Gisteravond
hield deze in 't voorjaar tot stand gekomen vereeniging tot beoefening van Nijmegens
geschiedenis in de Nutzaal haar eerste vergadering. Aan de orde was vooreerst de
vaststelling van het huishoudelijk reglement, dat door de vergadering werd goedgekeurd.
Onder toejuiching werd vervolgens een voorstel aangenomen strekkende om het
eerelidmaatschap aan te bieden aan een drietal personen, die zich voor de studie van
Nijmegen's verleden zeer verdienstelijk hadden gemaakt, namelijk den heer mr. W. van de
Poll, den eerw pater A. Meyer, thans te Zwolle, bekend om zijn "Geschiedenis van het
Dominicaner klooster en kerk te Nijmegen'' en den heer Th. H. A. J. Abeleven, wien deze
aanbieding tevens als huldeblijk moest strekken bij zijn tachtigsten verjaardag.
Gaarne, zoo verklaarde de voorzitter, de heer J. J. Weve, had men aan
dit drietal ook nog toegevoegd onzen ijverigen stads-archivaris den heer Van Schevichaven;
maar diens bescheidenheid verzette zich daartegen : zoo lang hij zelf deel uitmaakt van
het bestuur, meende hij niet tevens eerelid der vereeniging te kunnen zijn.
Dat de onvermoeide grijsaard zich overigens bijzonder voor Nijmegens
geschiedenis verdienstelijk maakt, bleek uit de mededeeling van den voorzitter, dat de
heer Van Schevichaven een kolossalen arbeid voltooid heeft, namelijk een volledigen
catalogus van alle gedrukte stukken, die op Nijmegen betrekking hebben.
Zoodra de geldmiddelen der vereeniging dit toelaten zal dit belangrijk
werk, hetwelk in handschrift geheel gereed ligt, in druk worden uitgegeven.
Verder deelde de voorzitter mee, dat een der leden zich ijverig onledig
hield met een studie over de onderscheiden gestichten van Nijmegen, waartoe hij geregeld
de voorhanden bescheiden in het stedelijk archief raadpleegde.
De vruchten dier studie zullen in een der eerstvolgende vergaderingen
aan de leden worden meegedeeld.
Ten derde deelde de voorzitter nog mee dat van bevriende hand was
toegezegd een verhandeling over Pater Brugman, waarin waarschijnlijk nieuwe gegevens
omtrent dien grooten Nijmegenaar zouden werden meegedeeld.
Op een verzoek van den heer W. Nieuwenhuizen aan het Bestuur om bij
Burgemeester en Wethouders pogingen aan te wenden ten einde te verkrijgen dat de
gebruikmaking van de stedelijke boekerij en het archief den belangstellenden gemakkelijker
mocht worden gemaakt, werd door den Voorzitter toegezegd, dat het Bestuur gaarne aan dien
wensch gevolg zou geven.
Daarop droeg de voorzitter het presidium over aan den heer mr. P. S.
Scheen, penningmeester, ten einde zelf de aangekondigde verhandeling te houden over
Geschiedbeoefening".
Alvorens daarmee aan te vangen, deelde hij mee dat het Bestuur voor
deze eerste vergadering gaarne een spreker, uitmuntend door bijzondere geschiedkennis of
redenaars-talent had doen optreden, maar in zijn pogingen daartoe was gefaald doordat
verscheidene uitgenoodigde sprekers verhinderd waren.
Ook had het plan bestaan dat de heer Van Schevichaven op 10 December
ll. de leden zou rondleiden door ons merkwaardig Gemeentehuis ten einde hun daarvan de
voornaamste bezienswaardigheden te toonen: Dit plan was echter verijdeld door de ziekte
van den heer Van Schevichaven, waarvan deze, naar spreker hoopte, spoedig herstellen moge,
maar die hem toch nog verhinderde ook deze vergadering bij te wonen.
Vervolgens tot zijn eigenlijk onderwerp komende, merkte de heer Weve
op, dat hij ditmaal minder wilde spreken over de beoefening van Nijmegens geschiedenis in
't bijzonder dan wel over geschiedbeoefening over 't algemeen. Ten gevolge onzer
herinneringen aan de schooljaren, toen de geschiedenis ons voorkwam als een
aaneenschakeling van oorlogen, veeten en rampen, zijn we allicht geneigd te meenen dat
geschiedbeoefening noodzakelijk iets droogs en dors moet hebben. Dit behoeft echter niet
het geval te zijn, als men zich bij de beoefening der geschiedenis maar op een hooger
stand punt plaatst.
Van nature is de mensch geneigd te voldoen aan zijn ingeschapen zucht
tot weten. Dat weten strekt zich vooreerst uit over de natuur, over de heele geschapen
wereld en vervolgens over de voorwerpen om ons heen en de veranderingen, waaraan zij
onderhevig zijn. Het verhaal dier veranderingen maakt de geschiedenis uit, Wat niet
verandert heeft geen geschiedenis. Nauwer begrensd, is de geschiedenis het verhaal der
veranderingen in de menschelijke samenleving, omvattende kunsten en wetenschappen,
godsdiensten, politiek enz. Om ons daarvan rekenschap te geven, dienen ons vooreerst het
kenvermogen en vervolgens de ervaring. Als hulpmiddelen om tot de kennis der veranderingen
in het verleden te geraken dienen ons navraag, lezen en onderzoek.
