Hoofdpagina |
NUMAGAVereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving Het project 'Stadsgeschiedenis van Nijmegen' |
|||||||||
| Publikatiegegevens
Stadsgeschiedenis Artikel Numaga-voorzitter Rede Numaga-voorzitter De belegering van Nijmegen in het jaar 1473 Een elitair gezelschap te midden van roerige tijden De Blauwe Steen |
. | Bestuur Stichting
Stadsgeschiedenis Redactieraad Stadsgeschiedenis Postadres Stichting Stadsgeschiedenis Voorwoord voorpublicatie |
||||||||
|
||||||||||
En in september 2005 is het dan zover. De lang-verwachte
Stadsgeschiedenis is klaar. |
||||||||||
| Eind 2002 publiceerde de Stichting een Voorschot
op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis met enkele bijdragen van medewerkers aan het
geplande boek, die een indruk kunnen geven van wat nog komen gaat. Twee daarvan, inmiddels
ook verschenen in De Gelderlander, zijn op deze pagina te lezen: een artikel van Jan Kuys
over enkele zeer roerige weken in Nijmegens geschiedenis: De
belegering van Nijmegen in het jaar 1473, en een artikel van Maarten
Hageman over het Nijmeegse stadsbestuur in de tweede helft van de zestiende eeuw: Een elitair gezelschap te midden van roerige tijden.
Voor Engelstalige geïnteresseerden hier ook in het
Engels te lezen. En verder nog een verhaal van Jan Kuys over de Nijmeegse Blauwe Steen dat in de Stadsgeschiedenis te vinden is. |
||||||||||
De Blauwe Steen, plek voor ernst en luim
Het kruispunt van de Blauwe Steen was dus zeer centraal in de stad gelegen en kreeg
waarschijnlijk daarom een rol toebedeeld in het rechtsleven van de stad. Dat kan weer
verklaren waarom deze plek van stadswege werd gemarkeerd met een groot stuk harde
natuursteen, zogenaamde 'blauwe' steen of 'Namense' steen. De oudste bekende vermelding
van de Blauwe Steen staat in de stadsrekening over het jaar 1522. Daarin staat opgetekend
dat twee arbeiders een dag aan de Blauwe Steen hebben gewerkt om daaraan een ring te
bevestigen. De plek heeft zeker al langer als gerechtsplaats gediend, zoals blijkt uit een
bepaling uit de 'Oude Brief' (stedelijke verordening) uit 1447, waar sprake is van het
afhandelen van rechtszaken "aen den Cruys" op de Markt. Recht werd hier in de
zestiende eeuw niet meer gesproken, maar wel vonden er nog bepaalde rechtsprocedures en
tenuitvoerleggingen van vonnissen plaats. Dat moet ook gegolden hebben voor het gebruik om bepaalde vonnissen op de Blauwe Steen ten uitvoer te leggen. De ring die in 1522 aan de steen werd bevestigd, diende waarschijnlijk om wetsovertreders vast te ketenen, wanneer zij hier bij wijze van schandstraf 'te pronk' werden gesteld. Nog in 1662 werd de ring door een metselaar opnieuw vastgezet, wat erop duidt dat de Blauwe Steen nog steeds in gebruik was als plek om delinquenten tijdelijk aan de ketting te leggen. Het kon er ook wreder aan toegaan op de Blauwe Steen. Zo werden hier in de zestiende eeuw delinquenten gegeseld, werd in 1532 van een (waarschijnlijk wegens meineed) veroordeelde een vinger afgehouwen en werden in 1545 bij een buidelsnijder zijn beide oren afgesneden. Symbolische terechtstellingen vonden hier ook plaats. Zo werden op de Blauwe Steen in 1531 en 1560 ketterse (lees: protestantse) boeken verbrand. De preekstoel die door een calvinistische predikant in de Sint-Janskerk was gebruikt, werd hier in 1566 gegeseld en verbrand door verontwaardigde inwoners die hem uit de kerk naar de Markt gesleept hadden. Tot ver in de achttiende eeuw was het in de stad een gewoonte dat lijkstoeten de Grote
Markt aandeden en dat de lijkkist om de Blauwe Steen werd gedragen. Schuldeisers van de
overledene zouden het recht hebben de begrafenis te verhinderen, totdat de schuld was
betaald, maar er zijn geen bewijzen dat dit recht in Nijmegen heeft bestaan of speciaal
