NUMAGA

Vereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving


Een bloemlezing uit het Nijmeegs Katern

Het verzet in Nijmegen 1940-1945
Een eeuw hygiëne in Nijmegen
Ronselen voor de VOC
. De Oeselenberg
Een Nijmeegs leesboekje
Sightseeing Nijmegen 1730

De integrale tekst van alle jaargangen van het Nijmeegs Katern tot en met 2004 is te raadplegen op de Numaga-cd-rom die in juni 2005 is verschenen. Op deze cd-rom vindt u alle publikaties van Numaga vanaf 1954 tot en met 2004. Voor bestelinfo, klik hier.

Verkenning van het verzet in Nijmegen tijdens de Tweede Wereldoorlog

Op 3 mei 2005 organiseerde Numaga een bijeenkomst ter gelegenheid van de aanbieding van het boek over de Nijmeegse gynaecoloog en verzetsman Daniël van Vugt getiteld Vraag niet om mijn bevrijding. Het leven van Daniël van Vugt, 2 mei 1896 - 2 mei 1945. Dr. Henk Termeer hield bij die gelegenheid een lezing over het verzet in Nijmegen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarvan een samenvattende tekst is gepubliceerd in Nijmeegs Katern jrg. 19 (2005), nr. 4, pp. 50-58.

verzetsmonument Jan van Hoof, Trajanusplein NijmegenVerzet en protest
Met de komst van de Duitse bezetter in mei 1940 trad een nieuwe overheid aan. En die nieuwe overheid kondigde al snel een groot aantal nieuwe, ingrijpende regels en verordeningen af; dat noemde hij: de `nieuwe orde'. Deze nieuwe orde behelsde dus een nieuwe `legaliteit'; daarin werden naast de vanouds al illegale vormen van verzet ook de meeste traditioneel légale uitingen van protest en verzet verboden en vervolgens met harde hand bestreden. Zo was het voortaan illegaal en onwettig om actief te zijn voor een verboden politieke partij of voor een niet-toegestaan blad, om uitlatingen tegen de NSB of de Duitsers te doen, om te luisteren naar de Engelse zender, om zich niet melden voor de `Arbeitseinsatz' en vervolgden te helpen. Het zijn allemaal voorbeelden van levensgevaarlijk geworden uitingen van protest (= uiting dat men het niet met de gang van zaken eens is) en verzet (= tegenwerking). Daarmee had de nieuwe orde dus ook protest en verzet in zekere zin gelijkgeschakeld; immers vrijwel iedere verboden uiting van protest, ook als die zich slechts tegen één maatregel richtte, kreeg nu het stempel van algehele anti-Duitse tegenwerking, van `totaal en illegaal verzet'. Wie bijvoorbeeld een illegaal blad verspreidde of onderduikers herbergde, kon als anti-Duitse terrorist worden gearresteerd en streng worden gestraft.
Naast illegaal protest/verzet bleven er toch uitingen van legaal of bovengronds protest of verzet mogelijk. Denkt u aan symbolische acties als Anjerdag (29 juni 1940, de verjaardag van prins Bernhard), het minachtend bejegenen van Duitsers en NSB-ers, de ambtelijke vertragingstactieken en - met meer risico - het openlijk en individueel weigeren om een opdracht uit te voeren of het demonstratief ontslag nemen. `Verzet' en `illegaal werk' zijn dus niet hetzelfde. Verzet is het afbreuk doen aan de bezetter en zijn belangen, ofwel door hem direct schade te bezorgen of door zijn tegenstanders te helpen. Binnen het verzet zijn legale en illegale activiteiten te onderscheiden. Beide werden veelal naast elkaar bedreven en niet zelden door dezelfde personen.

CristofoorGeorganiseerd verzet start laat
Het verzet in Nederland kwam pas sinds 1943 goed op gang; Nijmegen vormt daarop geen uitzondering. Daarvoor zijn verscheidene redenen aan te voeren. Vaak wijst men op de omslag in de krijgskansen aan het einde van 1942 (Slag om Stalingrad). Maar duidelijk is dat door die omslag de repressie door de bezetter groter werd. Die repressie stimuleerde op haar beurt weer het ontstaan van een breder en georganiseerd ondergronds verzet. In West-Europa en Nederland had het Duitse bewind aanvankelijk een zo vriendelijk mogelijk gezicht. Juist de Nederlandse mede-Germanen dacht men aan Duitse kant met overtuiging en enige zachte drang in het nationaal-socialistische spoor te kunnen krijgen. De Nederlandse bevolking was dus niet aan oorlog gewend en kwam sterk onder de indruk van de schijnbaar grenzeloze Duitse successen. Zij nam voorlopig een afwachtende, nogal wantrouwende houding aan. De haatgevoelens richtten zich de eerste bezettingsjaren nog voornamelijk op de NSB.
Ondanks dit afwachten vindt men al vrijwel sinds het begin van de bezetting enkele eerste uitingen van anti-Duits verzet. Deze eerste protest- en verzetsdaden waren zeer verschillend van aard: je had massale demonstraties als Anjerdag en de Februaristaking van 1941, je had de eerste illegale vlugschriften, de hulp aan ontvluchte krijgsgevangenen en incidenteel ook al sabotage. Maar deze verzetsactiviteiten hadden gemeen dat er geen organisatie achter stond. Het waren veelal individuele en incidentele acties. De verontwaardiging over bepaalde maatregelen van het bewind en het hulpbetoon aan zijn slachtoffers hadden nog geen vaste vorm gevonden. 'Men deed wat zijn hand te doen vond' en deed dat gezien het gebrek aan verzetservaring uiteraard op een amateuristische, improviserende manier. Loes Derks schreef in 1988 een doctoraalscriptie over het verzet in Nijmegen in die eerste, ongeorganiseerde fase. In Nijmegen vond zij in die allervroegste periode van mei 1940 tot medio 1942 drie groepen, die deels uit oud-militairen bestonden en voorlopers waren van de OD, de Ordedienst. Dat waren: het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF) met o.a. Nico van der Stadt, en de Oranjewacht o.l.v. Johan Boerrigter; deze groepen wilden bij een invasie de geallieerde legers de helpende hand kunnen bieden. Daarom verrichtten ze spionage, verzamelden ze wapens en bereidden ze een overgangsgezag voor. De derde groep was puur lokaal van karakter: dat was de groep-Hogerland; deze richtte zich in het bijzonder op spionage. Deze eerste paramilitaire groepen werden allemaal nog voor medio 1942 door de Sicherheitsdienst opgerold. Dat was veelal het gevolg van gebrek aan ervaring met opzetten van illegaal werk. De meeste betrokkenen werden gearresteerd en gefusilleerd; Nico van der Stadt, Johan Boerrigter en Martin Cavaljé waren de namen van de eerste dodelijke slachtoffers van het verzet in Nijmegen.

