NUMAGA

Vereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving


Een voorganger van Numaga: Oppidum Batavorum

II. De aktiviteiten van de vereniging
(Het materiaal op deze pagina is bij elkaar gezocht door Peter Houwen)

Het ontstaan van de vereniging Oppidum Batavorum
Oprichtingsvergadering: De Gelderlander 01-01-1903
Historische tentoonstelling: De Gelderlander 29-12-1903
Pleidooi voor een museale voorziening; De Gelderlander 30-08-1906
. Jaarvergadering 1907: De Gelderlander 13-06-1907
Excursie naar Xanten: De Gelderlander 13-06-1907en 26-10-1907
Aankondiging publikatie kaarten van Nijmegen: De Gelderlander 25-02-1909
5 plattegronden van Nijmegen

Johan H. Graadt van Roggen

H.D.J. van Schevichaven

J.J. Weve

J.H. Graadt van Roggen

H.D.J. van Schevichaven

J.J. Weve


Verslag van de oprichtingsvergadering van Oppidum Batavorum in
De Gelderlander van 1 en 2 januari 2003

De Gelderlander doet in de jaren na de oprichting van Oppidum Batavorum in 1902 op gezette tijden verslag van de activiteiten die de vereniging ontplooit. De oprichtingsvergadering, pas 8 maanden na het besluit tot oprichting van de vereniging gehouden, wordt uitvoerig beschreven. De rede van voorzitter J.J.Weve wordt vrijwel integraal opgenomen, en ook de overige activiteiten en plannen komen breedvoerig aan de orde. Aangezien het niet gelukt is om een externe spreker te vinden, houdt voorzitter Weve zelf maar de oprichtingsrede: een bloemrijk betoog, waarin hij zijn opvatting van de geschiedbeoefening uiteenzet, en daarmee een programma voor de activiteiten van de vereniging schetst. Die plannen behelzen onder meer de studie van het verleden van de stad en publikaties daarover, actie voor het behoud van wat er nog uit het verleden van de stad zichtbaar is, en rondleidingen voor de leden door Nijmegens historisch interessante gebouwen.  Hieronder het verslag (digitalisering Peter Houwen)


DE GELDERLANDER
NIJMEEGS DAGBLAD.
1 en 2 januari 1903 (pagina 1)
BINNENLAND
NIJMEGEN, 31 Dec. (1902)

Oppidum Batavorum.