Maar bij die navraag aan nog levende personen en bij het raadplegen der
onderschelden schrijvers behoren wij ons te vergewissen of deze wel beschikken over het
noodige gezag.
Het kind gelooft blindelings zijn ouders en onderwijzers; op lateren
leeftijd wordt allicht gezag verleend aan den professor of aan personen, die door hun
studie of betrekking geacht worden van 't een of ander beter te zijn ingelicht dan
anderen. En dat is goed ook, omdat hun kennis vaak de vrucht is van jaren en eeuwen. Maar
bij de strenge beoefening der geschiedenis mag toch nooit de ernstige controle der bronnen
gemist worden.,
Sprekende over het uitgestrekt gebied der menschelijke. geschiedenis,
wees spreker op de onderscheidden gidsen, die wij ons kunnen kiezen om ons daar rond te
leiden. Zij die zich vergenoegen met alleen te zien wat langs de algemeen begane wegen is
gelegen, alleen willen afstappen in de algemeen bezochte hotels, kunnen tot geleiders
nemen de schrijvers van historische romans; daaronder zijn Lissone's en Cook's, die u
zoowel in het weelderige zuiden als het barre noorden rondleiden. Wie behagen schept in
spannende schokkende tafereelen, moge hen volgen. Maar in hun geleide loopt men licht
gevaar, door de feeën, die op de grenzen van werkelijkheid en fantasie omzweven, naar dit
laatste gebied te worden overgevoerd.
Wie zooals de leden dezer vereeniging wil blijven binnen de werkelijke
geschiedenis, moet zich andere gidsen kiezen, die niet langs de groote wegen blijven, maar
doordringen in de ongebaande bosch- en bergpaden, tusschen kloven en rotsen.
In die gidsen, die ernstige zoekers wordt vereischt strenge
waarheidsliefde en onpartijdigheid. Oppervlakkig zon men daarom meenen dat de beste
geschiedschrijver die zou zijn, welke zich bepalen zou tot een dorre kroniek van de
voorgevallen feiten. Dit is evenwel niet het geval. De feiten toch staan niet los op zich
zelf ; oorzaak en gevolg schakelen zich aaneen. Daarbij zijn de handelingen der individuen
en der volken feitelijk uitingen van gedachten en is de geschiedenis alzoo het tafereel
der ontwikkeling van denkbeelden. (volgende kolom) |
|
Dit behoort door den geschiedschrijver in zijn werk te worden uitgedrukt. Bij alle
onpartijdigheid hebbe hij een besliste overtuiging; hij zij niet beginselloos of zonder
geloof. Het leven kan alleen door het leven weergegeven worden. De ware geschiedschrijver
staat dan ook tot den dorren kroniekschrijver als de talentvolle portretschilder tot den
photograaf. Deze laatste kan niet het karakter weergeven van een persoon; alleen de
schilder kan in het portret ook het karakter leggen,
Door een drietal voorbeelden toonde spreker vervolgens verschillende
wijzen van geschiedschrijving aan. Als een voorbeeld, hoe met weinige eenvoudige, maar
kernachtige woorden een karakter kan geteekend worden, las hij voor Van der Palm's
karakterschets van Gijsbert Karel van Hogendorp.
Daarna gaf hij door een citaat uit Potgieter's ,Rijksmuseum" een
voorbeeld, hoe deze schrijver de kunst verstond om in weinige regelen heel het veelbewogen
leven van een Karel V aangrijpend samen te vatten.
Als een staaltje van sociale geschiedenis las hij ten slotte Hoofts' beschrijving van den
beeldenstorm in de Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen.
Uit de verschillende meegedeelde voorbeelden kon men zien dat niet
alleen het verstand, ook het hart zijn deel moet hebben aan de geschiedbeoefening en dat
ook de poëzie daarin moet meespreken.
Na de pauze handelde spreker meer bijzonder over de plaatselijke geschiedenis. Hij toonde
aan dat de liefde daarvoor wortelt in onze liefde tot de geboorteplaats, die op haar beurt
voortkomt uit de gehechtheid aan bloedverwanten, waarop het gezin en ten slotte de heele
maatschappij berust.Tusschen bloed- en bloedverwant
Is een band
Niet licht te breken,
Van een boom scheert nimmer tak
Zonder krak
Of jammerteeken.