Titus BrandsmaRedenen van de late start
De bezetter deed er vanaf de eerste bezettingsdag alles aan om de Nederlandse overheidsdiensten naar zijn hand te zetten en mogelijke verzetshaarden op te sporen en uit te roeien. Het burgerbestuur werd onder curatele gesteld en in Nijmegen werd na een confrontatie tussen de WA, de weerafdeling van de NSB, en de politie in september 1941 politiecommissaris Veltman vervangen door het lid van de Germaanse SS Van Dijk. Die vormde vervolgens in de loop van 1942 binnen het politieapparaat de zogeheten Politieke Dienst, een onderdeel o.l.v. de NSB-er luitenant Verstappen. Die politieke dienst bestond uit een tiental foute agenten, onder wie de beruchte Wiebe en De Ruiter. Die politieke dienst van politie ontwikkelde zich in Nijmegen tot een gevreesd instrument van de bezettende macht; ze werd met name bij de vervolging van joden en verzetsstrijders ingezet.
In mei 1942 werd burgemeester Steinweg met pensioen gestuurd. Zijn functie werd voorlopig waargenomen door wethouder Van der Velden. Begin 1943 kreeg Nijmegen haar eigen NSB-burgemeester in de persoon van Van Lokhorst. Die draaide, zoals Beijer in zijn scriptie beschrijft, meteen de duimschroeven aan en drong aan op tewerkstelling van ambtenaren in Duitsland. Onder waarnemend burgemeester Van der Velden waren diverse hoofden van dienst nog bereid geweest om voorlopige lijsten op te stellen van personeelsleden die in aanmerking kwamen voor tewerkstelling in Duitsland. Maar toen NSB-burgemeester Van Lokhorst aantrad en de uitzending wilde doordrukken, leidde dat in februari 1943 tot werkweigering door alle hoofden van dienst behalve politiecommissaris Van Dijk. De tien weigeraars werden meteen daarop geschorst. Zeven van hen werden gearresteerd en naar Vught gevoerd en de overige drie doken onder.
Intussen waren ook de meeste traditionele particuliere belangenorganisaties zo snel mogelijk ontmanteld of gekortwiekt. Zo werd men bijvoorbeeld beroofd van de eigen politieke partij, de eigen vakbond, de eigen omroep en de eigen kranten en tijdschriften; zo moest De Gelderlander vanaf medio maart 1942 zijn uitgave staken. Ook een nieuwe organisatie binnen het kader van de nieuwe orde als de Nederlandse Unie werd eind 1941 toch weer verboden; haar bruikbaarheid als instrument van de bezetter was ondermijnd doordat ze sinds de oprichting in juli 1940 een verzamelcentrum was geworden van nationaal protest. In Nijmegen kreeg de Nederlandse Unie o.l.v. Ten Hagen, Bijvoet en Moormann een opmerkelijk grote omvang: ruim 8000 leden in december 1941. De Nederlandse Unie bundelde de anti-NSB-gevoelens en op straat leidde dat geregeld tot confrontaties tussen de colporteurs van de bladen De Unie en Volk en Vaderland). In de Unie vond ook de eerste samenwerking plaats tussen protestantse en katholieke jongeren die doorbreking van de oude verzuiling voorstonden. Een opmerkelijk aantal verzetsmensen had elkaar voor het eerst in de Unie getroffen. Tegen de tijd dat de groeiende repressie zich tegen alle burgers richtte en georganiseerd verzet nodig maakte ? in de loop van 1943 ? , waren de vertrouwde, traditionele organisaties dus al grotendeels opgeruimd en kwamen de meeste burgers alleen te staan voor heel drastische beslissingen. De enige organisaties die de bezetter niet durfde of wist te ontmantelen, waren: de kerken met hun structuur van bisdommen en parochies en een enkele illegale beroepsorganisatie als Medisch Contact.

Synagoge Gerard Noodtstraat, 28-8-1941Repressie baart verzet
Ook in Nijmegen kwam de groei en de organisatie van het verzet dus laat op gang. Medio 1943 was het immers al te laat voor de circa 340 joodse inwoners van Nijmegen die al in 1941 en 1942 waren opgehaald en naar Westerbork en het Oosten waren gedeporteerd. Het absolute dieptepunt werd bereikt in de razzia in de nacht van 17 op 18 november 1942. In totaal werden in die nacht 196 joden weggevoerd. De joden waren toen opgehaald door koppels van twee politieagenten of marechaussees van wie er steeds één fout was; mede daardoor waren er nauwelijks waarschuwingen uitgegaan. Na de bevrijding keerden slechts vijftig van de in totaal 440 gedeporteerde Nijmeegse joden levend terug.
Pas een half jaar later, rond mei 1943, namen de gevaren ook voor de rest van de bevolking toe. Er dreigde tewerkstelling voor de studenten, de vrijgelaten Nederlandse militairen werden weer in krijgsgevangenschap teruggeroepen en grote groepen mannen werden voor de Arbeitseinsatz aangewezen. Het gevolg was dat er op grote schaal ondergedoken en geholpen moest worden. De kleine verzetskernen, waaronder de groep-Poelen en de studentengroep-Fredericks, hadden tot dan toe allerlei soorten illegaal verzetswerk naast elkaar gedaan: het verspreiden van illegale bladen, hulp bieden aan onderduikers, maken en verspreiden van pamfletten en soms het plegen van sabotage. Als gevolg van de Meistakingen in 1943 werden Anton Fredericks en de twee broers Van der Veer gefusilleerd. Na die stakingen nam het aantal onderduikers spectaculair toe en werd duidelijk dat men aansluiting moest zoeken bij de betere mogelijkheden van de nationale illegale organisaties als de Landelijke Organisatie voor Onderduikers en de Landelijke Knokploegen. Op 8 juli 1943 werd de gevreesde politiecommissaris Van Dijk door Henk Romeijn, een illegale kennis van de groep-Fredericks, in de Hertogstraat neergeschoten; Van Dijk werd zwaar gewond en overleed op 31 augustus 1943 alsnog aan zijn verwondingen. Als commissaris werd hij opgevolgd door het lid van de Germaanse SS Van Aperen. Romeijn werd op 5 april 1944 in kamp Vught gefusilleerd.