aan de Blauwe Steen was verbonden. In 1976 heeft carnavalsvereniging de Blauwe Schuit de steen geadopteerd, waarschijnlijk vanuit de misvatting dat de Blauwe Steen en de Blauwe Schuit meer met elkaar gemeen hebben dan het eerste deel van hun namen. Maar carnavalisten kun je het nu eenmaal niet aanrekenen dat ze maling hebben aan het onderscheid tussen feiten en verzinsels. Een prettige bijkomstigheid van deze misvatting was dat de vereniging in 1976 een nieuwe Blauwe Steen aanbood ter vervanging van het exemplaar uit 1939, waarvan in 1975 was vastgesteld dat hij versleten was. De steen werd aangeboden, aldus de voorzitter van de Blauwe Schuit, omdat zowel zijn vereniging als de Blauwe Steen er zijn voor het handhaven van tradities. Tevens sprak hij de wens uit dat de nieuwe steen geen steen des aanstoots zou zijn en dat hij een aanzet zou zijn voor het herstel van de oude stad. Op de dinsdag van carnaval werd de steen op zijn plaats gelegd in aanwezigheid van een grote schare Blauwe Schuiters, het college van B en W en een aantal raadsleden. Onder de steen werd een metalen koker gedeponeerd met daarin een oorkonde, foto's en boeken van de Blauwe Schuit. Burgemeester De Graaf kondigde aan dat de gemeente voortaan elk jaar op de laatste carnavalsdag om 11.11 uur op de Blauwe Steen een vat bier zou laten aanslaan door Prins Carnaval en de voorzitter van de Blauwe Schuit. Dit ter leniging van de dorst van passanten, die wel zelf een bierglas moeten meebrengen. Dat men op de Blauwe Steen niet slechts te schande kan worden gezet maar ook gehuldigd, blijkt uit de sinds 1984 bestaande gewoonte van de Vereniging van Binnenstad Ondernemers (VBO). Jaarlijks reikt zij in de laatste week van het jaar op de Blauwe Steen het zogenaamde 'blauwe steentje' uit aan een persoon die zich in dat jaar voor de stad Nijmegen buitengewoon verdienstelijk heeft gemaakt. (Voorpublicatie uit: Nijmegen, Geschiedenis van de oudste stad van Nederland) De belegering van Nijmegen in het jaar 1473 Een stad bedreigd
Nijmegen onder vuur
Blootsvoets, blootshoofds en op hun knieën Een straatnaam als enige herinnering Uit: J. Kuys (eindredactie), Een voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis,
sponsorbrochure van de Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen Het Nijmeegse stadsbestuur in de tweede helft van de
zestiende eeuw: Een elitair gezelschap te midden van roerige tijden Er vinden momenteel volop discussies plaats over het onderwerp politieke en bestuurlijke vernieuwing. Het debat wordt gevoerd in kringen van het openbaar bestuur, binnen politieke partijen, op universiteiten en hogescholen, in 'de media' en op bruiloften en partijen. In deze discussies valt te beluisteren dat 'Den Haag' het contact met de burgers zou hebben verloren. Men verwijt politici onder meer een verwerpelijke regentenmentaliteit en achterkamertjesgedrag. De aan het 'pluche gekleefde' carrièrebestuurders zouden vooral zichzelf vertegenwoordigen, ten koste van de noodzakelijke doorstroming van nieuwe ideeën en jong talent. En het resultaat van dit alles, zo weet de vaderlandse goegemeente, is grote onvrede onder de burgers. De mensen voelen zich niet betrokken bij het abstracte publieke debat over een multiculturele, zorgzame, dan wel rechtvaardige samenleving, maar blijven zitten met hun concrete vragen over veiligheid, gezondheid, mobiliteit, wonen en werk. Iets van deze discussie is al veel eerder op gang gekomen, maar dan speciaal over het lokaal bestuur. De lage opkomst bij gemeentelijke verkiezingen hebben de beleidsmakers onder die vermaledijde 'Haagse kaasstolp' al geruime tijd geleden aan het denken gezet. Na jarenlange discussies, waaraan zo'n beetje de hele bestuurlijke en bestuurskundige polder heeft deel kunnen nemen, werd deze ingrijpende operatie op 7 maart 2002 voorlopig afgerond, toen de Wet Dualisering