    Gisteravond hield deze in 't voorjaar tot stand gekomen vereeniging tot beoefening van Nijmegens geschiedenis in de Nutzaal haar eerste vergadering. Aan de orde was vooreerst de vaststelling van het huishoudelijk reglement, dat door de vergadering werd goedgekeurd. Onder toejuiching werd vervolgens een voorstel aangenomen strekkende om het eerelidmaatschap aan te bieden aan een drietal personen, die zich voor de studie van Nijmegen's verleden zeer verdienstelijk hadden gemaakt, namelijk den heer mr. W. van de Poll, den eerw pater A. Meyer, thans te Zwolle, bekend om zijn "Geschiedenis van het Dominicaner klooster en kerk te Nijmegen'' en den heer Th. H. A. J. Abeleven, wien deze aanbieding tevens als huldeblijk moest strekken bij zijn tachtigsten verjaardag.
    Gaarne, zoo verklaarde de voorzitter, de heer J. J. Weve, had men aan dit drietal ook nog toegevoegd onzen ijverigen stads-archivaris den heer Van Schevichaven; maar diens bescheidenheid verzette zich daartegen : zoo lang hij zelf deel uitmaakt van het bestuur, meende hij niet tevens eerelid der vereeniging te kunnen zijn.
    Dat de onvermoeide grijsaard zich overigens bijzonder voor Nijmegens geschiedenis verdienstelijk maakt, bleek uit de mededeeling van den voorzitter, dat de heer Van Schevichaven een kolossalen arbeid voltooid heeft, namelijk een volledigen catalogus van alle gedrukte stukken, die op Nijmegen betrekking hebben.
    Zoodra de geldmiddelen der vereeniging dit toelaten zal dit belangrijk werk, hetwelk in handschrift geheel gereed ligt, in druk worden uitgegeven.
    Verder deelde de voorzitter mee, dat een der leden zich ijverig onledig hield met een studie over de onderscheiden gestichten van Nijmegen, waartoe hij geregeld de voorhanden bescheiden in het stedelijk archief raadpleegde.
    De vruchten dier studie zullen in een der eerstvolgende vergaderingen aan de leden worden meegedeeld.
    Ten derde deelde de voorzitter nog mee dat van bevriende hand was toegezegd een verhandeling over Pater Brugman, waarin waarschijnlijk nieuwe gegevens omtrent dien grooten Nijmegenaar zouden werden meegedeeld.
    Op een verzoek van den heer W. Nieuwenhuizen aan het Bestuur om bij Burgemeester en Wethouders pogingen aan te wenden ten einde te verkrijgen dat de gebruikmaking van de stedelijke boekerij en het archief den belangstellenden gemakkelijker mocht worden gemaakt, werd door den Voorzitter toegezegd, dat het Bestuur gaarne aan dien wensch gevolg zou geven.
    Daarop droeg de voorzitter het presidium over aan den heer mr. P. S. Scheen, penningmeester, ten einde zelf de aangekondigde verhandeling te houden over Geschiedbeoefening".
    Alvorens daarmee aan te vangen, deelde hij mee dat het Bestuur voor deze eerste vergadering gaarne een spreker, uitmuntend door bijzondere geschiedkennis of redenaars-talent had doen optreden, maar in zijn pogingen daartoe was gefaald doordat verscheidene uitgenoodigde sprekers verhinderd waren.
    Ook had het plan bestaan dat de heer Van Schevichaven op 10 December ll. de leden zou rondleiden door ons merkwaardig Gemeentehuis ten einde hun daarvan de voornaamste bezienswaardigheden te toonen: Dit plan was echter verijdeld door de ziekte van den heer Van Schevichaven, waarvan deze, naar spreker hoopte, spoedig herstellen moge, maar die hem toch nog verhinderde ook deze vergadering bij te wonen.
    Vervolgens tot zijn eigenlijk onderwerp komende, merkte de heer Weve op, dat hij ditmaal minder wilde spreken over de beoefening van Nijmegens geschiedenis in 't bijzonder dan wel over geschiedbeoefening over 't algemeen. Ten gevolge onzer herinneringen aan de schooljaren, toen de geschiedenis ons voorkwam als een aaneenschakeling van oorlogen, veeten en rampen, zijn we allicht geneigd te meenen dat geschiedbeoefening noodzakelijk iets droogs en dors moet hebben. Dit behoeft echter niet het geval te zijn, als men zich bij de beoefening der geschiedenis maar op een hooger stand punt plaatst.
    Van nature is de mensch geneigd te voldoen aan zijn ingeschapen zucht tot weten. Dat weten strekt zich vooreerst uit over de natuur, over de heele geschapen wereld en vervolgens over de voorwerpen om ons heen en de veranderingen, waaraan zij onderhevig zijn. Het verhaal dier veranderingen maakt de geschiedenis uit, Wat niet verandert heeft geen geschiedenis. Nauwer begrensd, is de geschiedenis het verhaal der veranderingen in de menschelijke samenleving, omvattende kunsten en wetenschappen, godsdiensten, politiek enz. Om ons daarvan rekenschap te geven, dienen ons vooreerst het kenvermogen en vervolgens de ervaring. Als hulpmiddelen om tot de kennis der veranderingen in het verleden te geraken dienen ons navraag, lezen en onderzoek.
    Maar bij die navraag aan nog levende personen en bij het raadplegen der onderschelden schrijvers behoren wij ons te vergewissen of deze wel beschikken over het noodige gezag.
    Het kind gelooft blindelings zijn ouders en onderwijzers; op lateren leeftijd wordt allicht gezag verleend aan den professor of aan personen, die door hun studie of betrekking geacht worden van 't een of ander beter te zijn ingelicht dan anderen. En dat is goed ook, omdat hun kennis vaak de vrucht is van jaren en eeuwen. Maar bij de strenge beoefening der geschiedenis mag toch nooit de ernstige controle der bronnen gemist worden.,
    Sprekende over het uitgestrekt gebied der menschelijke. geschiedenis, wees spreker op de onderscheidden gidsen, die wij ons kunnen kiezen om ons daar rond te leiden. Zij die zich vergenoegen met alleen te zien wat langs de algemeen begane wegen is gelegen, alleen willen afstappen in de algemeen bezochte hotels, kunnen tot geleiders nemen de schrijvers van historische romans; daaronder zijn Lissone's en Cook's, die u zoowel in het weelderige zuiden als het barre noorden rondleiden. Wie behagen schept in spannende schokkende tafereelen, moge hen volgen. Maar in hun geleide loopt men licht gevaar, door de feeën, die op de grenzen van werkelijkheid en fantasie omzweven, naar dit laatste gebied te worden overgevoerd.
    Wie zooals de leden dezer vereeniging wil blijven binnen de werkelijke geschiedenis, moet zich andere gidsen kiezen, die niet langs de groote wegen blijven, maar doordringen in de ongebaande bosch- en bergpaden, tusschen kloven en rotsen.
    In die gidsen, die ernstige zoekers wordt vereischt strenge waarheidsliefde en onpartijdigheid. Oppervlakkig zon men daarom meenen dat de beste geschiedschrijver die zou zijn, welke zich bepalen zou tot een dorre kroniek van de voorgevallen feiten. Dit is evenwel niet het geval. De feiten toch staan niet los op zich zelf ; oorzaak en gevolg schakelen zich aaneen. Daarbij zijn de handelingen der individuen en der volken feitelijk uitingen van gedachten en is de geschiedenis alzoo het tafereel der ontwikkeling van denkbeelden. (volgende kolom)

