NUMAGA

Vereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving


Het project 'Stadsgeschiedenis van Nijmegen'

Publikatiegegevens Stadsgeschiedenis
Artikel Numaga-voorzitter  
Rede Numaga-voorzitter
De belegering van Nijmegen in het jaar 1473
Een elitair gezelschap te midden van roerige tijden
De Blauwe Steen
. Bestuur Stichting Stadsgeschiedenis
Redactieraad Stadsgeschiedenis
Postadres Stichting Stadsgeschiedenis
Voorwoord voorpublicatie

Stadsgeschiedenis Nijmegen deel 1

Stadsgeschiedenis Nijmegen deel 2

Stadsgeschiedenis Nijmegen deel 3

Nijmegen, Prehistorie en Oudheid

Nijmegen, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd

Nijmegen, Negentiende en Twintigste eeuw


Jan Brabers en Moenen. Foto Radboud MagazineDe Stichting Stadsgeschiedenis is opgericht in 1999 op initiatief van Numaga, met als doel het uitbrengen van een integrale stadsgeschiedenis van tweeduizend jaar Nijmegen. De Stichting Stadsgeschiedenis werkt daartoe samen met de gemeente Nijmegen, de faculteit Letteren van de KUN en de vereniging Numaga. Wat Jan Brabers, Numaga-voorzitter  1997-2004, daarover schreef en zei bij de oprichting van de Stichting kunt u hieronder nalezen.

En in september 2005 is het dan zover. De lang-verwachte Stadsgeschiedenis is klaar.
Nijmegen, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland
drie gebonden delen, rijk geïllustreerd, 1500 pagina's,
Deel 1: Prehistorie en Oudheid. Redactie: dr. W.J.H. Willemsen
Deel 2: Middeleeuwen. Redactie: dr. J.Kuys; Nieuwe Tijd. Redactie: prof.dr.J.Bots
Deel 3: Negentiende en Twintigste eeuw. Redactie: dr. J.Brabers
prijs  € 85,-
ISBN 90 6611 230 1, verschenen bij uitgeverij Inmerc, Wormer
Bestellingen: via de boekhandel.


Eind 2002 publiceerde de Stichting een Voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis met enkele bijdragen van medewerkers aan het geplande boek, die een indruk kunnen geven van wat nog komen gaat. Twee daarvan, inmiddels ook verschenen in De Gelderlander, zijn op deze pagina te lezen: een artikel van Jan Kuys over enkele zeer roerige weken in Nijmegens geschiedenis: De belegering van Nijmegen in het jaar 1473, en  een artikel van Maarten Hageman over het Nijmeegse stadsbestuur in de tweede helft van de zestiende eeuw: Een elitair gezelschap te midden van roerige tijden. Voor Engelstalige geïnteresseerden hier ook in het Engels te lezen.
En verder nog een verhaal van Jan Kuys over de Nijmeegse Blauwe Steen dat in de Stadsgeschiedenis te vinden is.Naar boven

De Blauwe Steen, plek voor ernst en luim
Jan Kuys

stadsverdeling van Nijmegen in kwartierenIn het wegdek van de Burchtstraat, op het kruispunt van Burchtstraat, Broerstraat en Grotestraat, ligt sinds onheugelijke tijden de Blauwe Steen. Op dit kruispunt grensden de oudste vier stadswijken aan elkaar: het Sint-Jansvierdel, het Sint-Antonisvierdel, het Broervierdel en het Onze-Lieve-Vrouwenvierdel. Deze indeling van het oudste gedeelte van de stad in kwartieren of vierdelen wordt in 1513 voor het eerst gemeld, maar is waarschijnlijk van oudere datum. Naar goed middeleeuws gebruik was de naamgeving ontleend aan de kerken, kloosters of kapellen in de vierdelen: respectievelijk de Commanderie van Sint-Jan, de Sint-Antoniskerk (een kapel bij het Sint-Antonisgasthuis), de Broerkerk en de O.L.V.-kapel aan de Pikkegas, die omstreeks 1420 werd gebouwd en na 1451 waarschijnlijk de kloosterkapel van het klooster op de Hessenberg werd. Naast deze vier oudste wijken onderscheidde men nog de Voorstad (het gedeelte buiten de eerste ommuring) en de Nieuwstad (aan de Waal ten oosten van het Valkhof). Deze administratieve indeling in wijken werd gebruikt voor fiscale en militaire doeleinden.

Het kruispunt van de Blauwe Steen was dus zeer centraal in de stad gelegen en kreeg waarschijnlijk daarom een rol toebedeeld in het rechtsleven van de stad. Dat kan weer verklaren waarom deze plek van stadswege werd gemarkeerd met een groot stuk harde natuursteen, zogenaamde 'blauwe' steen of 'Namense' steen. De oudste bekende vermelding van de Blauwe Steen staat in de stadsrekening over het jaar 1522. Daarin staat opgetekend dat twee arbeiders een dag aan de Blauwe Steen hebben gewerkt om daaraan een ring te bevestigen. De plek heeft zeker al langer als gerechtsplaats gediend, zoals blijkt uit een bepaling uit de 'Oude Brief' (stedelijke verordening) uit 1447, waar sprake is van het afhandelen van rechtszaken "aen den Cruys" op de Markt. Recht werd hier in de zestiende eeuw niet meer gesproken, maar wel vonden er nog bepaalde rechtsprocedures en tenuitvoerleggingen van vonnissen plaats.
De Blauwe Steen in de Nijmeegse BurchtstraatEen burger of ingezetene van de stad, die door de burgemeesters was gearresteerd op verdenking van een misdrijf, werd door dezen nog dezelfde dag officieel driemaal om de Blauwe Steen geleid. Hierbij konden burgers de verdachte 'verborgen', waardoor deze op borgtocht uit zijn hechtenis mocht worden ontslagen. De betreffende burger stelde zich ervoor borg dat de verdachte zich later weer bij het gerecht zou melden na hiertoe te zijn gedagvaard. De borg betaalde een borgsom en verbond zijn 'lijf en goed' tot zekerheid aan zijn borgstelling. Niet alle misdrijven gaven echter de mogelijkheid tot vrijlating op borgtocht. Voor zeer ernstige delicten zoals moord, doodslag, vergiftiging, brandstichting, hoogverraad en dergelijke kon geen vrijlating op borgtocht worden verkregen. Het leiden van arrestanten rond de Blauwe Steen was geen wettelijke verplichting. Op verzoek van de arrestant kon dit toch wel vernederende publieke ritueel achterwege blijven. De vrijlating op borgtocht in strafzaken is rond het midden van de achttiende eeuw in onbruik geraakt. Het ritueel van de rondleiding rond de Blauwe Steen bestond zeker nog in 1705, maar moet daarna uit het Nijmeegse rechtsleven zijn verdwenen.

Dat moet ook gegolden hebben voor het gebruik om bepaalde vonnissen op de Blauwe Steen ten uitvoer te leggen. De ring die in 1522 aan de steen werd bevestigd, diende waarschijnlijk om wetsovertreders vast te ketenen, wanneer zij hier bij wijze van schandstraf 'te pronk' werden gesteld. Nog in 1662 werd de ring door een metselaar opnieuw vastgezet, wat erop duidt dat de Blauwe Steen nog steeds in gebruik was als plek om delinquenten tijdelijk aan de ketting te leggen. Het kon er ook wreder aan toegaan op de Blauwe Steen. Zo werden hier in de zestiende eeuw delinquenten gegeseld, werd in 1532 van een (waarschijnlijk wegens meineed) veroordeelde een vinger afgehouwen en werden in 1545 bij een buidelsnijder zijn beide oren afgesneden. Symbolische terechtstellingen vonden hier ook plaats. Zo werden op de Blauwe Steen in 1531 en 1560 ketterse (lees: protestantse) boeken verbrand. De preekstoel die door een calvinistische predikant in de Sint-Janskerk was gebruikt, werd hier in 1566 gegeseld en verbrand door verontwaardigde inwoners die hem uit de kerk naar de Markt gesleept hadden.