Gemeentebestuur in werking trad. Dankzij deze zogeheten 'dualisering' moet het lokale politieke debat op den duur weer herkenbaar worden. De wet wil dat bereiken door de werkzaamheden van de gemeenteraad en van het College van Burgemeester en Wethouders uit elkaar te halen. Wethouders zijn geen lid meer van de Raad en tezamen met de burgemeester richten zij zich vooral op het besturen van de gemeente. De Raad zal zich op eigen hoofdtaken gaan concentreren: het vertegenwoordigen van maatschappelijke groeperingen, het stellen van kaders en de controle op het bestuurswerk. Het 'primaat in de politieke arena' komt te liggen bij de Raad, als brandpunt van de lokale democratie, die weer levendig en sprankelend moet worden. In deze discussies duiken steeds weer enkele kernbegrippen op: de betrokkenheid van de burgers, 'de gevestigde politieke orde', de doorstroming van nieuwe mensen, de vertegenwoordigende functie van de politiek, de openheid en de controle van de politiek en, op lokaal niveau, het benoemen, of juist kiezen van de burgemeester. Het zijn allemaal stuk voor stuk heel actuele zaken. Maar misschien zijn deze thema's minder tijdgebonden dan het lijkt. Een uitstapje naar een nog betrekkelijk onbekend hoofdstuk uit de bestuurlijke geschiedenis van de stad Nijmegen kan dat verduidelijken.
In 1543 nam Karel V bezit van het hertogdom Gelre. Op dat moment was de 'Vrije Rijksstad' Nijmegen nog het trotse en eigenzinnige centrum van dit onafhankelijke vorstendom. Nijmegen genoot in Gelre een uitzonderlijke autonome positie, dankzij zijn politieke en economische macht, privileges en voorrechten. Maar nog geen vijftig jaar later was het gedaan met deze Nijmeegse onafhankelijkheid. Na de verovering door graaf Maurits (1591) raakte de stad het recht kwijt zelf haar bestuurs- en rechtscolleges te kiezen. In diezelfde periode verloor Nijmegen zijn centrumpositie in de doorvoerhandel op Duitsland, de traditionele Nijmeegse bron van welvaart. Er zijn aanwijzingen dat vanaf 1550 hongersnood een min of meer dagelijks verschijnsel in de stad was. Tegelijkertijd kwamen nieuwe godsdienstige bewegingen op, eerst vooral binnen de bestaande katholieke kerk, maar vanaf de jaren zestig ook daarbuiten, radicaler dan voorheen en gericht op een nieuwe, eigen kerkelijke organisatie. Deze ontwikkelingen deden zich voor ten tijde van de zogeheten Tachtigjarige Oorlog. Inquisitie, de Contrareformatie, de Beeldenstorm en de Raad van Beroerten: het heeft allemaal zijn sporen achtergelaten in deze roerige periode van de Nijmeegse geschiedenis. In de stad vonden regelmatig politieke machtsgrepen plaats, waarbij stadsbestuurders tussentijds werden afgezet. Dat gebeurde in het jaar van de Beeldenstorm (1566), gedurende het onderzoek van de Raad van Beroerten (1567-1568), bij de toetreding tot de Unie van Utrecht (1579), enige jaren later toen de stad zich veiligheidshalve toch maar weer verzoende met koning Filips (1585) en, tenslotte, nadat graaf Maurits de stad definitief terugbracht bij de Verenigde Provinciën (1591). Hoe was het stadsbestuur samengesteld? Hoe werd men lid van de Raad? Betrokkenheid van de burgerij Zoeken naar nieuwe bestuursvormen: een probleem van alle tijden Uit: J. Kuys (eindredactie), Een voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis, sponsorbrochure van de Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen Dr. J. Brabers , Een Nijmeegse
stadsgeschiedenis, De verwezenlijking van een lang gekoesterd plan. "Het doen samenstellen van een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin
populaire Geschiedenis van Nijmegen" dat was de meest ambitieuze, toekomstige
taak van Numaga, Samengevat luidt het plan aldus: in 2004 zal een stadsgeschiedenis van Nijmegen
verschijnen, bestaande uit twee delen van tezamen 1500, rijk geïllustreerde bladzijden.