Dit behoort door den geschiedschrijver in zijn werk te worden uitgedrukt. Bij alle onpartijdigheid hebbe hij een besliste overtuiging; hij zij niet beginselloos of zonder geloof. Het leven kan alleen door het leven weergegeven worden. De ware geschiedschrijver staat dan ook tot den dorren kroniekschrijver als de talentvolle portretschilder tot den photograaf. Deze laatste kan niet het karakter weergeven van een persoon; alleen de schilder kan in het portret ook het karakter leggen,
    Door een drietal voorbeelden toonde spreker vervolgens verschillende wijzen van geschiedschrijving aan. Als een voorbeeld, hoe met weinige eenvoudige, maar kernachtige woorden een karakter kan geteekend worden, las hij voor Van der Palm's karakterschets van Gijsbert Karel van Hogendorp.
    Daarna gaf hij door een citaat uit Potgieter's ,Rijksmuseum" een voorbeeld, hoe deze schrijver de kunst verstond om in weinige regelen heel het veelbewogen leven van een Karel V aangrijpend samen te vatten.
Als een staaltje van sociale geschiedenis las hij ten slotte Hoofts' beschrijving van den beeldenstorm in de Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen.
    Uit de verschillende meegedeelde voorbeelden kon men zien dat niet alleen het verstand, ook het hart zijn deel moet hebben aan de geschiedbeoefening en dat ook de poëzie daarin moet meespreken.
Na de pauze handelde spreker meer bijzonder over de plaatselijke geschiedenis. Hij toonde aan dat de liefde daarvoor wortelt in onze liefde tot de geboorteplaats, die op haar beurt voortkomt uit de gehechtheid aan bloedverwanten, waarop het gezin en ten slotte de heele maatschappij berust.

Tusschen bloed- en bloedverwant
Is een band
Niet licht te breken,
Van een boom scheert nimmer tak
Zonder krak
Of jammerteeken.