Tot ver in de achttiende eeuw was het in de stad een gewoonte dat lijkstoeten de Grote Markt aandeden en dat de lijkkist om de Blauwe Steen werd gedragen. Schuldeisers van de overledene zouden het recht hebben de begrafenis te verhinderen, totdat de schuld was betaald, maar er zijn geen bewijzen dat dit recht in Nijmegen heeft bestaan of speciaal aan de Blauwe Steen was verbonden.
Het verschijnsel van de Nijmeegse Blauwe Steen als centrale plaats voor het uitvoeren van bepaalde rechtsprocedures is niet uniek. Ook de stad Leiden kende een Blauwe Steen en evenzo was er in Arnhem een steen met een ring die diende voor het te pronk stellen of geselen van delinquenten. De stad Hoorn kent een 'rode steen', die de plek aangeeft waar vroeger de doodvonnissen werden voltrokken.
Blauwe steen met agent, Burchtstraat NijmegenDe Blauwe Steen is steeds op zijn oorspronkelijke plaats blijven liggen, zij het dat verschillende exemplaren elkaar in de loop van de eeuwen hebben opgevolgd. Mogelijk is dat al gebeurd in 1522, maar zeker is dat de Blauwe Steen in 1647 door een nieuw exemplaar werd vervangen. Waarschijnlijk had hij teveel geleden onder het beulswerk of onder de vele paardenhoeven en karwielen die over hem heen waren gegaan. Want dat de steen ook toen al, net zoals nu, onderdeel van het straatplaveisel was, blijkt uit een raadsbesluit uit 1668, toen namelijk werd besloten om op de steen groeven aan te laten brengen, "om datter de peerden te zeer over vielen". Ook toen al was de stad blijkbaar beducht voor schadeclaims van weggebruikers. Over het latere leven van de Blauwe Steen is niet veel bekend in de historische literatuur. In het begin van de twintigste eeuw is hij op enigszins ongelukkig wijze tussen de tramrails terecht gekomen en lijkt hij omwille van een kaarsrecht verloop van de tramroute te zijn bijgesneden. Ook toen nog was hij een instrument der wet, zoals blijkt uit de foto waarop te zien is hoe een agent van politie zich op (de restanten van) de steen geposteerd heeft. De slechte toestand van de steen was in 1939 voor de Nijmeegsche Handelsvereeniging aanleiding om een nieuw exemplaar aan de gemeente aan te bieden.

In 1976 heeft carnavalsvereniging de Blauwe Schuit de steen geadopteerd, waarschijnlijk vanuit de misvatting dat de Blauwe Steen en de Blauwe Schuit meer met elkaar gemeen hebben dan het eerste deel van hun namen. Maar carnavalisten kun je het nu eenmaal niet aanrekenen dat ze maling hebben aan het onderscheid tussen feiten en verzinsels. Een prettige bijkomstigheid van deze misvatting was dat de vereniging in 1976 een nieuwe Blauwe Steen aanbood ter vervanging van het exemplaar uit 1939, waarvan in 1975 was vastgesteld dat hij versleten was. De steen werd aangeboden, aldus de voorzitter van de Blauwe Schuit, omdat zowel zijn vereniging als de Blauwe Steen er zijn voor het handhaven van tradities. Tevens sprak hij de wens uit dat de nieuwe steen geen steen des aanstoots zou zijn en dat hij een aanzet zou zijn voor het herstel van de oude stad. Op de dinsdag van carnaval werd de steen op zijn plaats gelegd in aanwezigheid van een grote schare Blauwe Schuiters, het college van B en W en een aantal raadsleden. Onder de steen werd een metalen koker gedeponeerd met daarin een oorkonde, foto's en boeken van de Blauwe Schuit. Burgemeester De Graaf kondigde aan dat de gemeente voortaan elk jaar op de laatste carnavalsdag om 11.11 uur op de Blauwe Steen een vat bier zou laten aanslaan door Prins Carnaval en de voorzitter van de Blauwe Schuit. Dit ter leniging van de dorst van passanten, die wel zelf een bierglas moeten meebrengen.

Dat men op de Blauwe Steen niet slechts te schande kan worden gezet maar ook gehuldigd, blijkt uit de sinds 1984 bestaande gewoonte van de Vereniging van Binnenstad Ondernemers (VBO). Jaarlijks reikt zij in de laatste week van het jaar op de Blauwe Steen het zogenaamde 'blauwe steentje' uit aan een persoon die zich in dat jaar voor de stad Nijmegen buitengewoon verdienstelijk heeft gemaakt.

(Voorpublicatie uit: Nijmegen, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland)


De belegering van Nijmegen in het jaar 1473
Jan Kuys

Een stad bedreigd
Sinds 1465 was het hertogdom Gelre verscheurd door de strijd tussen hertog Arnold (1410-1473) en zijn zoon Adolf (1439-1477). Steden en ridderschap kozen partij voor Adolf en de oude hertog voelde zich gedwongen om steun te zoeken bij de machtige hertog van Bourgondië, die deze gelegenheid gaarne aangreep om zijn groeiende invloed in de Nederlanden ook in het hertogdom Gelre te doen gelden.
Vader en zoon waren zo van elkaar vervreemd geraakt dat Arnold in 1472, toen hij zijn levenseinde voelde naderen, zijn hertogdom in pand gaf aan Karel de Stoute, hertog van Bourgondië. De Gelderse steden en ridderschap erkenden deze verpanding niet en weigerden na Arnolds overlijden in februari 1473 om Karel de Stoute als hertog van Gelre te erkennen. Zij wensten daarentegen Adolf als hun landsheer in te huldigen, maar deze was sinds 1471 de persoonlijke gevangene van hertog Karel de Stoute, die hem om begrijpelijke redenen in verzekerde bewaring hield. Voor Karel de Stoute zat er inmiddels niets anders op dan het hertogdom Gelre met geweld in bezit te nemen. Op 10 juni 1473 verliet hij met zijn leger Maastricht en trok noordwaarts om het weerspannige Gelre aan zich te onderwerpen. Belangrijke Gelderse steden zoals Roermond, Venlo, Geldern, Straelen en Goch onderwierpen zich al snel aan de Bourgondische overweldiger. De grootste en machtigste stad van het hertogdom was Nijmegen, de stad die zich in de voorgaande jaren als de lastigste opponent van hertog Arnold en als de felste tegenstander van Bourgondisch inmenging in de Gelderse zaken had ontpopt. Onderwerping van Nijmegen betekende daarom de feitelijke onderwerping van het hele hertogdom. Het was te verwachten dat Nijmegen zich niet zonder slag of stoot aan de hertog van Bourgondië zou onderwerpen. Onder anderen de Nijmeegse kroniekschrijver Willem van Berchen († 1481) heeft ons een verslag nagelaten van de beslissende fase in de Bourgondische verovering van Gelre: de belegering van Nijmegen in juli 1473.

Belegering van een middeleeuwse stadEen stad in de verdediging
(Afbeelding: anonieme houtsnede, ca. 1500, klik op het plaatje om een grotere afbeelding te zien)
De trotse Nijmegenaren, zo schrijft Willem van Berchen, besloten de invasie te weerstaan en bij het naderen van de Bourgondiërs begonnen ze hun stad in staat van verdediging te brengen. Gebouwen en andere obstakels die aan de buitenzijde van de stad voor de muren stonden, werden zonder pardon verwijderd om te voorkomen dat de vijand zich daarin zou kunnen verschansen. Zo werd bijvoorbeeld het franciscaner klooster Dal van Josaphat afgebroken en moesten de dakloos geworden paters een nieuw onderkomen binnen de muren zoeken. In het Rijkswoud werden grote hoeveelheden bomen gekapt, omdat men het hout nodig had voor het versterken van de muren en poorten. Kort voor het begin van de belegering maakte het stadsbestuur bekend dat degenen die dat wilden, de stad konden verlaten. Men vond dat personen van wie geen bijdrage aan de verdediging van de stad mocht worden verwacht, haar maar beter konden verlaten, temeer omdat de stedelijke bestuurders vreesden dat deze inwoners een demoraliserende invloed op de verdedigers zouden kunnen uitoefenen. Daarbij ging het om vrouwen, kinderen, geestelijken, nonnen, bejaarden en zieken. Inderdaad verlieten velen met hun gezin de stad. Volgens Van Berchen zou de stad de belegering goed kunnen doorstaan met haar muren en diepe brede grachten aan de drie landzijden van de stad. De leiding van de verdediging werd in handen gelegd van Reinier van Broeckhuysen, een Gelderse nationalist, die bekend stond als aanhanger van hertog Adolf en tegenstander van Bourgondische inmenging in de Gelderse politiek. Inmiddels had het Bourgondische leger op 28 juni Mook bereikt. Van daaruit ging het verder richting Nijmegen en werd op 30 juni bij huize Dukenburg een groot legerkamp ingericht. Vanaf deze plek zou Karel de Stoute leiding geven aan de belegering van Nijmegen. Maar dat niet alleen, want het normale regeringswerk ging hier ook door. In zijn tijdelijke Dukenburgse residentie ontving de hertog de ambassadeurs van onder andere de Heilige Stoel, Venetië en Hongarije. Karels bondgenoot hertog Johan I van Kleef, bijgestaan door zijn broer Adolf van Ravenstein, sloeg zijn tenten op in Lent, zodat Nijmegen aan de Waalzijde geheel geblokkeerd was. Op 3 juli was Nijmegen aan de landzijde door Bourgondische troepen omsingeld en was de belegering een feit. Van Berchen vermeldt dat er 'ten gebruike van het leger' driehonderd vrouwen aanwezig waren, die elk dagelijks een stuiver uitbetaald kregen. Het laat zich raden, waartoe deze dames in het legerkamp verbleven en hun daggeld ontvingen.