Daniel van VugtDe voorhoede van het verzet
Natuurlijk, het overgrote deel van de Nederlandse bevolking was tegen de Duitse bezetting gekant. Maar slechts een heel klein gedeelte van die bevolking heeft zich actief en in georganiseerd verband tegen de Duitse bezetter verzet. Recente schattingen komen voor het hele land op een aantal van ongeveer 25.000 illegale werkers in de periode tot september 1944. Dat getal van 25.000 komt neer op ongeveer twee personen op 1000 inwoners. In Nijmegen, toen een stad van 100.000 inwoners, waren er inderdaad nooit veel meer dan 220 actieve illegale werkers. Toch zeggen die getallen lang niet alles over het verzet, want ook de verhouding tussen die kleine groep illegale werkers en de bevolking is van belang. De illegale werkers vormden de harde kern van het verzet en konden voor hun verboden activiteiten een beroep doen op een wat bredere kring van incidentele helpers en op diverse vormen van ondersteuning door de overwegend anti-Duits gezinde bevolking.
Veelzeggend voor de trage start en de snelle verharding van de verzetsstrijd zijn in dit verband ook de overlijdensdata van degenen die in of in verband met verzetsactiviteiten omkwamen. Kort na de bevrijding werd een lijst opgesteld van de 65 Nijmeegse verzetsslachtoffers. Van die 65 kwamen kwamen er geen om in 1940 en 1941, in 1942 vielen de eerste 6 slachtoffers, in 1943 volgden er weer 6, in 1944 niet minder dan 34 en in 1945 nog eens 19. Als we het aantal omgekomen verzetsmensen (65) afzetten tegen het totale aantal dat illegaal verzetswerk deed (hooguit 220), dan blijkt dat bijna een van de drie het riskante verzetswerk met zijn leven heeft moeten bekopen!
Een van die 65 was dokter Daniel van Vugt. Hij werd gearesteerd en gevangengezet als gevolg van de beruchte gebeurtenissen van 24 september 1943. Dokter Van Vugt had namelijk Frans Prick, die inspecteur van politie was en deel uitmaakte van de verzetsgroep-Poelen, geholpen te vluchten. Dat gebeurde toen de eerste tekenen erop wezen dat een verzetscontact met de schuilnaam 'Ederveen' misschien wel een verrader was. Via de vermeende geheime agent 'Ederveen' -hij was in feite een infiltrant van de SD, de Sicherheitsdienst- hoopte de groep-Poelen wapens en explosieven te krijgen. Die had men nodig om gewapende overvallen te kunnen plegen op distributiekantoren en gemeentehuizen. Daarmee kon men immers de grote aantallen distributiebonnen, formulieren en stempels bemachtigen waarmee het groeiende aantal onderduikers verzorgd en beschermd zou kunnen worden.

Verzet baart repressie
De gevolgen van deze mislukte aanslag op 'Ederveen' in Poelens drogisterij aan het eind van de Daalseweg waren bijzonder ernstig. Er werden in totaal 27 personen gearresteerd. Allereerst was het met het politieverzet daarna grotendeels gedaan: de politiemensen Marcusse, Oolbekkink, Hendriks en Beerman werden immers gefusilleerd en alle andere illegale werkers bij de politie doken onder. De groep-Poelen, die net aansluiting had gevonden bij de Landelijke Organisatie voor Onderduikers in Noord-Gelderland en in Limburg, werd uiteengeslagen door arrestaties en gedwongen onderduik. Vanuit de restanten van die groepen werd het illegale verzetsnetwerk weer opnieuw opbouwd tot de Duikpot Nijmegen van de LO. Dat het verzet in Nijmegen zich zo vlot van deze aanslag wist te herstellen, mag wel een wonder heten. Want in het jaar dat volgde, kregen Nijmegen en zijn bevolking het door geweld van oorlog en bezetting pas echt zwaar te verduren. Het verwoestende bombardement van 22 februari 1944, de hevige strijd om de bevrijding van de zwaar gehavende stad in september en de slopende zes maanden als frontstad maakten 1944 tot een rampjaar in de Nijmeegse geschiedenis: er waren in totaal meer dan 1500 dodelijke slachtoffers te betreuren, de stad telde met 1200 het grootste aantal oorlogsverminkten van Nederland en grote delen van de oude binnenstad waren zo grondig geruïneerd dat ze nooit meer in haar oude glorie zou herrijzen.

Illegaliteit als schokdemper
Bij nader inzien werkte de illegaliteit als een soort schokdemper of bumper tegen de Duitse bezetting; ze vormde als het ware het uiteinde van een periscopische vering, doordat ze zelf was ingebed in de steun van een kring van helpers, die op haar beurt weer gedragen werd door de sympathie van de bevolking. Aldus kon het ondergrondse verzet geïsoleerd en toch effectief opereren met zo weinig mogelijk risico's voor de bevolking; de vele slachtoffers die er in het illegale werk vielen konden vanuit de bredere groep van helpers ook vrij snel weer worden aangevuld.
Het Nederlandse en het Nijmeegse ondergrondse verzet waren sterk gericht op de bevolking. Dat uit zich door een dominante rol van de illegale pers en van de verzorgingsillegaliteit, d.w.z. de illegale organisaties die vervolgden hielpen.. Zo werd na juli 1943 het illegale blad Christofoor in Nijmegen gemaakt, en kenden bladen als Je Maintiendrai, Vrij Nederland, Trouw, De Waarheid en Het Parool een brede verspreiding, deels door eigen verspreidingsgroepen. De bevolking had bij het offensieve, gewapende verzet nogal eens de nodige bedenkingen; termen als avonturiers en onverantwoordelijke elementen vielen herhaaldelijk. Maar de illegale pers en de verzorgingsillegaliteit kregen veelal wél steun en bereikten op den duur een grote omvang. Deze vormen van illegaal verzet richtten zich op versterking van de verzetsmentaliteit van de bevolking en op het lenigen van de nood van hen die door de bezetter werden vervolgd: te weten onderduikers, joden, krijgsgevangenen, geallieerde vliegtuigbemanningen en illegale werkers uit het verzet. De wezenstrekken van het Nederlandse illegale verzet waren dan ook: de bevolking de waarheid te zeggen en de slachtoffers te beschermen.