    De liefde tot de geboorteplaats wordt gevoed door de kennis van haar verleden. Inzonderheid geldt dit voor een stad als Nijmegen, wier verleden zoo rijk is. Die liefde tot de geboorteplaats is voor groote mannen vaak een machtige prikkel geweest om voor de grootheid der vaderstad te arbeiden. Ook Nijmegen heeft vele dergelijke mannen opgeleverd. Spreker herinnerde daarbij aan den onvergetelijken Graadt van Roggen, ter eere van wiens nagedachtenis deze vereeniging is opgericht. Hij was voorafgegaan door mr. Van der Bruggen, van wiens groote liefde diens bekende "Troostrede" getuigt, waarin hij zijn vaderstad poogt te troosten over het onvermijdelijk verval, dat hij tegemoet zag.
    Dat Graadt van Roggen ondanks die sombere voorspelling den moed niet opgaf en de schijnbaar tot ondergang gedoemde stad nog zoo hoog wist op te voeren, is het sprekendste bewijs voor zijn machtige wilskracht.
    In den loop zijner rede toonde spreker ook aan dat de geschiedenis van een plaats niet alleen belangrijk is, als zij handelt over middeleeuwsche toestanden privilegiën, keuren enz. Sommigen oordeelen dat de tegenwoordige inrichting der maatschappij overal zoo eenvormig is, dat plaatselijke geschiedenis overbodig zou worden.
    Maar wanneer men let op de eigenaardige verschillen', vaak tusschen dicht bij elkaar gelegen ,plaatsen, ziet men dat dit niet het geval is, Er zijn zooveel onderwerpen van kunst en wetenschap, verkeer, van ontwikkeling op alle gebied, die de aandacht vragen en daarbij, gelijk de boom zich opbouwt uit cellen, zoo wordt de groote algemeene geschiedenis gevormd door de geschiedenis der onderscheiden plaatsen.
Om al deze redenen zal "Oppidum Batavorum'' zich aan de beoefening van Nijmegens geschiedenis wijden.
    Hoe rijk het verleden onzer stad ook zij, toch is haar geschiedenis nog niet geschreven. Om niet te spreken van de duistere tijden der Batavieren, is zelfs van de geschiedenis onzer stad in de Middeleeuwen weinig meer te vinden.
    Het zal de taak zijn van deze vereeniging alles op te sporen wat daarover licht kan verspreiden en door de studie van de onderscheiden tijdperken in verloop van jaren te komen tot het uitgeven van een volledige geschiedenis van Nijmegen.
    Van groot belang voor de geschiedenis zijn de gedenkstukken van het verleden. Het kostbaarste monument van Nijmegen, de keizerlijke burcht van het Valkhof, waarvoor men thans als hij nog bestond, van heinde en ver hierheen zou komen, is helaas verwoest en de naijver der overige Geldersche steden is daaraan niet vreemd geweest. Het weinige, wat wij nog aan oude gedenkstukken over hebben, behoort daarom zorgvuldig te worden bewaard. Daarvoor behoort de vereeniging te waken.
    Zij zal ook haar leden rondleiden in onze merkwaardige gebouwen. Zij wenscht verder de kennis van Nijmegens verleden te verbreiden door het uitgeven en verspreiden van de geschriften, die daarop betrekking hebben.
    Onze stad is waard gekend en geliefd te worden. Is er een, die wijzen kan op zulk een schilderachtigen aanleg, op zulk een verbazende vlucht in 25 jaren tijd? Eeuwenlang heeft Den Haag er groot op gegaan, le plus beau village van Europa te zijn. Thans nu zij als stad van over de 100.000 zielen daaraan is ontgroeid moge Nijmegen zich dien oernaam toeëigenen; noemen sommigen het een groot dorp, het mag een buitenlustoord heeten.
    Spreker wees er nog op, dat de stichting van deze vereeniging, die door "die Haghe" was voorafgegaan, ook elders tot oprichting van dergelijke plaatselijke vereenigingen kon prikkelen, zooals reeds te Leiden geschied was.
    Hij eindigde met een werkelijk gloedvolle peroratie, waarin hij ons den blinden zanger toonde, in de geschiedenis als Homeros beroemd, die rondging van stad tot stad, alom de volksoverleveringen opvangende en verzamelende, om die te verwerken tot zijn heerlijke schepping, waarin rondom den toorn van Peleus' Zoon al de helden van oud-Griekenland zijn gegroepeerd tot een monument als van zuiver rotskristal, een gedenkstuk voor alle eeuwen. Zoo moet ook Nijmegen zijn grootsch verleden bewaren, gedachtig aan het noblesse oblige.
    Luide toejuichingen leverden den spreker het bewijs hoezeer hij de vergadering door zijn leerrijke voordracht had geboeid. De heer Scheers was dan ook aller tolk, toen hij hem daarvoor in korte, hartelijke woorden dank zeide en de hoop uitsprak dat hij nog meermalen als spreker voor "0ppidum Batavorum" mocht optreden.
Het vrij talrijke gehoor, waaronder wij eenige eerw. heeren geestelijken en verscheiden dames opmerkten, was zichtbaar voldaan.
Deze eerste vergadering van "Oppidum Batavorum" is een onmiskenbaar succes geweest.


Een historische tentoonstelling

In het eerste jaar van haar bestaan organiseerde de vereniging een tentoonstelling van prenten, schilderijen en foto's van Nijmegen. De Gelderlander van 29 december 2003 doet er uitvoerig verslag van.(Digitalisering Peter Houwen)


DE GELDERLANDER
NIJMEEGS DAGBLAD.
29-12-1903 (pagina 5)
Letteren en Kunst
Oppidum Batavorum

    "In 't edel, lustig Gelderland,
Alom befaamd door zijn landauwen,
En vruchtb're beemden, digt beplant,
Gansch schoon en sierlijk in 't beschouwen,
Ligt een vermakelijke stad,
Zoo aangenaam als welgelegen
Die van d'Aloudheid, als een schat,
Ons ovrig is, genaamd Nijmegen.