Verantwoordelijk voor de inhoud is een redactie die bestaat uit hooggekwalificeerde
deskundigen: prof. dr. J.K. Haalebos (Oudheid), dr. J. Kuijs (Middeleeuwen), prof. dr. J.
Bots (Ancien Régime), prof. dr. J. Bosmans (Negentiende Eeuw én Twintigste Eeuw), prof.
dr. P. Klep (economische en sociale onderwerpen). Secretaris is mr. W. Meeuwissen; dr. J.
Brabers treedt op als voorzitter. De organisatie van het project, de regeling van technische, financiële en juridische kwesties, ligt in de handen van de daartoe opgerichte Stichting Stadsgeschiedenis Nijmegen, waarvan het zeskoppige bestuur onder voorzitterschap staat van drs. P. Timmermans; drs. R. Wolf is secretaris. De Stichting treedt op als formele opdrachtgever aan de redactie. Tot haar taken behoort het beheer van de schatkist, die met ruim f 800.000,- is gevuld dankzij de gemeente Nijmegen en de Faculteit der Letteren van de KUN (inclusief de met gesloten beurzen geregelde personele dienstverlening bedragen de kosten van het project f 2.287.040,-). Uit deze ruif ontvangen de redactieleden en de auteurs een bescheiden vergoeding (het schrijven voor dit boek ware toch vooral te beschouwen als een erekwestie); het leeuwendeel echter is bestemd voor de bekostiging van een later aan te stellen projectmanager én voor drie jonge historici die onderzoek gaan verrichten ter opvulling van even zovele lacunes in de Nijmeegse geschiedschrijving, waarop zij hopen te promoveren. De vruchten van hun werk (over respectievelijk de terra sigillata, Nijmeegse beroeringen in de late zestiende eeuw, sociaal-economische geschiedenis van Nijmegen sinds 1930) zullen de inhoud van de beoogde stadsgeschiedenis belangrijk ten goede komen. Bijkomend voordeel is dat we drie proefschriften over de geschiedenis van Nijmegen tegemoet kunnen zien. Bij de verschijning van het boek, in 2004, viert Numaga zijn tiende lustrum. Het zal
dan precies 50 jaar geleden zijn dat Rogier zijn boven aangehaalde pleidooi hield. De
auteurs is op het hart gedrukt de door Rogier genoemde kwaliteitskenmerken beide in het
vizier te houden: de teksten dienen wetenschappelijk verantwoord, maar óók goed leesbaar
te zijn, opdat het boek toegankelijk wordt voor een breed publiek, opdat het historische
bewustzijn wordt vergroot, opdat Nijmegen trots wordt op zijn geschiedenis. bij de officiële start van het project Stadsgeschiedenis Nijmegen in het stadhuis van Nijmegen op vrijdag 8 oktober 1999 door de voorzitter van Numaga, dr. J.Brabers. Dames en Heren, Op vrijdagavond 21 mei 1954 had elders in dit gebouw, in de raadzaal om precies te zijn, een belangwekkende gebeurtenis plaats. Die avond namelijk werd Numaga, vereniging voor de geschiedbeoefening van Nijmegen en omgeving, formeel opgericht. In een indrukwekkende entourage, onder de goedkeurende blik van de toenmalige burgemeester Hustinx die bij gelegenheid direct tot ere-voorzitter werd benoemd -, sprak Numagas eerste voorzitter, de legendarische professor L.J. Rogier, zijn openingsrede uit. Aan het einde van zijn toespraak, die handelde over het belang van de lokale Nijmeegse geschiedbeoefening en over de voorgeschiedenis van de oprichting