Eigenaardigheden van het verzet in Nijmegen
Wat was er nou typerend voor het Nijmeegse verzet? De volgende punten lijken daarbij van belang.
- Nijmegen kende een grote afdeling van de Nederlandse Unie, waaruit diverse verzetsactiviteiten zijn voortgekomen (Ten Hagen, Beermann, Christofoor, verspreiding JM)
- Nijmegen vervulde een brugfunctie tussen het verzet in Noord- en Zuid-Nederland; ik heb dat niet eerder genoemd maar bij diverse illegale activiteiten  vormde Nijmegen de schakel tussen Limburg en het Noorden: zo was Nijmegen deel van district Limburg van de LO
- de eensgezinde werkweigering door de gemeentelijke hoofden van dienst om onder een NSB-burgemeester personeel voor tewerkstelling in Duitsland aan te wijzen
- de verhoudingsgewijs grote rol van priesters: pater Titus Brandsma voor de pers, pater Ten Berge in de knokploeg Nijmegen, de paters Timmers, Van Doormalen, Ter Ellen en Vastbinder in het onderduikwerk
- de verhoudingsgewijs grote rol van studenten: Jan van Hoof in de Geheime Dienst Nederland bij het inlichtingenwerk en de sabotage, Anton Fredericks bij de April-Meistakingen, Wim van Kempen bij Christofoor, Jacques de Weert in de Falsificatiecentrale, Jos van Hövell in het studentenverzet.

Besluit
Het verzet en de illegale werkers zijn van groot nationaal en lokaal belang geweest, ook al hebben ze maar kort en hevig bestaan en al is hun effect op de bezetter betrekkelijk gering geweest. Na de nederlaag van het Nederlandse leger was het illegale verzet tijdens de bezetting namelijk zowat het enige teken van Nederlands voortgezette strijd en onafhankelijkheidswil. Als zodanig vormde het de kwetsbare schakel tussen het historische Nederland van voor 1940 en het toekomstige Nederland van na 1945. Het verzet en de illegale pers wisten de bevolking namelijk moed in te spreken en morele steun te geven in haar afwijzing van het bewind van de bezetter en in haar streven naar bevrijding en naar herstel van zelfstandigheid. Het illegale verzet belichaamt kortom de vrijheidswil van het Nederlandse volk. De verzetsmensen vormden eigenlijk een speciaal soort volksvertegenwoordigers in oorlogstijd. Door hun rug recht te houden, door zich te gedragen als 'het geweten der natie' en door te spreken als 'de stem van strijdend Nederland' hielden ze de rest van de bevolking geestelijk overeind. Aldus droegen ze beslissend bij aan het behoud van het nationale zelfrespect. In de grootste bestaanscrisis die Nederland ooit gekend heeft, was dat een heel grote verdienste. Daarom moet die geschiedenis van het verzet beschreven, gekend en herdacht worden.

Henk Termeer

Bronnen en studies over het Nijmeegse verzet
1. er is natuurlijk weinig bronnenmateriaal uit de oorlog bewaard; het is dus veelal achteraf verzameld en bevat nogal wat strijdige getuigenissen en is daardoor lastig te gebruiken:
a. het archief van de Commissie Verzetsdocumentatie (1947-1949: pater Timmers, E.H. Broekkamp, Vic Beermann, A. van Hedel en gemeentearchivaris dr. J. de Jong): 60 mappen met verklaringen, interviewverslagen, rapporten en brieven
b. de verzameling-Driever: het resultaat van gezamenlijk project van de gemeente Nijmegen en de afdeling Nieuwste Geschiedenis van de KU Nijmegen in 1985-1986: verslagen van circa 30 interviews met getuigen inzake verzet en jodenvervolging
c. het archief van de afdeling Nijmegen van de Gemeenschap Oud-Illegale werkers Nederland: met ledenlijsten en ballotagerapporten uit de jaren 1945-1947
2. Twee scripties:
a. Loes Derks, Je deed wat je hand te doen vond. De ontwikkeling van het verzet in Nijmegen in zijn eerste, ongeorganiseerde fase, mei 1940-oktober 1943 (1988)
b. Arie Beijer (†), Gemeentelijk beleid in bezettingstijd (1988)
3. Het meeste werk is dus nog te doen aan de periode september 1943 tot september 1944, toen het verzet sterk toenam en toen de confrontatie het hardst was; bijvoorbeeld de aanslag op een SD-er op het Stationsplein in juli 1944 en de afkondiging van het standrecht half augustus; verder de opkomst van een massale bevrijdingsillegaliteit).


Van top tot teen, een eeuw hygiëne in Nijmegen
Nijmeegs Katern 16, februari 2002, p. 2-4

Badhuis aan de DaalsewegIn de 19e eeuw was het zeer slecht gesteld met de hygiëne in een groot deel van de ommuurde stad Nijmegen. Krotwoningen zonder toilet en een open riolering waren zeker in de benedenstad meer regel dan uitzondering. Vuil water, dierenbloed en vleesafval bleven in de gaten van de straten liggen en daar werd dan nog as en huisvuil bij gegooid. De boeren kwamen wel eens langs om dat vuil op te halen maar schoon werd het nimmer. De lagere delen van de stad kregen ook nog al het water van de bovenstad over zich heen inclusief alles wat meestroomde. Het bleef hangen in een bekken bij de Hezelpoort waar de ratten vrij spel hadden.

Volgens de Politieverordening uit 1852 waren de bewoners en gebruikers verplicht de straten, de goten en de riolen langs hun eigendommen schoon te houden. De rest van de straat moest opgeveegd worden en de afvoeren met zuiver water doorgespoeld. Op de zaterdagen diende de straat te worden geschrobd. Niemand stoorde zich echter aan de regels en de politie (4 man sterk) kende waarschijnlijk andere prioriteiten. In 1876 kwam er dan eindelijk een gemeentelijke schoonmaakploeg, die overigens onvoldoende soelaas bood. In 1887 besloot de Gemeente een eigen vuilnisophaaldienst op te richten. Vanaf de eeuwwisseling tot 1937 werden het huisvuil en de tonnen (toiletten) regelmatig opgehaald en afgevoerd naar de vuilstortplaatsen. Daarna kwamen de zinken vuilnisemmers.

Het zal duidelijk zijn dat er van wassen en baden ook niet veel terecht kwam en dat er vele risico's waren die besmettelijke ziekten met zich mee konden brengen.
De iets beter gesitueerden in de stad hebben zich in die eeuw iets beter kunnen vermaken in de drijvende badhuizen op de Waal. Met enige regelmaat verscheen zo'n schip en bleef dan lange tijd liggen (in de zomermaanden) soms aan de Nijmeegse kant en soms aan de Lentse kant. Men kon er zwemmen en gebruik maken van de stortbaden inclusief een aantal kuurbaden voor alle kwalen en gebreken. De stellige indruk bestaat dat men er meer voor het plezier heen ging dan voor de wekelijkse wasbeurt. Dat laatste vond meer plaats in het Waalbad, vanaf 1877 gelegen aan de buitenzijde van de Waalhaven of de aanlegsteiger van de gierpont aan de Lentse kant.