De liefde tot de geboorteplaats wordt gevoed door de kennis van
haar verleden. Inzonderheid geldt dit voor een stad als Nijmegen, wier verleden zoo rijk
is. Die liefde tot de geboorteplaats is voor groote mannen vaak een machtige prikkel
geweest om voor de grootheid der vaderstad te arbeiden. Ook Nijmegen heeft vele dergelijke
mannen opgeleverd. Spreker herinnerde daarbij aan den onvergetelijken Graadt van Roggen,
ter eere van wiens nagedachtenis deze vereeniging is opgericht. Hij was voorafgegaan door
mr. Van der Bruggen, van wiens groote liefde diens bekende "Troostrede" getuigt,
waarin hij zijn vaderstad poogt te troosten over het onvermijdelijk verval, dat hij
tegemoet zag.
Dat Graadt van Roggen ondanks die sombere voorspelling den moed niet
opgaf en de schijnbaar tot ondergang gedoemde stad nog zoo hoog wist op te voeren, is het
sprekendste bewijs voor zijn machtige wilskracht.
In den loop zijner rede toonde spreker ook aan dat de geschiedenis van
een plaats niet alleen belangrijk is, als zij handelt over middeleeuwsche toestanden
privilegiën, keuren enz. Sommigen oordeelen dat de tegenwoordige inrichting der
maatschappij overal zoo eenvormig is, dat plaatselijke geschiedenis overbodig zou worden.
Maar wanneer men let op de eigenaardige verschillen', vaak tusschen
dicht bij elkaar gelegen ,plaatsen, ziet men dat dit niet het geval is, Er zijn zooveel
onderwerpen van kunst en wetenschap, verkeer, van ontwikkeling op alle gebied, die de
aandacht vragen en daarbij, gelijk de boom zich opbouwt uit cellen, zoo wordt de groote
algemeene geschiedenis gevormd door de geschiedenis der onderscheiden plaatsen.
Om al deze redenen zal "Oppidum Batavorum'' zich aan de beoefening van Nijmegens
geschiedenis wijden.
Hoe rijk het verleden onzer stad ook zij, toch is haar geschiedenis nog
niet geschreven. Om niet te spreken van de duistere tijden der Batavieren, is zelfs van de
geschiedenis onzer stad in de Middeleeuwen weinig meer te vinden.
Het zal de taak zijn van deze vereeniging alles op te sporen wat
daarover licht kan verspreiden en door de studie van de onderscheiden tijdperken in
verloop van jaren te komen tot het uitgeven van een volledige geschiedenis van Nijmegen.
Van groot belang voor de geschiedenis zijn de gedenkstukken van het
verleden. Het kostbaarste monument van Nijmegen, de keizerlijke burcht van het Valkhof,
waarvoor men thans als hij nog bestond, van heinde en ver hierheen zou komen, is helaas
verwoest en de naijver der overige Geldersche steden is daaraan niet vreemd geweest. Het
weinige, wat wij nog aan oude gedenkstukken over hebben, behoort daarom zorgvuldig te
worden bewaard. Daarvoor behoort de vereeniging te waken.
Zij zal ook haar leden rondleiden in onze merkwaardige gebouwen. Zij
wenscht verder de kennis van Nijmegens verleden te verbreiden door het uitgeven en
verspreiden van de geschriften, die daarop betrekking hebben.
Onze stad is waard gekend en geliefd te worden. Is er een, die wijzen
kan op zulk een schilderachtigen aanleg, op zulk een verbazende vlucht in 25 jaren tijd?
Eeuwenlang heeft Den Haag er groot op gegaan, le plus beau village van Europa te zijn.
Thans nu zij als stad van over de 100.000 zielen daaraan is ontgroeid moge Nijmegen zich
dien oernaam toeëigenen; noemen sommigen het een groot dorp, het mag een buitenlustoord
heeten.
Spreker wees er nog op, dat de stichting van deze vereeniging, die door
"die Haghe" was voorafgegaan, ook elders tot oprichting van dergelijke
plaatselijke vereenigingen kon prikkelen, zooals reeds te Leiden geschied was.
Hij eindigde met een werkelijk gloedvolle peroratie, waarin hij ons den
blinden zanger toonde, in de geschiedenis als Homeros beroemd, die rondging van stad tot
stad, alom de volksoverleveringen opvangende en verzamelende, om die te verwerken tot zijn
heerlijke schepping, waarin rondom den toorn van Peleus' Zoon al de helden van
oud-Griekenland zijn gegroepeerd tot een monument als van zuiver rotskristal, een
gedenkstuk voor alle eeuwen. Zoo moet ook Nijmegen zijn grootsch verleden bewaren,
gedachtig aan het noblesse oblige.
Luide toejuichingen leverden den spreker het bewijs hoezeer hij de
vergadering door zijn leerrijke voordracht had geboeid. De heer Scheers was dan ook aller
tolk, toen hij hem daarvoor in korte, hartelijke woorden dank zeide en de hoop uitsprak
dat hij nog meermalen als spreker voor "0ppidum Batavorum" mocht optreden.
Het vrij talrijke gehoor, waaronder wij eenige eerw. heeren geestelijken en verscheiden
dames opmerkten, was zichtbaar voldaan.
Deze eerste vergadering van "Oppidum Batavorum" is een onmiskenbaar succes
geweest. |