van Numaga, somde Rogier de taken op die het bestuur zichzelf voor de toekomst had gesteld. De grootste taak bewaarde hij tot het laatst. Ik citeer: "Eindelijk zal het Bestuur, zodra het zich daartoe gerechtigd acht, de verwezenlijking van een lang gekoesterd plan ter hand nemen: het doen samenstellen van een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire "Geschiedenis van Nijmegen". Het heeft erg lang geduurd vooraleer het bestuur zich daadwerkelijk gerechtigd achtte dit plan ter hand te nemen, dat logischerwijs almaar langer werd gekoesterd. Het was mijn voorganger professor Bosmans die op zaterdag 7 december 1996, opnieuw in dit gebouw, in een rede bij gelegenheid van de presentatie van het Jaarboek Numaga, uiteindelijk de koe bij de horens durfde te vatten. Teruggrijpend op de rede van Rogier zette hij de verschijning van een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire "Geschiedenis van Nijmegen" voor het eerst echt op de agenda. Toen de heer R. Migo, die dag aanwezig in zijn hoedanigheid van loco-burgemeester, het plan direct omarmde, leek een tweede belangrijke stap gezet. Steun van de gemeente voor een dergelijk veelomvattend project was immers een conditio sine qua non.
Het eerste wat de voorbereidingscommissie te doen stond was het formuleren van een plan de campagne: een eerste opzet van het boek, uitwerking van de gedachte om enkele lacunes in de Nijmeegse historiografie op te vullen met behulp van promotie-onderzoeken, een begroting van het project en een argumentatie voor het belang van het boek. Daarmee zou bij de meest voor de hand liggende financiers, gemeente en universiteit, aangeklopt kunnen worden. Onze argumentatie luidde als volgt: "Gelet op de bestaande grote publieke interesse in de Nijmeegse geschiedenis, blijkend uit onder meer de omvang van de ledenbestanden van Numaga en de Valkhof Vereniging, de belangstelling voor activiteiten van het Museum Kam, de Commanderie van St. Jan, de Stratemakerstoren, Nijmegen Blijft in Beeld, en het succes van de Nijmeegse serie "Ach lieve tijd", mag worden verondersteld dat een wetenschappelijk verantwoorde, doch goed leesbare en toegankelijke, mooi uitgegeven en rijk van illustraties voorziene stadsgeschiedenis onder de Nijmeegse bevolking gretig aftrek zal vinden en ongetwijfeld ook nieuwe belangstelling voor de lokale geschiedenis zal creëren. Zon stadsgeschiedenis zal het historische bewustzijn van de bevolking vergroten en bijdragen tot haar sociale cohesie. Ze zal de bevolking inzicht geven in de eigen identiteit. Ze zal een stimulerende werking hebben op de actieve cultuurparticipatie van de Nijmegenaren. Ze zal inzicht geven in de structurele historische ontwikkeling van de stad en daarmee onmisbaar zijn voor de toekomstige planologie, wil die verantwoord zijn en rekening houden met cultuur-historische waarden. Ze zal kunnen dienen als informatiebron en oriëntatiebaken voor personen in beleidsfuncties, nu en in de toekomst. Ze zal, last but not least, een instrument zonder weerga zijn om de uitstraling van Nijmegen te vergroten." Einde citaat. U hoort het, om mooie woorden zaten wij niet verlegen.