Deze aanhef van H. K.Arkstee's in dichtmaat geschreven boek, getiteld: ,,Nijmegen, de oude hoofdstad der Batavieren", kwam ons voor den geest, toen wij een bezoek brachten aan de door "Oppidum Batavorum" georganiseerde tentoonstelling. Immers, we zagen daar weer in het schilderwerk de oude keizer stad in haar vollen bloei, we bewonderden weer die hechte, oude bouwwerken den Nijmegenaar zoo dierbaar, die plekjes van hooge historische waarde, waarop Nijmegens zonen zoo terecht fier mogen zijn. En is het dan wonder, zouden we willen vragen, dat deze verzameling van schilderijen, aquarellen, teekeningen, prenten, photographieën op Oud-Nijmegen betrekking hebbende zooveel belangstelling ondervond.
    En ieder zal het met ons eens zijn, dat deze drukke toeloop gedurende drie dagen een verblijdend teeken is, waardoor Nijmegens' bewoners toonden, groote belangstelling te hebben voor het verleden, voor de geschiedenis der oude Veste.
    En uit dien tijd, dat Nijmegen nog met wallen en grachten was omgeven, dat de sterke burcht nog zijn fiere torenspits tusschen het geboomte op het Valkenhof verhief, dat de St. Stevenskerk nog in vollen luister was, uit dien tijd was veel op doek gebracht.
    Allereerst zagen we een aantal plannen der stad, aan deze tentoonstelling afgestaan door het Museum van Oudheden alhier, waarop allengs een kleine aanbouw reeds was te zien, nieuwe, grootere fortificatiën waren aangebracht; dan volgden de negen poorten, velen bewoners onzer stad van heden ten dage nog zoo welbekend ; een aantal fraaie, keurig uitgevoerde aquarellen van P. Lauwerier, fijn afgewerkte penteekeningen van het Valkhof, het kasteel van Nijmegen vertoonende uit het Noorden en het Oosten gezien, éen teekening in bruine tint van de zoogenaamde Romeinsche capel, verschillende gezichten op den stadsmuur en een aquarel voorstellende "Het Belleveer met de hoenderpoort te Nimwege" door J. Doomer, discipel van Rembrandt. (Volgende kolom.)

    Ook gezichten op de Waal, den Waalwal, de stadsherberg en de veerpoort aan de Waalkade en nog tal van andere photographieën door C. C. van Leeuwen, een prachtige, fijn bewerkte kopergravure, Nijmegen uit het Oosten gezien.
     Diverse photographieën van W. Ivens en G. Korfmacher. Van deze laatste was o.m. een collectie groote photo's tentoongesteld, de verschillende poorten van buiten en van binnen gezien voorstellende. Verder bezichtigden we belangrijke bijdragen van den heer J, J. Weve, waaronder we vooral noemen de schilderij op doek met gezicht op het Valkhof. te Nijmegen, vermoedelijk van J. van Goyen. Eene photolithographie naar deze schilderij, aanwezig in het Rijksmuseum te Amsterdam.
    Verder verschillende stukken uit de collectie van onzen onvermoeiden stadsarchivaris den heer H. D. J. van Schevichaven, van den heer Grandjean, van den heer H. Uijen, van den heer, notaris C. A. E. Courbois (o. m. De Kronenburgertoren door R. Lauwerier). Schilderstukken uit de verzameling van mevrouw C. Scheers - Reijers, van den heer J. de Kok, van den heer L. Neijboer, van mevrouw Krom - Herderscheê.
    Inzendingen van de firma ten Hoet en den heer C. A. Vieweg, een keurige collectie aquarellen van den heer J. van Leeuwen en Bodifée's teekeningen van de St.-Stevenskerk dienen nog gemeld. Vervolgens was er een uitgebreide verzameling penteekeningen van gebouwen, verschillende ontwerpen en overdrukken hiervan en onder deze laatsten verdient vooral de aandacht het ontwerp voor de restauratie van de Latijnsche School, door onzen bekwamen stadsarchitect, den heer J. J. Weve, vervaardigd,
    Ook lagen nog uitgestald verschillende overdrukken naar penteekeningen van den heer Oscar Leeuw en meerdere keurige panorama's van Nijmegen, waaronder dat van den heer Bodifeé wel een der beste is.
    Deze uitgezochte verzameling, te veel om op te noemen, was door kennershand gerangschikt en verdiende wel der bezoekers onverdeelde aandacht.
    Het feit, dat deze tentoonstelling zoo wel geslaagd is, mag intusschen verblijdend heeten voor het bestuur van "Oppidum Batavorum" en een aanmoediging tevens zijn voor deze nijvere vereniging, om haar werkzaamheden met hernieuwden ijver voort te zetten,