Nijmegen onder vuur
De Kleefse en Bourgondische troepen begonnen na het insluiten van de stad met hun bombardementen en bestookten de stad dag en nacht met allerlei soorten projectielen. De Bourgondische hertog beschikte over een keurkorps van 500 Engelse boogschutters, dat hem door zijn bondgenoot en zwager koning Edward IV van Engeland ter beschikking was gesteld. Op 9 juli slaagden dezen erin om de Nieuwstadpoort te beklimmen en in te nemen. Deze thans verdwenen poort stond aan de Waaloever ter hoogte van de huidige Voerweg. De Engelsen hadden hun vaandels al op de toren gezet en de verdedigers verkeerden eerst in verwarring, zo schrijft Van Berchen, maar ze herstelden zich. Onder aanvoering van heer Gijsbert van Wisch, en vertrouwend op God en hun stadspatroon Sint Steven, gingen ze als brullende leeuwen in de tegenaanval en bestookten ze de Engelsen met brandende takkenbossen die doordrenkt waren met pek en fosfor, met ongebluste kalk en met andere projectielen die door de Nijmeegse vrouwen waren gemaakt. De Engelse commandant en zes van zijn mannen werd door de Nijmegenaren de keel afgesneden. De overige aanvallers moesten de bezetting van de stadspoort opgeven en verschillenden van hen overleden ten gevolge van de opgelopen verwondingen. Aan Nijmeegse zijde waren slechts drie doden gevallen. Door de succesvolle Nijmeegse verdediging ontstond in het Bourgondische kamp het gerucht dat er wel 9000 militairen in de belegerde stad zaten, een onwaarschijnlijk hoog aantal wanneer men bedenkt dat de Nijmeegse burgerbevolking toentertijd ongeveer 10.000 zielen groot was. Hoe het ook zij, de Bourgondische troepen ondernamen daarna geen nieuwe pogingen om de muren en poorten te bestormen, maar beperkten zich ertoe om de Hezelpoort en de Molenpoort met de tussenliggende muur met onophoudelijke bombardementen te ondermijnen. Vanaf de overzijde van de Waal voerden de Kleefse troepen ondertussen een bombardement uit op de Kraanpoort. De Molenpoort met zijn twee torens dreigde te bezwijken onder de druk van de voortdurende beschietingen. Om te voorkomen dat hij naar de veldzijde zou omvallen en het puin de grachten zou vullen, trokken de Nijmegenaren met dikke touwen de bouwvallig geworden poort stadinwaarts. Zo kon erger voorkomen worden. Van Berchen roemt de Nijmeegse mannen en vrouwen die hun stad dag en nacht verdedigden, dood en verderf zaaiden onder de belegeraars en hun oren niet lieten hangen naar oproepen van Bourgondische en Kleefse zijde om de strijd te staken.

Karel van Egmond in NijmegenOm de vechtlust van de verdedigers te versterken, zo wil het verhaal, werd Karel het vijfjarige zoontje van hertog Adolf in de strijd geworpen. Hij bevond zich samen met zijn negenjarige zus Philippa in de Valkhofburcht. Volgens Van Berchen hadden de belegeraars om die reden opdracht gekregen om de burcht niet te beschieten. Karel de Stoute was namelijk hun oom en er was hem daarom veel aan gelegen om de kinderen ongedeerd in handen krijgen. De Nijmeegse bevelhebber Reinier van Broeckhuysen liet nu voor de kleine Karel een harnas maken en zette hem vervolgens voorzien van schietboog en pijlenkoker op een paard. Aldus werd hij in de hitte van de strijd langs de muren gereden en "de ijver der belegerden werd door het gezigt van hunnen aanstaanden vorst zoodanig aangevuurd, dat zij den vijand met groot verlies terug dreven", zo lezen we bij de bekende Gelderse historicus I.A. Nijhoff (1795-1863). (Afbeelding: Lithografie van C.L. van Kesteren, 1854. Collectie Museum Het Valkhof, klik op het plaatje om een grotere afbeelding te zien)

Blootsvoets, blootshoofds en op hun knieën
Het Nijmeegse moreel werd echter aangetast door het uitblijven van hulp van de andere Gelderse steden. Tot hun ontzetting moesten de belegerden vanaf de stadsmuren toekijken hoe schippers uit Tiel en Zaltbommel de belegeraars bevoorraadden. Bovendien bleef de toegezegde hulp uit Arnhem en Zutphen uit. Daarom besloten de Nijmegenaren ten langen leste hun verzet te staken en verzochten zij hertog Johan van Kleef om bij Karel de Stoute voor hen te bemiddelen. Hertog Johan begaf zich daarop op 18 juli naar Karel de Stoute in zijn legerkamp bij de Dukenburg. Twee dagen later werd een vredesovereenkomst gesloten en onderwierp Nijmegen zich aan de hertog van Bourgondië. Wel moesten de Nijmegenaren en de inwoners van het kwartier van Nijmegen in drie jaar tijd gezamenlijk een schadevergoeding van 80.000 gulden aan Karel de Stoute betalen, een gigantisch bedrag in die dagen. Als teken van formele overgave en onderwerping van de stad moesten de veertig aanzienlijkste personen van de stad zich aan een vernederend ritueel onderwerpen. Blootsvoets, blootshoofds en op hun knieën moesten zij zich begeven naar de tent van hun overwinnaar, die daar op zijn troon gezeten was, om hem namens de stad hun onderworpenheid en aanhankelijkheid te betuigen. Tevens moesten de verdedigers hun wapens en projectielen inleveren. Alle kogels die door de belegeraars op de stad waren afgeschoten, moesten door de Nijmegenaren verzameld worden. Op 22 juli trok Karel 's middags de stad binnen en liet zich, gezeten aan een balkonraam van herberg De Adelaar aan de Grote Markt, door de toegestroomde Nijmegenaren inhuldigen. Kort daarop nam hij zijn intrek in de burcht, die ongeschonden uit de beschietingen was gekomen. Karel ontfermde zich daar over zijn neefje Karel en nichtje Philippa. Ze zouden korte tijd later naar Artois worden gebracht, om daar zoals Van Berchen schrijft, hun moedertaal en vaderland te vergeten. Van hen zou alleen Karel zijn vaderland terugzien, zij het pas in 1492, toen hij als hertog van Gelre werd ingehuldigd.
Het verslagen Nijmegen werd door zijn overwinnaar betrekkelijk genadig behandeld. De vestingwerken werden niet geslecht, de bezittingen van de burgers werden niet geconfisqueerd en de stad werd niet geplunderd. Karel de Stoute was zo onder de indruk van de militaire capaciteiten van de Nijmeegse commandant Reinier van Broeckhuysen, dat hij hem een belangrijke functie in zijn leger gaf. Reinier moet zijn anti-Bourgondische sentimenten terzijde hebben geschoven, want hij accepteerde de functie. Onder de belegeraars was een groot aantal doden en gewonden gevallen. Een aantal van de gesneuvelden werd, op Kleefs grondgebied, in of bij de kerk van Kranenburg begraven. In de kerk aldaar bevindt zich nog een grafplaat van een Bourgondische stalknecht, die op 25 juli 1473 overleden is, waarschijnlijk aan de gevolgen van verwondingen die hij bij de belegering van Nijmegen had opgelopen. Verder is uit schriftelijke bron bekend dat er nog meer belegeraars in de Kranenburgse kerk begraven zijn geweest, maar hun graven zijn verdwenen. Over aantallen doden en gewonden aan Nijmeegse zijde is niet veel bekend, buiten de drie doden die vielen bij de bestorming van de Nieuwstadpoort.

Een straatnaam als enige herinnering
Op 28 juli vertrok Karel de Stoute naar Griethausen om daar de Rijn over te steken en vervolgens de noordelijke delen van het hertogdom Gelre te onderwerpen. Nadat het machtige Nijmegen gevallen was, durfden de nog niet bezette Gelderse steden zich echter niet meer tegen Karel de Stoute te verzetten en kon deze zijn verovering van Gelre spoedig afronden. Aan de Bourgondische bezetting van Gelre kwam een voorlopig einde, toen Karel in januari 1477 bij Nancy sneuvelde en de weinig geliefde Bourgondische ambtenaren uit vrees voor hun leven hals over kop het hertogdom verlieten. De trotse en eigenzinnige rijksstad Nijmegen zou al spoedig weer de eerste viool in het hertogdom Gelre spelen. Met uitzondering van een straatnaam herinnert thans in de stad niets meer aan de drie angstige weken die haar burgers in 1473 doormaakten. In het centrum bewaart de Van Broeckhuysenstraat sinds het einde van de 19e eeuw de herinnering aan de onverschrokken commandant die leiding gaf aan het heldhaftige Nijmeegse verzet tegen de Bourgondische overweldigers. Hoeveel Nijmegenaren zouden zich daarvan bewust zijn, wanneer zij door de Van Broeckhuysenstraat lopen of rijden?