Het College van B&W, in welk gremium wij in de zomer van 1997 twee keer in audiëntie werden ontvangen, gaf van zijn warme belangstelling voor het project blijk, maar liet ook doorschemeren dat er op dat moment geen gelden voor beschikbaar waren, behalve dan Chinese guldens. Zo werd voor allerlei onderzoek ten behoeve van het project het equivalent van de diensten van twee medewerkers van het Gemeentearchief ter beschikking gesteld. Een geste overigens, die niet hoog genoeg gewaardeerd kon en kan worden. In de gemeenteraad, waar wij ook verschenen, werd door menig vertegenwoordiger van politieke partijen op soortgelijke wijze als door het College van B&W gereageerd. Sommigen echter waren resoluut afwijzend. Ik herinner me een politicus ik zal zijn naam en partij met de mantel der liefde bedekken die in een reactie op ons argument dat een fraaie stadsgeschiedenis een instrument zonder weerga is om de uitstraling van Nijmegen te vergroten, opmerkte dat als het daar om te doen was Nijmegen veel beter een vliegveld kon aanleggen. Zelf was ik met stomheid geslagen door zoveel onbegrip van uitgerekend een lid van de raadscommissie voor Cultuur. De eveneens aanwezige Jac Bosmans, mijn partner in crime, had nog de tegenwoordigheid van geest te repliceren dat wij niet voor een vliegveld maar voor een boek kwamen pleiten. Van de Faculteit der Letteren, onze andere kandidaat-financier, werd het bericht ontvangen dat zij heus bereid was een substantieel deel van de kosten voor haar rekening te nemen, onder de voorwaarde evenwel dat de gemeente voor het overige garant wilde staan. Met dat bericht konden we weer terug naar de gemeente. Om een lang verhaal kort te maken: het is allemaal goed gekomen. Mede dankzij de creatieve inzet van de gemeentearchivaris Willem Meeuwissen wist het College van B&W toch de benodigde middelen te traceren waarna het ons in januari van vorig jaar een toezegging deed. Bij dezen wil ik het College daarvoor, nogmaals, hartelijke dankzeggen. Maar daarmee waren we er natuurlijk nog lang niet. Om het hele complex van technische, financiële, juridische en allerlei andere problemen behorend bij de uitvoering van het project te regelen diende een stichting te worden opgericht, die tevens zou optreden als formele opdrachtgever aan een door haar te benoemen redactie. Ook de oprichting van die stichting had de nodige voeten in de aarde. De beoogde voorzitter en secretaris, respectievelijk de heer Timmermans en de heer Wolf, en ikzelf vonden notaris Rieter, van wie wij wisten dat hij een bijzonder zwak koestert voor zijn stad en haar geschiedenis, spoedig bereid de statuten op te maken. Omdat alle in de ontwerp-statuten genoemde partijen, Numaga, de universiteit, de Faculteit Letteren, de gemeente, minstens hun fiat aan de statuten moesten geven, ging er echter heel wat water door de Waal vooraleer de statuten daadwerkelijk konden passeren. Notaris Rieter heeft minstens vijf versies gemaakt. Ook hem wil ik bij dezen nogmaals bedanken voor zijn hartelijke medewerking. Sneu was overigens dat op het moment suprème, toen de statuten op 5 maart van dit jaar des middags om 5 uur ten kantore van Rieter formeel moesten passeren, diezelfde Rieter, komende uit Arnhem, in een file voor de Waalbrug stond, waardoor wij genoodzaakt waren de akte te laten passeren bij een zijner collegas. Met de uitnodiging vandaag aanwezig te zijn hopen wij bij notaris Rieter weer iets goed te kunnen maken. In de intussen benoemde redactie zijn de portefeuilles vanzelfsprekend naar deskundigheid verdeeld: prof. Jan Kees Haalebos draagt zorg voor de Oudheid, dr. Jan Kuijs voor Middeleeuwen, prof Hans Bots voor de Nieuwe Tijd, prof Jac Bosmans voor de 19 e en voor de 20 e eeuw, prof Paul Klep voor themata gelegen op het sociale en economische vlak. Mr. Willem Meeuwissen treedt op als