Pleidooi voor een museum

In 1906 is er sprake van een actie om "de Oude Mariakerk op den Mariënburg" (de huidige Mariënburgkapel) ter beschikking te stellen voor het bewaren van "oudheden en kunst". Een Oppidum-lid laat via een ingezonden stuk in de Gelderlander weten dat ook de vereniging daar voorstander van is.
(digitalisering Peter Houwen)


DE GELDERLANDER
NIJMEEGS DAGBLAD.
30 Augustus 1906 (pagina 5)

INGEZONDEN STUKKEN.
(buiten verantwoordelijkheid der Redactie)

Oudheden.


Nijmegen, 27 Augustus 1906.
Geachte Redacteur.
Aangaande het ingezonden stukje in de "Gelderlander" van 15 Aug. l.l., waarin geschreven wordt over de klacht van de commissie ter bewaring van oudheden en kunst alhier, door de heeren Abeleven, dr. Scheers en Cools vruchteloos tot heden uitgesproken over gebrek aan ruimte ter plaatsing van de oudheden enz., wilde ik door deze ter kennis brengen, dat die klacht ook nog dezen zomer geuit is door de vereeniging "Oppidum Batavorum" op haar jaarlijksche vergadering. Door den heer C.A. Neijboer werd toen aan de vereenigde leden de vraag gesteld, of 't niet op hun weg lag den Gemeenteraad van Nijmegen er op te wijzen dat er grootelijks en noodzakelijke behoefte bestaat tot betere onderdak-brenging van de aanwezige voorwerpen op 't veel te klein stedelijk museum, tevens daarbij bemerkende dat de Oude Mariakerk op den Mariënburg een zeer geschikte ruimte zoude aanbieden, ook om er tevens eene conciergewoning aan te verbinden; te meer daar dit gebouw mettertijd geheel vrij zoude komen staan en in het midden der stad ligt.
    Op diezelfde vergadering werd toen door het verdienstelijk lid der tegenwoordige commissie bovengenoemd, den heer Mr. Bijleveld, er nog op gewezen, dat, met het vooruitzicht van het bekomen van den schat van oudheden van den Weled. Heer Kam, meer dan ooit het dringend noodig is voor ruimte en betere gelegenheid tot plaatsing te zorgen.
Het blijkt dus hieruit, dat ook door oudheid-liefhebbers dezer stad, zelfs nog dezen zomer pogingen zijn aangewend om tot een beteren toestand voor 't museum te geraken, hetgeen wij hopen niet tevergeefs gedaan mogen zijn.
    Tevens bemerk ik hierbij dat reeds in 1901 in de courant de "Gelderlander", onder de rubriek "Eenige uittrekselen uit de rekeningen van den stads-rentmeester enz. door C.A. Neijboer" er op gewezen werd dat de Maria kerk, waarover toendertijd zooveel in de Raad dezer gemeente gesproken werd,eene zeer goede gelegenheid zoude bieden tot overbrenging en bewaring van ons stedelijk museum.
Moge het spoedig daartoe komen.
Een oudheid-liefhebber.