Uit: J. Kuys (eindredactie), Een voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis, sponsorbrochure van de Stichting Stadsgeschiedenis NijmegenNaar boven


Het Nijmeegse stadsbestuur in de tweede helft van de zestiende eeuw: Een elitair gezelschap te midden van roerige tijden
Maarten Hageman

Er vinden momenteel volop discussies plaats over het onderwerp politieke en bestuurlijke vernieuwing. Het debat wordt gevoerd in kringen van het openbaar bestuur, binnen politieke partijen, op universiteiten en hogescholen, in 'de media' en op bruiloften en partijen. In deze discussies valt te beluisteren dat 'Den Haag' het contact met de burgers zou hebben verloren. Men verwijt politici onder meer een verwerpelijke regentenmentaliteit en achterkamertjesgedrag. De aan het 'pluche gekleefde' carrièrebestuurders zouden vooral zichzelf vertegenwoordigen, ten koste van de noodzakelijke doorstroming van nieuwe ideeën en jong talent. En het resultaat van dit alles, zo weet de vaderlandse goegemeente, is grote onvrede onder de burgers. De mensen voelen zich niet betrokken bij het abstracte publieke debat over een multiculturele, zorgzame, dan wel rechtvaardige samenleving, maar blijven zitten met hun concrete vragen over veiligheid, gezondheid, mobiliteit, wonen en werk. Iets van deze discussie is al veel eerder op gang gekomen, maar dan speciaal over het lokaal bestuur. De lage opkomst bij gemeentelijke verkiezingen hebben de beleidsmakers onder die vermaledijde 'Haagse kaasstolp' al geruime tijd geleden aan het denken gezet. Na jarenlange discussies, waaraan zo'n beetje de hele bestuurlijke en bestuurskundige polder heeft deel kunnen nemen, werd deze ingrijpende operatie op 7 maart 2002 voorlopig afgerond, toen de Wet Dualisering Gemeentebestuur in werking trad. Dankzij deze zogeheten 'dualisering' moet het lokale politieke debat op den duur weer herkenbaar worden. De wet wil dat bereiken door de werkzaamheden van de gemeenteraad en van het College van Burgemeester en Wethouders uit elkaar te halen. Wethouders zijn geen lid meer van de Raad en tezamen met de burgemeester richten zij zich vooral op het besturen van de gemeente. De Raad zal zich op eigen hoofdtaken gaan concentreren: het vertegenwoordigen van maatschappelijke groeperingen, het stellen van kaders en de controle op het bestuurswerk. Het 'primaat in de politieke arena' komt te liggen bij de Raad, als brandpunt van de lokale democratie, die weer levendig en sprankelend moet worden. In deze discussies duiken steeds weer enkele kernbegrippen op: de betrokkenheid van de burgers, 'de gevestigde politieke orde', de doorstroming van nieuwe mensen, de vertegenwoordigende functie van de politiek, de openheid en de controle van de politiek en, op lokaal niveau, het benoemen, of juist kiezen van de burgemeester. Het zijn allemaal stuk voor stuk heel actuele zaken. Maar misschien zijn deze thema's minder tijdgebonden dan het lijkt. Een uitstapje naar een nog betrekkelijk onbekend hoofdstuk uit de bestuurlijke geschiedenis van de stad Nijmegen kan dat verduidelijken.

Nijmegen vanaf Lent, 16e eeuwNijmegen in de tweede helft van de 16e eeuw
(Afbeelding: uit de atlas van G. Braun en F. Hogenberg, Keulen, 1595, Museum Het Valkhof. Klik op het plaatje om een grotere afbeelding te zien.)
Ons reisdoel betreft de tweede helft van de zestiende eeuw, misschien wel de meest dramatische periode uit de geschiedenis van Nijmegen. Tijdens deze jaren werd de stad Nijmegen indringend geconfronteerd met drastische politiek-staatkundige, sociaal-economische en godsdienstige veranderingen.

In 1543 nam Karel V bezit van het hertogdom Gelre. Op dat moment was de 'Vrije Rijksstad' Nijmegen nog het trotse en eigenzinnige centrum van dit onafhankelijke vorstendom. Nijmegen genoot in Gelre een uitzonderlijke autonome positie, dankzij zijn politieke en economische macht, privileges en voorrechten. Maar nog geen vijftig jaar later was het gedaan met deze Nijmeegse onafhankelijkheid. Na de verovering door graaf Maurits (1591) raakte de stad het recht kwijt zelf haar bestuurs- en rechtscolleges te kiezen. In diezelfde periode verloor Nijmegen zijn centrumpositie in de doorvoerhandel op Duitsland, de traditionele Nijmeegse bron van welvaart. Er zijn aanwijzingen dat vanaf 1550 hongersnood een min of meer dagelijks verschijnsel in de stad was. Tegelijkertijd kwamen nieuwe godsdienstige bewegingen op, eerst vooral binnen de bestaande katholieke kerk, maar vanaf de jaren zestig ook daarbuiten, radicaler dan voorheen en gericht op een nieuwe, eigen kerkelijke organisatie. Deze ontwikkelingen deden zich voor ten tijde van de zogeheten Tachtigjarige Oorlog. Inquisitie, de Contrareformatie, de Beeldenstorm en de Raad van Beroerten: het heeft allemaal zijn sporen achtergelaten in deze roerige periode van de Nijmeegse geschiedenis. In de stad vonden regelmatig politieke machtsgrepen plaats, waarbij stadsbestuurders tussentijds werden afgezet. Dat gebeurde in het jaar van de Beeldenstorm (1566), gedurende het onderzoek van de Raad van Beroerten (1567-1568), bij de toetreding tot de Unie van Utrecht (1579), enige jaren later toen de stad zich veiligheidshalve toch maar weer verzoende met koning Filips (1585) en, tenslotte, nadat graaf Maurits de stad definitief terugbracht bij de Verenigde Provinciën (1591).

Hoe was het stadsbestuur samengesteld?
Het stadsbestuur bestond in deze roerige periode uit burgemeesters, schepenen en raadsleden. Tezamen vormden zij de Raad van Nijmegen. De Raad telde 24 zetels: twaalf schepenen (onder wie de twee burgemeesters) en twaalf raadsleden. Natuurlijk was er in de zestiende eeuw geen sprake van algemene of van directe verkiezingen. Alleen de leden van de gilden (in de Nijmeegse bronnen 'ambten' genoemd) en broederschappen hadden enige zeggenschap over de samenstelling van de Raad, dat wil zeggen: hooguit 50% van de mannelijke bevolking. Wanneer er een vacature was, mochten de meesters van de ambten en broederschappen op de jaarlijkse Keurdag (2 januari) een tweetal kandidaten voordragen. De Raad koos daaruit zelf, bij meerderheid van stemmen, het nieuwe lid. Het lidmaatschap was voor het leven. De Nijmeegse Keurdag betekende hoofdzakelijk dat de zittende leden van de Raad de taken onderling voor dat jaar verdeelden: wie werd schepen en, nog belangrijker, welke twee raadsleden werden dat jaar burgemeester? De burgemeestersverkiezing verliep via een ingenieuze procedure, met een combinatie van kiezen en loten. Ieder raadslid werd op het moment van zijn benoeming door middel van het lot geplaatst in een groep. Van die groep bleef hij zijn hele verdere bestuurscarrière deel uitmaken. Er waren drie groepen ('derdedelen'). Op de jaarlijkse Keurdag verliet het derdedeel dat aan de beurt was de zaal; de achtergebleven raadsleden kozen daarop twee burgemeesters uit de vertrokken groep. Men kon dus maar hooguit eens in de drie jaar tot burgemeester worden gekozen. Dit systeem verhinderde dat de burgemeesterspositie langdurig en ononderbroken bij dezelfde personen kwam te liggen. In hun verkiezingsbezigheden werden de Nijmeegse bestuurders niet lastig gevallen door een hoger gezag: er was in de praktijk geen rol voor de landsheer (de hertog) of voor diens vertegenwoordigers. Het landsheerlijke gezag benoemde echter wel een tweetal overheidsfunctionarissen voor de rechtspraak binnen de stad Nijmegen en in haar omgeving: de richter en de burggraaf van Nijmegen. Maar sinds de vijftiende eeuw was het gebruik dat alleen Nijmeegse raadsleden tot richter en burggraaf werden benoemd. De Nijmeegse Raad verzorgde, modern uitgedrukt, zowel rechtspraak als regelgeving en bestuur (waaronder ook handhaving). Deze activiteiten lopen in de zestiende eeuw door elkaar. Maar binnen de Raad hielden de schepenen zich specifiek met rechtspraak bezig. Zij vormden een rechtbank, de schepenbank. De richter van Nijmegen was de voorzitter van de schepenbank. Aan het hoofd van het stadsbestuur stonden de beide burgemeesters. Zij waren ongetwijfeld de belangrijkste Nijmeegse bestuurders. De burgemeesters verzorgden het dagelijks bestuur. Zij verrichtten toezichthoudende taken op het gebied van lonen, prijzen, maten, gewichten, nieuwbouw, stadsreiniging etc. De oudste burgemeester trad op als voorzitter van de Raad. De Raad vergaderde in beginsel iedere woensdag, maar kwam ook wel tussentijds samen voor buitengewone bijeenkomsten. Op de agenda stonden zeer uiteenlopende onderwerpen, bijvoorbeeld prijzen van levensmiddelen, openbare orde en veiligheid, het onderhoud van openbare gebouwen en straten, toezicht op liefdadigheidsinstellingen en de benoeming van stedelijke functionarissen.