Na de ontmanteling van 1878 werd in rap tempo de bouw van schitterende huizen en hoteis ter hand genomen die ongetwijfeld de beschikking hadden over een badkuip. In de benedenstad veranderde niets want er was geen geld voor een bad. In 1881 werd er echter een commissie in het leven geroepen die ijverde voor een badhuis. Die pogingen hadden succes want in 1885 resulteerde dat in de bouw van een badinrichting aan de Nieuwe Marktstraat. Die werd bestempeld als chique. Het was een particulier initiatief en er zijn twijfels of de bewoners van de benedenstad er aanvankelijk baat bij hebben gehad. Pas toen de bevolkingsgroep met geld zich geheel naar boven en buiten had verplaatst veranderde de cliëntèle van de inrichting. In de jaren twintig van de 20e eeuw werd het badhuis noodlijdend en nam de Gemeente het bad over en gaf de exploitatie aan de woningbouwvereniging Nijmegen. Terugloop van het aantal bezoekers heeft er toe geleid dat het bad op 25 september 1937 werd gesloten.

In het begin van de 20e eeuw kwam de sociale woningbouw op gang en ontstonden de volksbuurten in Nijmegen Oost, Willemskwartier, Wolfskuil en Waterkwartier. 0mdat er meer aandacht aan hygiëne werd geschonken en de gebouwde woningen niet beschikten over een badgelegenheid besloot men ook in deze buurten over te gaan tot de bouw van badinrichtingen. Op 28 mei 1921 werd aan de Tulpstraat een badhuis geopend en een jaar later op 8 augustus 1922 eenzelfde bouwwerk aan het Maasplein. Tot slot werd 24 September 1928 een fraaie inrichting geopend aan de Koolemans Beijnenstraat. De Gemeente verleende subsidie en de Nijmegenaren konden zich schoonhouden.

Een geduchte concurrent van de badhuizen vormden de in de jaren dertig in en rond Nijmegen ontstane open zwembaden en het Sportfondsenbad Oost. Veel mensen leerden zwemmen en het schoolzwemmen deed zijn intrede. Vooral na de tweede wereldoorlog werden in woonhuizen douchegelegenheden gebouwd en zelfs fabrieken legden die aan voor hun personeel. Zo werd de klandizie in de badhuizen van lieverlede slechter en de kosten dus te hoog. Dat noopte de woningbouwvereniging de exploitatie te stoppen en op 1 februari 1975 werd het badhuis Maasplein gesloten. Op 1 juni 1982 volgde het bad aan de Tulpstraat en tenslotte op 1 januari 1985 het bad aan de Koolemans Beijnenstraat.

Huizen zonder douche bestaan nagenoeg niet meer en voor wassen en baden zal men nog nauwelijks naar het zwembad gaan. Zwemmen doe je alleen nog voor je plezier.
Pierre Hopman


Ronselen voor de VOC
Nijmeegs Katern 16, oktober 2002, p.50-54

VOC-schipBij 'het Witte Paard'
In de vroege wintermorgen van 29 januari 1768 liepen twee mannen langs de Oude Kleefsebaan, die toen nog 'Cleefsche weg' werd genoemd, in de richting van Nijmegen. Ter hoogte van de herberg 'het Witte Paard' werden ze aangesproken door Jan Reimer en Frederik Medinger uit het Duitse Brandenburg die in de herberg hun intrek hadden genomen 'om ten dienste van de Oost-lndische Compagnie volk ter zee te engageren'. Zij vroegen de reizigers waar ze vandaan kwamen en wat het doel van hun tocht was. Zij bleken uit Duitsland te komen en waren op weg 'nae de Stad om arbeyd te soecken'. 'Gij moet mede na Oostindien vaeren, dan kun je hups geld verdienen, gij kunt hier geen arbeyd krijgen' zo reageerde Reimer. Johan George Arnhold, zoals een van de werkzoekenden heette, zei daarop dat hij daar geen zin in had, omdat hij 'lust had om zijn profession te rijden' (zijn beroep uit te oefenen). En, zo voegde hij eraan toe, 'daer kun je mij niet toe dwingen'. 'Wij sullen u daertoe dwingen!' riep daarop de ronselaar Medinger, 'slaende de belaegde persoon teffens met een stok over de schouwder'. De andere gastarbeider was er inmiddels vandoor gegaan. De gewelddadige personeelswerver en zijn maatje sleepten vervolgens hun slachtoffer voort en sloegen hem met een stuk hout. 'En wanneer deselve weder op de beenen geraakt was, de beklaegde hem bij de haeren gegrepen (heeft) en wederom op de grond geworpen heeft, seggende teffens "toe hond, gij sult meegaen"'. Toen de man bewusteloos op de grond lag, is de hoofddader, Frederik Medinger, 'op hem gaen loopen'. Na de arrestatie van de twee criminelen werd op 27 februari 1768 op het Nijmeegse Valkhof in deze zaak door het Waldgericht recht gesproken. De 'sententie' luidde als volgt. Medinger, die de mishandeling had gepleegd, zal 'gebragt worden ter plaetse alwaer men op het Nederrijxe walt gewoon is criminele sententie te doen. Aldaer (zal hij) ten excemple en afschrik van anderen door den scherprichter strengelijck met roeden worden gegeeselt en gebrandmerckt'. Verder moest hij zes jaar in het Provinciale Tuchthuis in Arnhem worden 'geconfineert ten einde aldaer met sijn handen arbeyt te winnen'. Na het uitzitten van die straf volgde verbanning uit het Nederrijkswald 'op poene van swaardere straffen'. Reimer kreeg in 1770 twee jaar strafvermindering vanwege zijn goed gedrag.

