf toen als afzonderlijke kunstwerken benaderd. Daarom konden de beide series niet meer worden samengeperst in twee zalen (per serie één zaal). De Aeneas-serie kwam verspreid over de beide Gouden Kamers te hangen, de Metamorfosentapijten daarmee van hun historische plaats verdringend. Voor deze waren echter nieuwe plaatsen in gereedheid gebracht op de boven de Gouden Kamers gelegen verdieping.
Thans (september 1978) zij de tapijten opnieuw afgenomen en opgeborgen. Dit is geschied in verband met de afbraak van de secretarievleugel uit 1942 en de bouw van een nieuw stadhuis, waarin het historische stadhuis uit 1554 opgenomen wordt. In dit gebouw zullen de dertien Antwerpse tapijten een nieuwe opstelling krijgen (32).
H.G.M. de Heiden


Naar boven

Noten
1. G.T. van IJsselsteyn, Geschiedenis der Tapijtweverijen in de Noordelijke Nederlanden, Leiden 1936, p. 195-196, 285-286
2. De Heer de St. Disdier, geheimschrijver der Fransche Ambassade, Nijmeegsche Vreede-Handeling …., in het Nederduitsch gebracht, Amsterdam, 1680, p. 31
3. H.D.J. van Schevichaven, Het Stadhuis van Nijmegen, Nijmegen 1903, p. 60 en 89
4. Stukken tot het Verbael (van de Vredesonderhandelingen) nr. 187, Collectie Handschriften en Curiosa (H. en C.) nr. II, A - 1d, 8, Gemeente-Archief Nijmegen
5. St. Disdier, o.c., p. 32
6. idem, p. 32
7. Verbael (van de Vredesonderhandelingen), fol. 424-425, H. en C., II, A-1d, 5
8. Oud Archief Nijmegen (O.A.N.) nr. 113, fol. 155
9. idem, fol. 156
10. idem, fol. 156
11. Algemeen Rijksarchief (A.R.A.), Resolutien der Staten-Generaal, nr. 3295, fol. 95
12. idem, fol. 109
13. idem, fol. 109 vo
14. O.A.N. 3310 (niet gepagineerd)
15. Van Schevichaven, o.c., p. 12
16. Nieuw Archief Nijmegen (N.A.N.), 1814-1850, nr. 2108
17. Cfr. het besluit van de Raad der Gemeente d.d. 19.9.1838 (N.A.N. 0023-serie delen-, fol. 79-79 vo
18. idem, fol 79-79 vo
19. Cfr. onder meer J.W. en G. van Druijnen, Vervolg op Kronijk van Nijmegen, beginnende met het jaar 1841, H. en C. II, A - 1a, 3
20. Talloze foto's van het Stadhuis van Nijmegen vóór de verwoesting tonen dit aan.
21. G.T. van IJsselsteyn, Rapport aan B. en W. d.d. 15.11.1937 (documentatie met betrekking tot de tapijten; G.A.N.)
22. J.G. Deur, Rapport aan de burgemeester d.d. 11.5.1946 betreffende de restauratie van de wandtapijten uit het oude raadhuis te Nijmegen (documentatie wandtapijten; G.A.N.)
23. Deur, o.c.
24. Verslag der Commissie ter Verzekering eener goede bewaring van Gedenkstukken van Geschiedenis en Kunst te Nijmegen over het jaar 1921, Nijmegen, 1922, p. 8
25. Verslag der Commissie …. over het jaar 1925, Nijmegen 1926, p. 2
26. G.T. van IJsselsteyn, 'Over een serie wandtapijten in het bezit van de Gemeente Nijmegen', in: Kunsthistorische mededelingen van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, 's-Gravenhage 4 (1949) nr. 3-4, p. 48-51
27. Verslag der Commissie …. over het jaar 1925, Nijmegen 1926, p. 2
28. Deur, o.c.
29. Cfr. noot 1
30. Deur, o.c.
31. J.G. Deur, 'De Restauratie van het Stadhuis', in: Noviomagum Revivens, Nijmegen 1953
32. Dit artikel is een bewerking van mijn bijdrage in het aan de herdenking van de van Nijmegen gewijde nummer van het tijdschrift Numaga, jaargang 25, augustus 1978, p. 185-195: ''t Meubleren van de plaetse van de Vreedehandelingen'.
Naar boven
Commentaar? Suggesties? Vragen?
Mail ons: info@numaga.nl  
Laatst bijgewerkt:
05-09-2007