Hoe werd men lid van de Raad?
Om lid te kunnen worden van de Nijmeegse Raad diende men voornaam, vermogend en rechtschapen te zijn. In de praktijk bestond de Raad vermoedelijk vooral uit welgestelde kooplieden, schippers en meesters van de vier grote ambten (smeden, timmerlieden, snijders en schoenmakers). In de periode 1550-1600 was 47% van de raadsleden koopman of schipper; met name het hoge aantal wijnhandelaren valt op (16%). Bovendien treffen we veel adellijke personen in de Nijmeegse Raad aan, zoals de heren van respectievelijk Ubbergen, Gendt, Doornik en Ressen. Steeds komen we in de Raad de namen tegen van enkele, vooraanstaande Nijmeegse families, zoals Van Berrick, Van den Bergh, Biesman, Heteren, Kanis, Ridder, Ryswick, Spruit en Van Triest. Tussen deze families bestonden vaak ook nog onderlinge verwantschappen. Waarschijnlijk had het stadsbestuur derhalve een nogal besloten karakter. Toch wisten in de periode 1543-1591 ook nieuwe personen tot de Raad door te dringen. Het stadsbestuur benoemde op de jaarlijkse Keurdag in ongeveer de helft van de gevallen één of meer nieuwe raadsleden. Waren er dan zo weinig vacatures? Bestudering van de bezetting in de Raad brengt iets anders aan het licht. Er waren namelijk steeds volop lege zetels; de Raad blijkt permanent onderbezet te zijn geweest. Meestal waren slechts ongeveer 19 van de beschikbare 24 raadszetels formeel ingenomen. Feitelijk was de deelname aan het raadswerk nog geringer. De richter en burggraaf namen niet aan de werkzaamheden deel, verscheidene raadsleden lieten voortdurend verstek gaan vanwege hun hoge leeftijd en diverse niet in Nijmegen woonachtige leden namen maar zelden aan de bijeenkomsten deel. Binnen de Raad was dan ook vermoedelijk een soort kernbestuur actief, dat vooral bestond uit de burgemeesters en schepenen. De bestuurlijke basis was al met al zeer smal.

Betrokkenheid van de burgerij
Wat was de betrokkenheid van de burgerij bij het stadsbestuur? Waren er mogelijkheden voor, wat we vandaag de dag noemen, inspraak, medezeggenschap of zelfs participatie in het bestuurswerk? Sinds het begin van de vijftiende eeuw was deze betrokkenheid vanuit de stedelijke gemeenschap georganiseerd in het zogeheten Sinterclaesgilde, een samenwerkingsverband van alle meesters van ambten en broederschappen. Het Sinterclaesgilde telde ongeveer tweehonderd leden. Aan het hoofd stonden in de tweede helft van de zestiende eeuw acht meesters. Het Sinterclaesgilde was aanvankelijk vooral bedoeld voor de financiële controle op de Nijmeegse Raad. De Claesmeesters woonden echter op den duur de wekelijkse vergaderingen van de Raad bij en waren voor het stadsbestuur volwaardige gesprekspartners voor alle onderwerpen. De meesters kregen op het Stadhuis zelfs, wat wij tegenwoordig zouden noemen, vergaderfaciliteiten. Zij maakten verder deel uit van stedelijke deputaties, kregen invloed op de voordrachten voor nieuwe raadsleden en waren ook namens Nijmegen aanwezig op bijeenkomsten van de Gelderse Landdag, de voorloper van Provinciale Staten. Ongeveer 33% van de Claesmeesters wist zelf tot de Raad door te dringen. Zo groeiden de macht en de invloed van de Claesmeesters. De leiding van het Sinter Claesgilde ging in de loop van de zestiende eeuw min of meer deel uitmaken van de gevestigde politieke orde. Deze ontwikkeling ging vermoedelijk ten koste van de vertegenwoordigende en controlerende taken van het Sinterclaesgilde. De meesters van de ambten en broederschappen klaagden regelmatig over de bestuurlijke ontwikkelingen in de stad. Zij protesteerden tegen de onderbezetting van de Raad. De samensmelting van het Sinterclaesgilde met de Raad ging met name ten koste van de invloed van de ambten en broederschappen. Toch konden Raad en Claesmeesters niet geheel om de meesters van de ambten en broederschappen heen. Bij politiek-gevoelige kwesties raadpleegden zij deze meesters, die daarvoor speciaal op het Stadhuis bijeen werden geroepen. Aldus kreeg de bestuurlijke besluitvorming een sterker maatschappelijk draagvlak. In tijden van grote spanning en nood zocht het stadsbestuur rechtstreeks het overleg met de wijken in de stad. Dan riep men de zogeheten 32 gedeputeerden bijeen, afkomstig uit de belangrijkste stadsdelen. Dit lijkt op een wel heel moderne 'wijkgerichte aanpak', maar het stadsbestuur raadpleegde de 32 gedeputeerden vermoedelijk om vooral praktische redenen. De stedelijke militie was namelijk via deze wijken georganiseerd in zogeheten hopmanschappen. Juist in tijden van nood en spanning was de houding van de hopmanschappen van cruciaal belang voor de openbare orde en veiligheid in de stad. Om die reden werden de gedeputeerden bijvoorbeeld in 1566 bijeengeroepen, tijdens de onlusten rondom de Beeldenstorm.

Zoeken naar nieuwe bestuursvormen: een probleem van alle tijden
In hedendaagse begrippen mag de conclusie al met al luiden dat het Nijmeegse stadsbestuur in de tweede helft van de zestiende eeuw een nogal elitair, regentesk en besloten gezelschap was, met weinig doorstroming 'van onderen', terwijl de betrokkenheid vanuit de gemeenschap ernstig afnam doordat haar vertegenwoordigers, de meesters van het Sinterclaesgilde, deel gingen uitmaken van de gevestigde politieke orde. Leert deze geschiedenis ons iets nuttigs voor de huidige discussie over politieke en bestuurlijke vernieuwing? Hier is een waarschuwing op haar plaats. De geschiedenis mag dan gelden als 'leermeesteres van het leven', maar serieuze historici weten dat het verleden ons maar weinig eenduidige lessen biedt. Eenieder kan eruit leren, wat hij eruit wil leren. Zo kan men met enig recht beweren dat de stad Nijmegen ooit haar eigen burgemeesters koos via een evenwichtig systeem waarbij talentvolle bestuurders bij tourbeurt de kans kregen dit ambt uit te oefenen. Maar met evenveel recht kan worden gezegd dat het Nijmeegse stadsbestuur in die dagen stevig in handen was van een kleine, gesloten groep personen die elkaar de leuke baantjes toespeelden, en dat dit gesloten politieke systeem kon voortduren omdat er onvoldoende aandacht was voor de vertegenwoordigende rol van de Raad en omdat er geen hogere bestuurslaag was die deze oligarchie kon openbreken met een eigen benoemingsrecht. Van veel praktische waarde is onze historisch uitstapje dan ook niet, vrees ik. Bestuurders en beleidsadviseurs die zich willen prepareren op 'interactieve beleidsontwikkeling', 'buurtbarometers', wijkwethouders, 'verbeter- en kansenkaarten' en wat al niet meer, zullen in de geschiedenis van Nijmegen weinig concrete bouwstoffen aantreffen. En de bronnen zwijgen ook over almaar van domicilie wisselende burgemeesters die het contact met de afzonderlijke buurten willen onderhouden; al moeten we eraan toevoegen dat de Nijmeegse zestiende-eeuwse burgemeesters waarschijnlijk zo vermogend waren dat zij wellicht diverse onderkomens bezaten, in en en buiten de stad. Maar al leert de geschiedenis dan weinig, zij maakt wel duidelijk dat de grote bestuurlijke vragen van onze tijd niet helemaal uniek zijn. Ook in de zestiende eeuw liep de Nijmeegse gemeenschap te hoop tegen de gevestigde politiek. De toenmalige politieke machtswisselingen hielden maar zijdelings verband met de bekende strijd tussen 'Spaansgezind' of 'nationaalgezind', of tussen 'katholiek' en 'protestant', zoals de schoolboekjes en ook de plaatselijke historische literatuur ons willen laten geloven. Stadsbestuurders werden vooral ontslagen vanwege een breed gedragen onvrede over de zeggenschap binnen de stad. Uiteindelijk wist graaf Maurits in 1591 het Nijmeegse politieke systeem drastisch te reorganiseren. Deze ingreep van hogerhand tastte niet alleen het zelfbenoemingsrecht van de Nijmeegse bestuurlijke elite aan, maar maakte ook korte metten met de 'democratische' invloed van de ambten, broederschappen en het Sinterclaesgilde. Onze huidige bestuurders zijn dus gewaarschuwd. Dat waren ze al enige tijd, en als we ons niet vergissen is ook de Nijmeegse politiek reeds volop doende te zoeken naar nieuwe, open en herkenbare bestuursvormen. Daar heeft men gelukkig geen historici voor nodig.