Werken voor de VOC
De Verenigde Oost-Indische Compagnie had zeer veel mensen in dienst. Dat personeel was nodig voor de bemanning van de handelsschepen, de begeleidende marineschepen, de handelskantoren, werkplaatsen, medische zorg en onderwijs. Bovendien was zowel op zee als in het verre Indië het sterftecijfer hoog. Van Gelder komt voor de achttiende eeuw op een aantal van ongeveer 7000 nieuwe arbeidsplaatsen per jaar. Hij schat dat er gedurende het bestaan van de VOC (1602-1795) bijna een miljoen mensen uit of via de Republiek naar Oost-lndië en aangrenzende gebieden zijn vertrokken. Daarvan is minder dan een derde teruggekeerd. Een groot deel van de werknemers kwam uit het buitenland. De barre omstandigheden van de reis en het risicovolle verblijf in Indië maakten het voor de inwoners van de Republiek niet zo aantrekkelijk om dienst te nemen bij de VOC. Het merendeel van de buitenlandse werknemers was afkomstig uit Duitsland. Die toestroom is vooral te verklaren uit de grote armoede en de vele oorlogen in de Duitse gewesten. Naar schatting trokken halfweg de achttiende eeuw elk jaar 33.000 Duitse 'gastarbeiders' naar de Republiek om er tijdelijk of permanent werk te zoeken. De werving van matrozen, arbeiders en ambtenaren voor de Compagnie gebeurde op een vrij nette manier door de 'kamers' van de VOC in de grotere steden van de Republiek. Die kamers zijn te vergelijken met de tegenwoordige uitzendbureaus. Maar in de kroegen in de grote steden waren ook 'zielverkopers' actief. Zij zorgden ervoor dat arme lieden zich door drank, vrouwen en hoge pensionprijzen in de schulden staken die ze alleen konden aflossen als ze zich aan hun schuldeiser en indirect aan de VOC 'verkochten' door aan te monsteren op de vloot. Openlijke ronselpraktijken kwamen volgens Van Gelder niet voor, met uitzondering van de werving voor de marine tijdens de Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784). Het hiervoor beschreven geval zal ongetwijfeld niet de enige uitzondering van voor of na die tijd zijn geweest. De 'economische vluchtelingen' uit Duitsland kwamen de Republiek binnen via enkele hoofdroutes. Een ervan liep langs de Rijn via Nijmegen en Utrecht naar Holland. Sommige werkzoekenden kwamen per schip, de minder draagkrachtige lieden gingen te voet en hoopten onderweg gratis onderdak te vinden. Het is begrijpelijk dat malafide personen, zoals de twee gasten van het Witte Paard, hun fuik ergens langs een van de wegen naar het Westen opstelden om hun ronselpraktijk uit te oefenen. Logementen en herbergen waren er rond Nijmegen veel, vooral langs de invalswegen uit het zuiden en oosten. Buiten de controle van de stedelijke politie gelegen, waren die herbergen vaak broeinesten van geweldpleging. Vooral het Nederrijkswald werd onveilig gemaakt door zwervers en gedeserteerde soldaten.

De plek van de misdaad
De herberg waar, zoals dat in het archief wordt beschreven, 'het Witte Paerd uithangt' was het onderkomen van de twee boeven. Zij stond op de plaats waar nu een kleine villa dicht op de weg tegenover de diepe geul van het Kerstendal Staat. 'Het Witte Paard' is aangegeven op de kaart van het Nederrijkswald getekend door landmeter Jan van Aarden in 1758. Ook iets verder richting Nijmegen lag aan de overzijde van de Oude Kleefsebaan herberg 'de Posthoorn', en verderop naar Wyler lag ongeveer tegenover de afslag naar de Watermeerwijk nog een herberg 'waar de Koning van Pruisen uithing'. Het Witte Paard werd in 1815 met het erachter gelegen landgoed De Kitselenberg door de erfgenamen van de Nijmeegse oud-burgemeester Sanders van Well verkocht aan een heer met de welluidende naam Benedictus Pasquinelli. Het werd in 1822 omschreven als 'eene Hofstede, oudtijds het Witte Paard, thans genaamd Berg en Daal, bestaande in eene nieuw getimmerde Heeren Huizinge...'. Blijkbaar had het toen al niet meer de functie van herberg.

Ordonnantie van 't Neder-rijcks-WaldtHet Waldgericht
De grens tussen het Nederrijkswald en de heerlijkheid Beek liep aan de Beekse zijde van de 'Cleefse weg' die bij het Nederrijkswald hoorde. Dat het geweldsmisdrijf binnen de grens van het Wald plaatsvond, had belangrijke consequenties voor de rechtspleging. Het Nederrijkswald was in de Middeleeuwen een van de grote grafelijke, later hertogelijke bosdomeinen van Gelderland. Het strekte zich uit van de zuidrand van het Nijmeegse Schependom tot de grens met Kleef en werd aan de oost- en westkant begrensd door de heerlijkheden Beek, Ubbergen, Heumen en Malden. Vanaf 1559 werd het bijna twee en een halve eeuw lang, tot de Bataafs-Franse tijd, namens de Staten van Gelderland beheerd door de Gelderse Rekenkamer in Arnhem. Aan het eind van de zestiende eeuw hebben de Staten voor de rechtspraak in civiele en criminele vergrijpen die in het Nederrijkswald gepleegd werden, het Waldgericht ingesteld. De door hen benoemde en beëdigde Waldgraaf trad op als voorzitter van deze rechtbank waarvan verder twee waldschepenen lid waren. Bij de rechtspraak baseerde men zich vooral op de Waldordonnantie, een soort van beheersreglement voor het Nederrijkswald. De stad Nijmegen meende echter dat door de bemoeienis van de Rekenkamer haar aanspraken op het Nederrijkswald (dat immers in 'haar' Rijk van Nijmegen lag) beknot werden en verzette zich tientallen jaren tot het uiterste tegen de instelling van het Waldgericht en de afkondiging van de Ordonnantie. In 1677 werd een compromis gevonden; de civiele zaken zoals houtdiefstallen en stroperij mocht het Waldgericht blijven behandelen. De criminele rechtspraak, waartoe het hiervoor beschreven geval hoorde, had Nijmegen altijd al voor haar Schepenbank opgeëist. Maar voor de 'criminele jurisdictie' zou het Waldgericht voortaan worden aangevuld met vier 'gecommitteerde' schepenen van de Stad. Het Waldgericht dat eind februari 1768 voor de hiervoor beschreven zaak bij een kwam, bestond uit Pieter Verschoor (die als oudste waldschepen de vaak afwezige waldgraaf Carel van Bijlandt verving), Stephanus Grevelaar, Simon van Leeuwen, Frans van der Steen (die ook optrad als waldschrijver ofwel secretaris-griffier), Adriaan van den Bergh, Hendrik Willem van Grootenray en Hendrik Pieck ('noodschepen'). Een bijzondere vermelding verdient nog de 'plaats van de criminele sententie'. Omdat het aantal diefstallen en gewelddaden in het Nederrijkswald in de achttiende eeuw steeds groter werd, heeft de Rekenkamer in 1710 'mede tot afschrik en exempel' een galg laten oprichten, wellicht heroprichten. Dit strafwerktuig stond dicht bij de Molenbosweg in Berg en Dal, iets ten noordwesten van de huidige tennisvelden. De waldgraaf ontving voor elke criminele rechtszaak 12 gulden en als de dader moest worden opgehangen dan incasseerde hij nog 30 gulden extra.