Jaarvergadering 1907


DE GELDERLANDER
NIJMEEGS DAGBLAD.
13 Juni 1907 (pagina 2)
KUNST EN WETENSCHAP
"Oppidum Batavorum"


    Hedenmiddag (12 Juni 1907) had in de bovenzaal van den Schouwburg de jaarlijkse algemeene vergadering plaats van de vereeniging "Oppidum Batavorm".
    Als bestuurslid werd bij toejuiching herkozen de heer mr. A. van der Goes.
    Uit het verslag van den secretaris, den heer mr. C.G.J. Bijleveld, bleek dat de vereeniging in het afgeloopen jaar 4 leden aanwierf en er 3 verloor, zoodat het ledental thans bedraagt 61 en één eerelid. Verder werd in het verslag gememoreerd dat den leden in den loop van dit jaar werd aangeboden het "Repertorium Noviomagense" van den heer H.D.J. van Schevichaven, alsmede een overdruk van diens opstel in het jaarboek van "Gelre", getiteld "Vraagstukken in de geschiedenis van Nijmegens voortijd."
    Vervolgens werd melding gemaakt van het adres, door de vereeniging tot het Gemeente-bestuur gericht om betere voorziening in de bewaring van de gedenkstukken van geschiedenis en kunst door in beginsel te besluiten tot den bouw van een nieuw museum met archief, onder verzoek aan de hooge regering de verzameling Kam in bruikleen te mogen hebben.
Aan dit adres heeft de Raad, zooals men weet, geen gevolg gegeven.
De voorzitter bracht dank aan den heer Van Schevichaven voor zijn arbeid ten dienste der vereeniging.
    Besloten werd op een nader te bepalen dag in Augustus een tocht naar Xanten te maken, tot het bezichtigen der oudheden aldaar. Aan de leden zal een programma van dien tocht worden voorgelegd, met uitnodiging om er aan deel te nemen.
    Ten slotte deelde de voorzitter, de heer J.J. Weve, nog mee, dat van de voorgenomen uitgave van het handschrift van wijlen den wethouder Graadt van Roggen tot dusver niets had kunnen komen, wijl er inmiddels nog verschillende gegevens zijn gevonden, waarmee het handschrift nog kan worden uitgebreid. Die gegevens, welke de heer Weve dankte aan zijn meer dan 25 jarige werkzaamheid als gemeente-ambtenaar, zullen door den heer Van Schevichaven worden uitgewerkt. Omstreeks het najaar zal het handschrift verschijnen.

Een uitstapje naar Xanten en Calcar

In 1905 deed het bestuur een eerste poging om voor de leden een excursie te organiseren. Zonder succes: er meldden zich slechts 5 gegadigden, en het reisje moest worden afgelast, zo meldt de Gelderlander van 13 december 1905. In 1907 volgt een nieuwe poging, deze keer met meer succes. De Gelderlander publiceerde  niet alleen een aankondiging van het reisplan, maar bracht ook verslag uit.


DE GELDERLANDER
NIJMEEGS DAGBLAD.
13 October 1907 (pagina 2)
KUNST EN WETENSCHAP
Kunstreis naar Xanten en Calcar


DE GELDERLANDER
NIJMEEGS DAGBLAD.
26 October 1907 (pagina 2)
STAD EN GEWEST
Kunstreis naar Xanten


    Aan de leden der vereeniging "Oppidum Batavorum" is thans kennis gegeven, dat het op de vergadering van 12 Juni ll. afgesproken uitstapje naar Xanten en Calcar zal plaats hebben op Donderdag 17 October a.s.
De reisgelegenheid is de volgende:
     Van Nijmegen 8.05 vertrek naar Kleef, aankomst aldaar 9.57 (M.E. tijd). Vertrek van Kleef 10.25, aankomst Calcar 10.55, vertek Calcar 1.43, aankomst Xanten 2.17, Vertek uit Xanten 7.20, aankomst Nijmegen 7.51 (Gr tijd).
     In dit plan is het bezoek ook aan Calcar opgenomen, alwaar wordt gedéjeuneerd. Het diner wordt gehouden te Xanten, De kosten zullen per hoofd bedragen ongeveer f 10. De deelneming staat open voor de leden en hun dames.
     Zij, die aan deze tocht wenschen deel te nemen, worden verzocht uiterlijk Maandag 14 October a.s. daarvan mededeling te doen aan den secretaris, met opgave van het aantal personen, waarvoor deelname wordt verlangd.
    Aan den tocht naar Calcar en Xanten, vanwege de vereeniging "Oppidum Batavorum" ondernomen, werd gisteren door dertien personen deelgenomen. Ondanks het minder gunstige weer, is dat uitstapje uitstekend geslaagd.
    Zoowel te Calcar als te Xanten werden al de merkwaardige oudheden en kunstwerken bezichtigd onder de bekwame leiding van den voorzitter, den heer J.J. Weve, die niet alleen tot gids strekte op archaeologisch en kunstgebied, maar ook voor het meer prozaïsche als eten en drinken op loffelijke wijze had gezorgd.
    Dank zijn bekwame en aagename leiding was het een leerzame tocht en heerschte onder de deelnemers bij voortduring de prettigste stemming.