Uit: J. Kuys (eindredactie), Een voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis, sponsorbrochure van de Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen


Dr. J. Brabers , Een Nijmeegse stadsgeschiedenis, De verwezenlijking van een lang gekoesterd plan.
(Nijmeegs Katern jrg. 13 nr. 4, december 1999, p. 57)

"Het doen samenstellen van een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire Geschiedenis van Nijmegen" – dat was de meest ambitieuze, toekomstige taak van Numaga, prof.dr.L.J.Rogier ca. 1950zo stelde prof. dr. L.J. Rogier in zijn toespraak bij de oprichting van de vereniging in 1954. De befaamde eerste voorzitter sprak van "de verwezenlijking van een lang gekoesterd plan", dat het bestuur niet terstond, maar "zodra het zich daartoe gerechtigd acht" ter hand zou moeten nemen. Pas in december 1996 bleek dat moment te zijn aangebroken, toen prof. dr. J. Bosmans, Rogiers verre opvolger, het belang van een nieuwe, integrale geschiedenis van Nijmegen opnieuw voor het voetlicht bracht. Bosmans’ initiatief toonde zich vruchtbaar: met medewerking van terzake kundigen begon het huidige bestuur voorbereidingen te treffen, een fase die onlangs, op 8 oktober 1999, werd afgerond met de ondertekening van een convenant tussen de gemeente Nijmegen, de Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen en Numaga.

Samengevat luidt het plan aldus: in 2004 zal een stadsgeschiedenis van Nijmegen verschijnen, bestaande uit twee delen van tezamen 1500, rijk geïllustreerde bladzijden. Verantwoordelijk voor de inhoud is een redactie die bestaat uit hooggekwalificeerde deskundigen: prof. dr. J.K. Haalebos (Oudheid), dr. J. Kuijs (Middeleeuwen), prof. dr. J. Bots (Ancien Régime), prof. dr. J. Bosmans (Negentiende Eeuw én Twintigste Eeuw), prof. dr. P. Klep (economische en sociale onderwerpen). Secretaris is mr. W. Meeuwissen; dr. J. Brabers treedt op als voorzitter. lino W. Niessen De belangrijkste mensen in het project evenwel zijn de 25 auteurs die een bijdrage leveren, erkende specialisten op hun terrein met een goede staat van dienst. Aan elk van de vijf tijdvakken is een kleine 300 bladzijden toebedeeld. Bij gevolg krijgt de recente geschiedenis relatief de meeste aandacht; zo wordt de Twintigste Eeuw in evenveel bladzijden beschreven als de duizendjarige Middeleeuwen. In elk hoofdstuk, lees tijdvak, komen telkens zes thema’s aan bod: de ruimte van de stad, de bevolking, de economie, de sociale zorg, cultuur en mentaliteit, bestuur en politiek. Om kort te gaan, we hebben niet van doen met een ‘traditionele’ stadsgeschiedenis, waarin belangrijke evenementen, grote figuren of historische data centraal staan, maar met een ‘moderne’ geschiedschrijving, waarin veeleer het leven van de ‘gewone Nijmegenaren’ en de ontwikkelingen van hun stad, bezien als een welhaast levend en gedurig veranderend organisme, worden beschreven. 

De organisatie van het project, de regeling van technische, financiële en juridische kwesties, ligt in de handen van de daartoe opgerichte ‘Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen’, waarvan het zeskoppige bestuur onder voorzitterschap staat van drs. P. Timmermans; drs. R. Wolf is secretaris. De Stichting treedt op als formele opdrachtgever aan de redactie. Tot haar taken behoort het beheer van de schatkist, die met ruim f 800.000,- is gevuld dankzij de gemeente Nijmegen en de Faculteit der Letteren van de KUN (inclusief de met gesloten beurzen geregelde personele dienstverlening bedragen de kosten van het project f 2.287.040,-). Uit deze ruif ontvangen de redactieleden en de auteurs een bescheiden vergoeding (het schrijven voor dit boek ware toch vooral te beschouwen als een erekwestie); het leeuwendeel echter is bestemd voor de bekostiging van een later aan te stellen projectmanager én voor drie jonge historici die onderzoek gaan verrichten ter opvulling van even zovele lacunes in de Nijmeegse geschiedschrijving, waarop zij hopen te promoveren. De vruchten van hun werk (over respectievelijk de terra sigillata, Nijmeegse beroeringen in de late zestiende eeuw, sociaal-economische geschiedenis van Nijmegen sinds 1930) zullen de inhoud van de beoogde stadsgeschiedenis belangrijk ten goede komen. Bijkomend voordeel is dat we drie proefschriften over de geschiedenis van Nijmegen tegemoet kunnen zien.

Bij de verschijning van het boek, in 2004, viert Numaga zijn tiende lustrum. Het zal dan precies 50 jaar geleden zijn dat Rogier zijn boven aangehaalde pleidooi hield. De auteurs is op het hart gedrukt de door Rogier genoemde kwaliteitskenmerken beide in het vizier te houden: de teksten dienen wetenschappelijk verantwoord, maar óók goed leesbaar te zijn, opdat het boek toegankelijk wordt voor een breed publiek, opdat het historische bewustzijn wordt vergroot, opdat Nijmegen trots wordt op zijn geschiedenis. Naar boven


Jan BrabersRede

bij de officiële start van het project Stadsgeschiedenis Nijmegen in het stadhuis van Nijmegen op vrijdag 8 oktober 1999 door de voorzitter van Numaga, dr. J.Brabers.

Dames en Heren,

Op vrijdagavond 21 mei 1954 had elders in dit gebouw, in de raadzaal om precies te zijn, een belangwekkende gebeurtenis plaats. Die avond namelijk werd Numaga, vereniging voor de geschiedbeoefening van Nijmegen en omgeving, formeel opgericht. In een indrukwekkende entourage, onder de goedkeurende blik van de toenmalige burgemeester Hustinx – die bij gelegenheid direct tot ere-voorzitter werd benoemd -, sprak Numaga’s eerste voorzitter, de legendarische professor L.J. Rogier, zijn openingsrede uit. Aan het einde van zijn toespraak, die handelde over het belang van de lokale Nijmeegse geschiedbeoefening en over de voorgeschiedenis van de oprichting van Numaga, somde Rogier de taken op die het bestuur zichzelf voor de toekomst had gesteld. De grootste taak bewaarde hij tot het laatst. Ik citeer: "Eindelijk zal het Bestuur, zodra het zich daartoe gerechtigd acht, de verwezenlijking van een lang gekoesterd plan ter hand nemen: het doen samenstellen van een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire "Geschiedenis van Nijmegen".

Het heeft erg lang geduurd vooraleer het bestuur zich daadwerkelijk gerechtigd achtte dit plan ter hand te nemen, dat logischerwijs almaar langer werd gekoesterd. Het was mijn voorganger professor Bosmans die op zaterdag 7 december 1996, opnieuw in dit gebouw, in een rede bij gelegenheid van de presentatie van het Jaarboek Numaga, uiteindelijk de koe bij de horens durfde te vatten. Teruggrijpend op de rede van Rogier zette hij de verschijning van ‘een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire "Geschiedenis van Nijmegen"’ voor het eerst echt op de agenda. Toen de heer R. Migo, die dag aanwezig in zijn hoedanigheid van loco-burgemeester, het plan direct omarmde, leek een tweede belangrijke stap gezet. Steun van de gemeente voor een dergelijk veelomvattend project was immers een conditio sine qua non. 

fragment peutinger kaart Nu zou het retorisch erg fraai zijn als ik kon zeggen dat de zaken sindsdien in een stroomversnelling zijn geraakt. Maar dat kan ik niet; immers, niets is minder waar. Anders gezegd, de geschiedenis van de Geschiedenis van Nijmegen is een hele geschiedenis geworden. Ik zal die geschiedenis hier niet geheel uit de doeken doen; daarvoor ontbreekt de tijd en daarvoor is zij vermoedelijk te saai. Maar enkele zaken wil ik toch wel memoreren.
In de eerste plaats dien ik de hand in eigen boezem te steken. Als verschijningsjaar van de Geschiedenis van Nijmegen is steeds 2004 genoemd – ik kom daarop later nog terug. 2004 klinkt nog ver weg. Enerzijds is een lange voorbereiding gunstig, want er moet veel werk worden verzet, anderzijds zorgt zo’n ver weg gelegen datum voor het uitblijven van spanning, met als kwalijk gevolg dat de voorbereidingscommissie die begin 1997 naar aanleiding van Bosmans rede onder mijn leiding is gevormd, sommige zaken tamelijk gemakkelijk op de lange baan placht te schuiven. Het dagelijks werk kreeg bij de leden van de voorbereidingscommissie, merendeels hoogleraren en medewerkers van de Nijmeegse universiteit, uiteraard voorrang. Bovendien bezaten zij overvolle agenda’s, waardoor het moeilijk was goedbezochte vergaderingen te houden.