Soms komt men bij archiefonderzoek onverwachte zaken tegen. Die leiden soms langs een zijpad naar heel andere historische onderwerpen dan die waarop het eigenlijke speurwerk is gericht. Zo stuitte ik bij mijn onderzoek naar de bosgeschiedenis van het Nederrijkswald in het oudrechterlijk archief van de Gelderse Rekenkamer op het hiervoor beschreven misdrijf dat verband bleek te houden met de strategische ligging van Nijmegen en omgeving als doorgangsroute van Duitse 'gastarbeiders' voor onder meer de VOC. Louche figuren als Jan Reimer en zijn maat probeerden daarvan te profiteren. Een systematisch onderzoek naar deze 'doorgangsfunctie' van de stad Nijmegen voor migratiestromen kan als een aspect van haar sociaal-economische geschiedenis misschien interessante nieuwe inzichten opleveren.
Klaas Bouwer


Scherven, veldnamen en verhalen: Oud nieuws van de Oeselenberg .
Nijmeegs Katern 14, april 2000, p 18-21

De ruimtelijke structuur van Nijmegen 'buiten de Wallen', het zogenaamde Schependom, heeft eeuwen overleefd en maakt deel uit van de identiteit en uitstraling van de stad. Wijken en buurten zoals Hatert en St. Anna krijgen al vaag hun aanzet als landbouw, gehuchtjes en statige landgoederen deze Groene Rand nog domineren. Het zijn de patronen van toen die het stramien van de hedendaagse stad bepalen. Er is nauwelijks onderzoek naar gedaan. We gaan in deze korte bijdrage met zevenmijlslaarzen door het vroegste verleden van Oud-Brackestein; dus niet van de wijk, maar van de landgoederenzone tussen Driehuizerweg en de omgeving van de Nijmeegse Baan/Heilig Landstichting. De eerste contouren van de wijk Brakkenstein dateren pas van omstreeks 1900. De bouw van het klooster (1908) van de paters van het Allerheiligst Sacrament was een sterke impuls voor het roomse modeldorp op schrale zandgrond.

Het onderzoek naar de landgoederenzone begint in 1993 met de acties voor behoud van landgoed De Driehuizen waaraan ook Numaga en Heemschut deelnamen. De cultuurhistorische kwaliteiten zijn nadrukkelijk en voor de boerderij-villa met succes ingebracht. Al snel werd duidelijk dat dit karakteristieke stukje Nijmegen aan de westflank van de stuwwal een respectabel verleden had. Zo bleken veel buitenhuizen voortzettingen van oudere voorgangers. Zelfs de authentieke infrastructuur werd na flink wat gepuzzel zichtbaar. Markant zijn verder het sterke reliëf en de oost-west aflopende erosiedalen (Meerwijk en vallei Heilig Landstichting). Zo ligt het kerkhof van de Heilig Landstichting op ca. 70 m. N.A.P. terwijl de Driehuizerweg een niveau van ca. 23 m. N.A.P. heeft. Ook qua vegetatie is de variatie opmerkelijk. Het gebied lag eeuwenlang op de vage grens van Rijkswoud en Mookse heide, die hier nog tot in deze eeuw woekerde.

Afferdenscamp
Omstreeks 1550 geeft de Nijmeegse magistraat een enorme hoeveelheid bos, struweel en hei uit voor ontginning, die in 1570 op de schetskaart van Thomas Wittenroos als Avordenscamp/Afferdenscamp -elders ook als Westerhoeven- staat aangegeven. Het zijn restjes van het Rijkswoud (Wald- of Ketelwoud) die na veel gedoe omstreeks1500 stedelijk buitengebied geworden zijn. Vooral magistraten kopen de ruige, uitgestrekte landerijen, zoals Reinier van Wijhe, heer van Hernen. Gebouwd wordt er voorlopig niet; wel vinden we vermeldingen over jacht, schapenteelt en -ondanks inferieure grond- een tweetal boerenhoeven van Van Wijhe. Grofweg bestrijkt het gebied Nijmeegse Baan (0.), Valkenburgseweg (N.), Driehuizerweg (W.) en Sionsweg (Z.); het bijgevoegde schetskaartje geeft een oriëntatie. Noordelijk van de villa Mariënboom aan de toen Groesbeeksestraat lag de gelijknamige bidkapel annex devotieplaats en ontginningsgrens (als polder vermeld!). Het 'paapse' heiligdom is in 1605 gesloopt. De verbinding naar het westen was een veldweg. Deze komt uit op de nu doodlopende Driehuizerweg, waarvan de naam overigens pas in de 19de eeuw wordt gebruikt.


Schetskaart van Oud-Brackesteyn

Oud-Brackestein

© 1994 - M. de Grood
LEGENDA
Landgoederen e.d .:
01 - Mariënboom
02 - Oud-Villandry (1874)
03 - Vaelenbaert
04 - Geldersch Hof
05 - Heyendael
06 - Brackesteyn
07 - Oeselendael
08 - De Driehuizen
09 - Leemput M. en A.-laan/westelijk Halfweg
10 - Oeselenberg
11 - Hamer & Co
12 - Hoeven R. van Wijhe
Wegen :
I - Postweg/Weg naar Kleef
II - NijmeegseBaan/Groesbeekse Straat
III - Driehuizerweg/Moocksestraat/Romeinse weg
IV - Heyendaelseweg/MaldenseStraat
V - Scheidingsweg/Steenkuilendal; oud tracé
VI - Panovenlaan VII -d'Almarasweg
Oriëntaties :
A - Hoogte bij Gelders Hof (NB:de pijlen geven de erosiedalen aan)
B - Mariënbosch/KeteIberg
C - Bakkersberg
D - Nebo/Oeselenberg
E - Heumensoord met Hoge Langeberg
F - Het Groeske -Spoorlijn, noordelijk met oud tracé (18 65 -78).