Publikatie plattegronden van Nijmegen

In 1909 lezen we in De Gelderlander over de laatste activiteit van de vereniging, de uitgave van een map met vijf oude plattegronden van Nijmegen.
(Klik hier voor afbeeldingen.)


DE GELDERLANDER
NIJMEEGS DAGBLAD.
25 Februari 1909 (pagina 5)
KUNST EN WETENSCHAP
Plattegronden van oud Nijmegen.


    Van wege de vereeniging "Oppidum Batavorum" is aan haar leden verstrekt, als uitgave voor 1908 en 1909, een groote portefeuille, bevattende een vijftal reproducties, vervaardigd door Corns. Immig & Zoon te Rotterdam, voor oude plattegronden onzer stad.
Vooreerst het oudst bekende plan van Nijmegen, ontleend aan G. Braun en F. Hogenberg's "Urbium Praecipuarum Mundie Theatrum", gedrukt te Keulen in 1572, en vandaar in vele andere dergelijke werken overgenomen.
    Het tweede plan werd genomen uit Pontanus' "Historiae Gelricae XIV Libri"van het jaar 1639. Het werd getekend door J. van Geelkercken, landmeter en wijnroeder dezer stad.
    Dan komt het mooiste van de oudere plannen der stad, namelijk dat ontleend aan het broemde werk van Blaeu "Novum ac magnum theatrum civitatum totius Belgii", dat in 1649 te Amsterdam in het Nederduitsch verscheen onder den titel ; Het Groot Stedeboeck der Vereenigde Nederlanden". Bij raadsbesluit van 10 Juli 1647 werd den Klevenaar Hendrik Veltman opgedragen, onze stad "pertinentelijck met eene penne af te teyckenen" en daarvan twee "cairten" te leveren: de eene voor het "cairtboeck, dat in Amsterdam uitgegeven werd, de andere van een grooter formaat, zou in de raadskamer gehangen worden. Daaruit ontstond, doch eerst 20 jaren later, dat groote geschilderde plan, dat thans op de trap ten Raadshuize hangt.
    Het vierde hier gegeven plan is van twee eeuwen later en het eerste dat op zich zelf werd uitgegeven, terwijl al de voorgaande in boekwerken verschenen. Het wijst de gewichtige veranderingen aan gedurende die twee eeuwen teweeg gebracht
. Vooreerst ontbreekt er voor het eerst de Burcht op het Valkhof, die in 1796 was gesloopt. Dan is het aanzien van Mariënburg onherenbaar veranderd. Waar plan III nog tuinen vertoonde, waren kazernes, een hospitaal, arsenalen, een kruitmagazijn en andere militaire gebouwen verrezen, die eerst in het afgeloopen jaar het lot van al het ondermaanscha deelden.
Zijn de drie vorige kaarten alle in den oude schilderachtigen trant als bij vogelvlucht ontworpen, dit vierde plan in 1839 bij C.A. Vieweg uitgegeven, is voor het eerst als eigenlijke plattegrond behandeld.
Ten slotte krijgen we kaart V, die het hedendaagsche Nijmegen weergeeft, maar met aanduiding van de vergrootingen, die het in den loop der eeuwen heeft ondergaan. Zo zien we aangegeven vooreerst de grenzen van het Romeinsche kamp, waaruit de stad is voortgekomen; vervolgens de ommuring der stad in haar oudsten vorm; dan de eerste uitbreiding, welker tijdstip niet bekend is en ten slotte den tweede uitleg der muren, die voltooid wetrd in 1467. Hoe deze wallen en de "buitenwerken" gesloopt werden en wat er voor in de plaats kwam, werd uitvoerig te boek gesteld voor de leden der vereeniging "Oppidum Batavorum" in haar voorlaatste uitgave "de ontmanteling en uitleg der stad Nijmegen, 1907".
Evenals de verschillende vorige uitgaven der vereeniging, zullen ook deze verzamelde oude plattegronden den leden zeer welkom zijn, daar ze hun hoogst leerzamen kijk geven op de ontwikkeling onzer stad van de oudste tijden af.

Commentaar? Suggesties? Vragen?
Mail ons: info@numaga.nl  
Laatst bijgewerkt:
07-11-2007