Het eerste wat de voorbereidingscommissie te doen stond was het formuleren van een plan de campagne: een eerste opzet van het boek, uitwerking van de gedachte om enkele lacunes in de Nijmeegse historiografie op te vullen met behulp van promotie-onderzoeken, een begroting van het project en een argumentatie voor het belang van het boek. Daarmee zou bij de meest voor de hand liggende financiers, gemeente en universiteit, aangeklopt kunnen worden. Onze argumentatie luidde als volgt: "Gelet op de bestaande grote publieke interesse in de Nijmeegse geschiedenis, blijkend uit onder meer de omvang van de ledenbestanden van Numaga en de Valkhof Vereniging, de belangstelling voor activiteiten van het Museum Kam, de Commanderie van St. Jan, de Stratemakerstoren, Nijmegen Blijft in Beeld, en het succes van de Nijmeegse serie "Ach lieve tijd", mag worden verondersteld dat een wetenschappelijk verantwoorde, doch goed leesbare en toegankelijke, mooi uitgegeven en rijk van illustraties voorziene stadsgeschiedenis onder de Nijmeegse bevolking gretig aftrek zal vinden en ongetwijfeld ook nieuwe belangstelling voor de lokale geschiedenis zal creëren. Zo’n stadsgeschiedenis zal het historische bewustzijn van de bevolking vergroten en bijdragen tot haar sociale cohesie. Ze zal de bevolking inzicht geven in de eigen identiteit. Ze zal een stimulerende werking hebben op de actieve cultuurparticipatie van de Nijmegenaren. Ze zal inzicht geven in de structurele historische ontwikkeling van de stad en daarmee onmisbaar zijn voor de toekomstige planologie, wil die verantwoord zijn en rekening houden met cultuur-historische waarden. Ze zal kunnen dienen als informatiebron en oriëntatiebaken voor personen in beleidsfuncties, nu en in de toekomst. Ze zal, last but not least, een instrument zonder weerga zijn om de uitstraling van Nijmegen te vergroten." Einde citaat. U hoort het, om mooie woorden zaten wij niet verlegen. 

lino W. Niessen Met dit ijzersterke pleidooi gingen we de boer op. Eerst naar de gemeente. Eenvoudig was het niet. Nijmegen was toen nog een arme stad. En het ging om een aanzienlijk bedrag, zo’n zes ton, afgezien nog van de Chinese guldens. Deze term, Chinese guldens, afkomstig van prof Hans Bots, was indertijd ook nieuw voor mij, en slaat op geld waarvoor weliswaar een prestatie wordt geleverd, maar dat niet echt wordt uitbetaald.

Het College van B&W, in welk gremium wij in de zomer van 1997 twee keer in audiëntie werden ontvangen, gaf van zijn warme belangstelling voor het project blijk, maar liet ook doorschemeren dat er op dat moment geen gelden voor beschikbaar waren, behalve dan Chinese guldens. Zo werd voor allerlei onderzoek ten behoeve van het project het equivalent van de diensten van twee medewerkers van het Gemeentearchief ter beschikking gesteld. Een geste overigens, die niet hoog genoeg gewaardeerd kon en kan worden. In de gemeenteraad, waar wij ook verschenen, werd door menig vertegenwoordiger van politieke partijen op soortgelijke wijze als door het College van B&W gereageerd. Sommigen echter waren resoluut afwijzend. Ik herinner me een politicus – ik zal zijn naam en partij met de mantel der liefde bedekken – die in een reactie op ons argument dat een fraaie stadsgeschiedenis een instrument zonder weerga is om de uitstraling van Nijmegen te vergroten, opmerkte dat als het daar om te doen was Nijmegen veel beter een vliegveld kon aanleggen. Zelf was ik met stomheid geslagen door zoveel onbegrip van uitgerekend een lid van de raadscommissie voor Cultuur. De eveneens aanwezige Jac Bosmans, mijn partner in crime, had nog de tegenwoordigheid van geest te repliceren dat wij niet voor een vliegveld maar voor een boek kwamen pleiten.

Van de Faculteit der Letteren, onze andere kandidaat-financier, werd het bericht ontvangen dat zij heus bereid was een substantieel deel van de kosten voor haar rekening te nemen, onder de voorwaarde evenwel dat de gemeente voor het overige garant wilde staan. Met dat bericht konden we weer terug naar de gemeente. Om een lang verhaal kort te maken: het is allemaal goed gekomen. Mede dankzij de creatieve inzet van de gemeentearchivaris Willem Meeuwissen wist het College van B&W toch de benodigde middelen te traceren waarna het ons in januari van vorig jaar een toezegging deed. Bij dezen wil ik het College daarvoor, nogmaals, hartelijke dankzeggen. 

Maar daarmee waren we er natuurlijk nog lang niet. Om het hele complex van technische, financiële, juridische en allerlei andere problemen behorend bij de uitvoering van het project te regelen diende een stichting te worden opgericht, die tevens zou optreden als formele opdrachtgever aan een door haar te benoemen redactie. Ook de oprichting van die stichting had de nodige voeten in de aarde. De beoogde voorzitter en secretaris, respectievelijk de heer Timmermans en de heer Wolf, en ikzelf vonden notaris Rieter, van wie wij wisten dat hij een bijzonder zwak koestert voor zijn stad en haar geschiedenis, spoedig bereid de statuten op te maken. Omdat alle in de ontwerp-statuten genoemde partijen, Numaga, de universiteit, de Faculteit Letteren, de gemeente, minstens hun fiat aan de statuten moesten geven, ging er echter heel wat water door de Waal vooraleer de statuten daadwerkelijk konden passeren. Notaris Rieter heeft minstens vijf versies gemaakt. Ook hem wil ik bij dezen nogmaals bedanken voor zijn hartelijke medewerking. Sneu was overigens dat op het moment suprème, toen de statuten op 5 maart van dit jaar des middags om 5 uur ten kantore van Rieter formeel moesten passeren, diezelfde Rieter, komende uit Arnhem, in een file voor de Waalbrug stond, waardoor wij genoodzaakt waren de akte te laten passeren bij een zijner collega’s. Met de uitnodiging vandaag aanwezig te zijn hopen wij bij notaris Rieter weer iets goed te kunnen maken.

In de intussen benoemde redactie zijn de portefeuilles vanzelfsprekend naar deskundigheid verdeeld: prof. Jan Kees Haalebos draagt zorg voor de Oudheid, dr. Jan Kuijs voor Middeleeuwen, prof Hans Bots voor de Nieuwe Tijd, prof Jac Bosmans voor de 19 e en voor de 20 e eeuw, prof Paul Klep voor themata gelegen op het sociale en economische vlak. Mr. Willem Meeuwissen treedt op als secretaris en mijzelf is de eer van het voorzitterschap toegevallen. Vanaf het begin van dit jaar zette de redactie zich aan het ontwerpen van allerlei teksten: een redactiereglement, een auteurscontract vergezeld van ‘Richtlijnen voor de auteurs’, een tijdpad, notities over het honorarium van de auteurs, over de hoeveelheden bladzijden en woorden per bladzijde in de beoogde publicatie, enzovoorts. Dat alles is nu klaar. (N.B. De plaats van prof. Haalebos is inmiddels ingenomen door prof dr M. Erdrich en dr R. Polak; Willem Meeuwissen is opgevolgd door mw. C.C. van der Woude.)

In velerlei opzicht zijn de auteurs van het boek de belangrijkste mensen in het project. Het ideaal van de redactie was om per tijdvak 4 à 5 schrijvers aan te trekken, erkende specialisten op hun terrein met een goede staat van dienst. De zoektocht evenwel bracht sterk uiteenlopende problemen aan het licht. Voor de Oudheid bijvoorbeeld is er een overvloed aan potentiële auteurs (redacteur Haalebos noemde aanvankelijk zo’n 13 deskundigen om wie hij niet heen zou kunnen). Voor de Middeleeuwen signaleerde Kuys het omgekeerde probleem: aan de Nederlandse universiteiten heeft de bestudering van de Middeleeuwse institutionele geschiedenis, i.h.b. de stadsgeschiedenis, de afgelopen decennia een steeds minder prominente plaats gekregen. Zo ook aan de KU, waar sinds het vertrek van P. Leupen nauwelijks aandacht wordt besteed aan stadsgeschiedenis. Hoe nu een geschikte en bereidwillige auteur voor het thema bestuur en politiek op te sporen?