secretaris en mijzelf is de eer van het voorzitterschap toegevallen. Vanaf het begin van dit jaar zette de redactie zich aan het ontwerpen van allerlei teksten: een redactiereglement, een auteurscontract vergezeld van Richtlijnen voor de auteurs, een tijdpad, notities over het honorarium van de auteurs, over de hoeveelheden bladzijden en woorden per bladzijde in de beoogde publicatie, enzovoorts. Dat alles is nu klaar. (N.B. De plaats van prof. Haalebos is inmiddels ingenomen door prof dr M. Erdrich en dr R. Polak; Willem Meeuwissen is opgevolgd door mw. C.C. van der Woude.) In velerlei opzicht zijn de auteurs van het boek de belangrijkste mensen in het project. Het ideaal van de redactie was om per tijdvak 4 à 5 schrijvers aan te trekken, erkende specialisten op hun terrein met een goede staat van dienst. De zoektocht evenwel bracht sterk uiteenlopende problemen aan het licht. Voor de Oudheid bijvoorbeeld is er een overvloed aan potentiële auteurs (redacteur Haalebos noemde aanvankelijk zon 13 deskundigen om wie hij niet heen zou kunnen). Voor de Middeleeuwen signaleerde Kuys het omgekeerde probleem: aan de Nederlandse universiteiten heeft de bestudering van de Middeleeuwse institutionele geschiedenis, i.h.b. de stadsgeschiedenis, de afgelopen decennia een steeds minder prominente plaats gekregen. Zo ook aan de KU, waar sinds het vertrek van P. Leupen nauwelijks aandacht wordt besteed aan stadsgeschiedenis. Hoe nu een geschikte en bereidwillige auteur voor het thema bestuur en politiek op te sporen? Maar ook die problemen zijn intussen opgelost. Hier en daar is nog een gaatje te vullen, maar voor het overgrote deel is het auteurscorps bekend en gereed; velen bevinden zich in deze zaal en ik wil hen graag hartelijk welkom heten. Ik zal proberen u een idee te geven van de inhoud van het boek. We hebben niet van doen met een traditionele stadsgeschiedenis. De redactie heeft geopteerd voor wat een moderne aanpak zou kunnen worden genoemd. Niet zozeer belangrijke evenementen, grote figuren of historische data staan centraal, maar veeleer het leven van de "gewone Nijmegenaren" en de ontwikkelingen die de stad in ruimtelijk, sociaal-economisch en cultureel opzicht doormaakte. Los van een openingshoofdstuk over de geologie van het terrein waarop de stad zich uitstrekt, wordt de geschiedenis verdeeld in vijf tijdvakken: Oudheid, Middeleeuwen, Ancien Régime, de Negentiende Eeuw en de Twintigste Eeuw. Per periode komen telkens, voorafgegaan door een algemene inleiding, vijf themas aan bod: de ruimtelijke orde, het bevolkingsverloop en het economisch wel en wee, de sociale voorzieningen, de stedelijke politiek en ten slotte de cultuur en de religie. Aldus ontstaat idealiter een integrale stadsgeschiedenis. Er zal een boek verschijnen met nieuwe onderzoeksresultaten dankzij de moderne aanpak. In dat boek wordt de stad niet zomaar als een willekeurige plek waar van alles gebeurde behandeld, maar letterlijk als een stad, een welhaast levend en gedurig veranderend organisme in zijn eigen, specifieke habitat. Er dient als het ware een biografie van Nijmegen te verschijnen. De stadsgeschiedenis zal worden uitgegeven in twee delen, van tezamen 1500 bladzijden. De illustraties nemen naar schatting 35% van de ruimte in. Rekening houdend met de bijlagen, die ongeveer 100 bladzijden zullen innemen, zal elk tijdvak in 275 bladzijden worden behandeld. Dames en heren, vandaag is een einde gekomen aan de voorbereidende werkzaamheden. We kunnen vanaf nu echt beginnen. De redactie prijst zich gelukkig voortaan, in plaats van over reglementen en financiën, te kunnen discussiëren over inhoudelijke kwesties, over een nauwkeuriger periodisering, over een nauwkeuriger afbakening van de themas. Ik heb u reeds verteld dat de redactie een tijdpad heeft gemaakt. Veruit het belangrijkste tijdstip