Maar ook die problemen zijn intussen opgelost. Hier en daar is nog een gaatje te vullen, maar voor het overgrote deel is het auteurscorps bekend en gereed; velen bevinden zich in deze zaal en ik wil hen graag hartelijk welkom heten. 

Ik zal proberen u een idee te geven van de inhoud van het boek.

We hebben niet van doen met een ‘traditionele’ stadsgeschiedenis. De redactie heeft geopteerd voor wat een ‘moderne’ aanpak zou kunnen worden genoemd. Niet zozeer belangrijke evenementen, grote figuren of historische data staan centraal, maar veeleer het leven van de "gewone Nijmegenaren" en de ontwikkelingen die de stad in ruimtelijk, sociaal-economisch en cultureel opzicht doormaakte.

Los van een openingshoofdstuk over de geologie van het terrein waarop de stad zich uitstrekt, wordt de geschiedenis verdeeld in vijf tijdvakken: Oudheid, Middeleeuwen, Ancien Régime, de Negentiende Eeuw en de Twintigste Eeuw. Per periode komen telkens, voorafgegaan door een algemene inleiding, vijf thema’s aan bod: de ruimtelijke orde, het bevolkingsverloop en het economisch wel en wee, de sociale voorzieningen, de stedelijke politiek en ten slotte de cultuur en de religie. Aldus ontstaat idealiter een ‘integrale’ stadsgeschiedenis. Er zal een boek verschijnen met nieuwe onderzoeksresultaten dankzij de moderne aanpak. In dat boek wordt de stad niet zomaar als een willekeurige plek waar van alles gebeurde behandeld, maar letterlijk als een stad, een welhaast levend en gedurig veranderend organisme in zijn eigen, specifieke habitat. Er dient als het ware een biografie van Nijmegen te verschijnen. 

De stadsgeschiedenis zal worden uitgegeven in twee delen, van tezamen 1500 bladzijden. De illustraties nemen naar schatting 35% van de ruimte in. Rekening houdend met de bijlagen, die ongeveer 100 bladzijden zullen innemen, zal elk tijdvak in 275 bladzijden worden behandeld.

Dames en heren, vandaag is een einde gekomen aan de voorbereidende werkzaamheden. We kunnen vanaf nu echt beginnen. De redactie prijst zich gelukkig voortaan, in plaats van over reglementen en financiën, te kunnen discussiëren over inhoudelijke kwesties, over een nauwkeuriger periodisering, over een nauwkeuriger afbakening van de thema’s.

Ik heb u reeds verteld dat de redactie een tijdpad heeft gemaakt. Veruit het belangrijkste tijdstip dat daarop wordt vermeld is mei 2004. Want in die maand zal het grote werk dienen te verschijnen. Oorspronkelijk was de keuze voor het jaar 2004 gestoeld op de gedachte dat Nijmegen dan precies 1900 jaar bestond. In het jaar 104 kreeg Nijmegen zijn naam, Ulpia Noviomagus, alsook marktrechten van de Romeinse keizer Trajanus, zo luidde een wijdverbreide mening. Kort geleden echter gooide uitgerekend een van onze redactieleden, prof. Haalebos, roet in het eten door te beweren dat Nijmegen niet in 104, doch eerder, waarschijnlijk in het jaar 98, door Trajanus met zijn nieuwe rechten werd begiftigd. Wij moeten respect hebben voor de nieuwe kennis die de gedurig voortschrijdende wetenschap oplevert; bovendien is het wel aardig dat Nijmegen aldus plotseling nog ouder is dan we altijd dachten. Maar dankzij Haalebos met redenen omklede stelling was tevens de symboliek van het jaar 2004 uitgehold. 

Althans zo lijkt het. Toch is dat niet helemaal het geval. Het zal immers in mei 2004 precies vijftig jaar geleden zijn dat Rogier zijn oproep de wereld in slingerde voor de totstandkoming van een stadsgeschiedenis van Nijmegen. Is dat niet ook een mooi moment, 50 jaar na dato, om de stadsgeschiedenis te doen verschijnen?

Zelf vind ik het een onvoorstelbaar grote eer om mijn steentje te kunnen bijdragen aan het uitkomen van de wens van de grote Rogier. Ik hoop en vertrouw erop dat ook u het een eer acht daaraan mee te werken. Ik ben ervan overtuigd dat als Rogier u hier allen bijeen zou zien, en dan doel ik werkelijk op u allen, bestuursleden van de Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen, redactieleden, auteurs, Numaga-vertegenwoordigers, universiteitsvertegenwoordigers, vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, en ook u burgemeester d’Hondt, verre opvolger van Hustinx, als Rogier u hier allen bijeen zag, zou hij instemmend knikken en u alle mogelijke dank betuigen en succes toewensen. Bij gebrek aan beter doe ik dat nu in zijn naam.
Dank voor uw aandacht. Naar boven

Bestuur Stichting Stadsgeschiedenis

drs. P.J.M. Timmermans (voorzitter)
mr. M.J.J. de Wit (secretaris)
J.H.M.M. Boekhorst (penningmeester)
prof. dr. P.H.D. Leupen
R.P.A. Migo
mw. drs. S.C.J. Stevens

Postadres Stichting Stadsgeschiedenis
Mr. M.J.J. de Wit
Postbus 1468
6501 BL Nijmegen

Redactieraad Stadsgeschiedenis

prof. dr. Hans Bots
dr. Jan Brabers
prof. dr. Paul Klep
dr.Jan Kuys
prof. dr. Willem Willems
drs. Corrie-Christine van der Woude


Uit het Voorwoord van Een voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis:
"De Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen is op initiatief van de historische vereniging Numaga opgericht, met als doel het uitbrengen van een boekwerk over de geschiedenis van de stad Nijmegen vanaf de Romeinse tijd tot en met de twintigste eeuw. In dat boek zal op basis van actuele wetenschappelijke inzichten tweeduizend jaar Nijmeegse geschiedenis voor een breed geïnteresseerd publiek toegankelijk worden gemaakt. 0m die reden zai veel aandacht worden besteed aan illustraties en zal het boek in ruime mate van kaartmateriaal worden voorzien. Van de Nijmeegse samenleving in de loop der eeuwen zal een zo compleet mogelijk beeld worden geschetst door aandacht te schenken aan politiek en bestuur, sociale verhoudingen, economie, cultuur in de ruimste betekenis van het woord, religie en wetenschap. De doorlopende tekst van de hoofdstukken zal worden gelardeerd met korte teksten over bijzondere onderwerpen. Voor de realisering van dit ambitieuze project heeft de Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen zich verzekerd van de medewerking van een groot aantal deskundige onderzoekers, redacteuren en auteurs, afkomstig van de Nijmeegse universiteit en andere universiteiten en van de gemeente Nijmegen (Het Archief en de afdeling Archeologie). De verschijning van het boek, in drie kloeke banden, is gepland in 2005, het jaar waarin Nijmegen zijn 1900-jarig bestaan als stad zal vieren. (Inmiddels zoals bekend,opgerekt tot 2000-jarig bestaan, webredactie.)

Zowel de gemeente als de faculteit Letteren van de Katholieke Universiteit heeft personele en financiële middelen beschikbaar gesteld voor de voorbereiding van de Nijmeegse Stadsgeschiedenis. De overgrote meerderheid van de redacteuren en auteurs werkt op basis van vrijwilligheid mee aan het project. Hun inspanningen moeten leiden tot de uitgave van het geplande boek. De stichting heeft inmiddels enkele uitgevers een offerte laten uitbrengen. 0m een zo groot mogelijk aantal Nijmegenaren kennis te laten maken met dit prachtboek is het wenselijk dat dit voor een aantrekkelijke winkelprijs kan worden aangeboden. De stichting wil daarom graag in contact komen met ondernemingen en organisaties die door verlening van financiële steun een bijdrage leveren aan de 'verkoopbaarheid' van de Nijmeegse Stadsgeschiedenis.

Daartoe laat zij bij wijze van Een Voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis dit boekje het licht zien. Enkele medewerkers aan het 'grote boek' zijn bereid gevonden tot het schrijven van een korte bijdrage, die een indruk kan geven van wat nog komen gaat. Het gaat om vijf auteurs, die elk schreven over een zelfgekozen onderwerp uit vijf verschillende periodes lopend van de Romeinse tijd tot en met de twintigste eeuw. Wij hopen uiteraard dat deze voorselectie de lezer van dit cahier naar meer smaakt en dat hij of zij er met ons van overtuigd raakt dat dit standaardwerk over de Nijmeegse geschiedenis een zo groot mogelijk publiek in de stad moet bereiken.
Nijmegen, november 2002
Drs. Piet Timmermans, voorzitter Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen
Dr. Jan Brabers, voorzitter redactiecommissie Nijmeegse Stadsgeschiedenis


Commentaar? Suggesties? Vragen?
Mail ons: Info@numaga.nl
Laatst bijgewerkt:
08-12-2006