dat daarop wordt vermeld is mei 2004. Want in die maand zal het grote werk dienen te verschijnen. Oorspronkelijk was de keuze voor het jaar 2004 gestoeld op de gedachte dat Nijmegen dan precies 1900 jaar bestond. In het jaar 104 kreeg Nijmegen zijn naam, Ulpia Noviomagus, alsook marktrechten van de Romeinse keizer Trajanus, zo luidde een wijdverbreide mening. Kort geleden echter gooide uitgerekend een van onze redactieleden, prof. Haalebos, roet in het eten door te beweren dat Nijmegen niet in 104, doch eerder, waarschijnlijk in het jaar 98, door Trajanus met zijn nieuwe rechten werd begiftigd. Wij moeten respect hebben voor de nieuwe kennis die de gedurig voortschrijdende wetenschap oplevert; bovendien is het wel aardig dat Nijmegen aldus plotseling nog ouder is dan we altijd dachten. Maar dankzij Haalebos met redenen omklede stelling was tevens de symboliek van het jaar 2004 uitgehold. Althans zo lijkt het. Toch is dat niet helemaal het geval. Het zal immers in mei 2004 precies vijftig jaar geleden zijn dat Rogier zijn oproep de wereld in slingerde voor de totstandkoming van een stadsgeschiedenis van Nijmegen. Is dat niet ook een mooi moment, 50 jaar na dato, om de stadsgeschiedenis te doen verschijnen? Zelf vind ik het een onvoorstelbaar grote eer om mijn steentje te kunnen bijdragen aan
het uitkomen van de wens van de grote Rogier. Ik hoop en vertrouw erop dat ook u het een
eer acht daaraan mee te werken. Ik ben ervan overtuigd dat als Rogier u hier allen bijeen
zou zien, en dan doel ik werkelijk op u allen, bestuursleden van de Stichting
Stadsgeschiedenis Nijmegen, redactieleden, auteurs, Numaga-vertegenwoordigers,
universiteitsvertegenwoordigers, vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, en ook u
burgemeester dHondt, verre opvolger van Hustinx, als Rogier u hier allen bijeen zag,
zou hij instemmend knikken en u alle mogelijke dank betuigen en succes toewensen. Bij
gebrek aan beter doe ik dat nu in zijn naam. |
||||||||||
| Bestuur
Stichting Stadsgeschiedenis drs. P.J.M. Timmermans (voorzitter) Postadres Stichting Stadsgeschiedenis |
Redactieraad
Stadsgeschiedenis prof. dr. Hans Bots |
|||||||||
Uit het Voorwoord van Een voorschot op de Nijmeegse
Stadsgeschiedenis: Zowel de gemeente als de faculteit Letteren van de Katholieke Universiteit heeft personele en financiële middelen beschikbaar gesteld voor de voorbereiding van de Nijmeegse Stadsgeschiedenis. De overgrote meerderheid van de redacteuren en auteurs werkt op basis van vrijwilligheid mee aan het project. Hun inspanningen moeten leiden tot de uitgave van het geplande boek. De stichting heeft inmiddels enkele uitgevers een offerte laten uitbrengen. 0m een zo groot mogelijk aantal Nijmegenaren kennis te laten maken met dit prachtboek is het wenselijk dat dit voor een aantrekkelijke winkelprijs kan worden aangeboden. De stichting wil daarom graag in contact komen met ondernemingen en organisaties die door verlening van financiële steun een bijdrage leveren aan de 'verkoopbaarheid' van de Nijmeegse Stadsgeschiedenis. Daartoe laat zij bij wijze van Een Voorschot op de Nijmeegse Stadsgeschiedenis
dit boekje het licht zien. Enkele medewerkers aan het 'grote boek' zijn bereid gevonden
tot het schrijven van een korte bijdrage, die een indruk kan geven van wat nog komen gaat.
Het gaat om vijf auteurs, die elk schreven over een zelfgekozen onderwerp uit vijf
verschillende periodes lopend van de Romeinse tijd tot en met de twintigste eeuw. Wij
hopen uiteraard dat deze voorselectie de lezer van dit cahier naar meer smaakt en dat hij
of zij er met ons van overtuigd raakt dat dit standaardwerk over de Nijmeegse geschiedenis
een zo groot mogelijk publiek in de stad moet bereiken. |
||||||||||
| Commentaar? Suggesties?
Vragen? Mail ons: Info@numaga.nl |
Laatst bijgewerkt: 08-12-2006 |
|||||||||