Steenkuilendal
Sinds mensenheugenis heette de Driehuizerweg Moocksestraat, die weer de opvolger was van de heerbaan tussen Romeins Nijmegen en Maastricht. Het recente onderzoek van de stadsarcheologen op het terrein van De Driehuizen gaat ook in deze richting. Zoals bekend lag even zuidelijker in het huidige Heumensoord de kortgeleden geconserveerde militaire wachtpost die de weg beschermde. We gaan zuidelijk en komen op de T-splitsing van de Scheidingsweg, die bergopwaarts overgaat in de Sionsweg. Dit duidelijk herkenbare ingeslepen erosiedal -ooit als beek uit de Merwijk (Meerbeek)- is het authentieke wegtracé dat nog tot begin deze eeuw achter Sionshof (ten noorden van de Hoge Langenberg) richting Grootstal ('t Stalse Dael) liep om in de natte broekgronden bij Hatert uit te komen. In feite volgen we vanaf het Groeske (Heilig Landstichting) de actuele gemeentegrens! Net als grote delen van het achterland wateren deze gebieden af op de Maas. De Sionsweg/Scheidingsweg komt in de bronnen voor als Steenkuilendal, als verwijzing naar de dikke grindpakketten (afspoelsel sinds de IJstijd). Bij het Groeske/Sionshof is er een aansluiting op de Nijmeegse Baan; deze is in het verleden overigens vaak opgehoogd of ingegraven, zoals ten noorden van de Nebo.

Pannenfabriek
De d'Almarasweg is een eind vorige eeuw opgewaardeerde privé veldweg naast het pand van de advocaat F.H. d' Almaras (hoek Driehuizerweg) die weer relaties had met de eigenaars van het buiten Mariënbosch en de Beekse dominee Exalto d' Almaras die in 1829 overleed. Is dit misschien een gekerstende joodse familie van Portugese komaf? De Panovenlaan was ooit ook een veldweg. Naamgever werd de in 1879 opgerichte steen- en vormbakkerij Hamer & Co noordelijk van de Josualaan die tot even na de eerste wereldoorlog actief was. De 'stoomdakpannenfabriek' exploiteerde de grote leemconcentraties in het gebied waarvoor zelfs een smalspoor werd gebruikt. Oostelijk runden Van der Wedden & De Kruijf op de Holdeurn -toen Pruisisch- een nagenoeg identieke fabriek. Veel 'putten' en vergravingen zijn nog in het landschap op en rond de Heilig Landstichting te vinden zoals bij speeltuin De Leemkuil en op het goed Nieuwland. Toen de leem op raakte, werd de grondstof vanuit Duitsland aangevoerd. 'Hamer' maakte gebruik van de nieuwe spoorlijn Nijmegen-Kleef (1865) die 'voor zijn voordeur' lag met later de halte Heilig Landstichting, het afstapje naar het Bijbels Openluchtmuseum.

Stand en status
De naam Afferdenskamp viel al, maar meer toponiemen doken op in de bronnen. De eerste twee boerderijen, eigendom van Reinier van Weihe, lagen ten westen van de -nu- Nijmeegse Baan, precies in het erosiedal tussen twee pregnante heuvels: de Ketelberg (Mariënbosch) en Oeselenberg (hoogte tussen kloosterschool Nebo en doorsnijding Nijmeegse Baan). Hiermee zijn we bij de oorsprong van Oud-Brakkenstein. Aan de overzijde van de Nijmeegse Baan werd later boerderij De Ploeg gebouwd, de aanzet voor de Heilig Landstichting. De Oeselenberg was tevens de naam van het oudere landgoed van Hendrik Heymans, drukker van bestsellers als 'De Geldersche Keukenmeid' (1756). Iets ten noorden van het huidige landgoed De Driehuizen lag eveneens een buiten: Oeselendaal, de plek waar eerder vorig jaar de 54 fonkelnieuwe woningen zijn opgeleverd. Het blijft overigens een raadsel waarom de straatnaamcommissie voor dit nieuwe buurtje niet verder kwam dan Parkzoom en Hoefslag, zoals de bordjes sinds kort aangeven. De wijkraad pleitte in oktober 1998 voor 'hergebruik' van de oude toponiemen. Maar de commissiesecretaris gaf aan dat een jaar eerder 'er geen (sic) geschikte historische namen voorhanden waren geweest'. Het college was al in 1997 akkoord gegaan met het advies ....

Goudkust
Omstreeks 1700 treedt 'verstening' op langs de Driehuizerweg en ten oosten van de Nijmeegse Baan. De terreinen zijn dan sterk verkaveld. Blijkbaar herstelt de economie zich na de lange, onrustige periode van de Tachtigjarige Oorlog. De landgoederen schieten als paddestoelen uit de grond, die elders al eeuwen in bezit van de oude elite is: meer noordelijk Gelders Hof (Postweg/Limos Zuid), Vaelenbaert (tussen Groenewoud en het jongere Villandry) en Mariënboom. Ter hoogte van De Driehuizen komen Brackesteyn, Heyendael, De Driehuizen en Oeselendaal snel op; even oostelijker de Oeselenberg en buitens in de Meerwijk en omgeving. Bouwheren zijn rijke nieuwkomers en vermogende, deels katholieke families. Onderling is deze subelite nauw verwant, zelfs hun buitens en gronden lopen in elkaar over. Het zijn vooral ambtsdragers, handelaars en brouwers die hier hun stand en status etaleren. Een groot deel van deze Goudkust zal de democratische hervormingen aan het begin van de 18de eeuw, de zogenaamde Plooierijen, hartstochtelijk steunen.

Toeval
We duiken weer wat verder terug in de tijd, al blijven we in de omgeving van de Nijmeegse Baan. Tijdens het onderzoek dook in het archief van archivaris Daniels een ongeordend krantenartikel uit 1938 op dat een noodopgraving meldde op de Heilig Landstichting, ter hoogte van wat later de Profeten- en Mozes en Aaronlaan werd. Op het terrein aan de oostflank van de Oeselenberg was een 'Tuinstad' gepland. De egalisatie gebeurde in het kader van de beruchte Werkverschaffing onder leiding van de Nederlandse Heidemaatschappij. De werkers troffen op een plek dikke leemlagen aan, "vermengd met baksteen, natuursteen en scherven van kruiken, waaronder oren en buikstukken". Centraal lag een zeker tien meter diepe leemput, die ook al op oude kaarten is terug te vinden. Een toevallige voorbijganger seinde prof. F. de Waele in. Inmiddels was al zo'n tweederde van de site verdwenen en als puin gestort voor de ophoging van de Nijmeegse Baan. Eenmaal gearriveerd, kon archeoloog De Waele nog net de resten bestuderen van wat drie Romeinse pottenbakkersovens bleken te zijn. Deze informatie is in 1995/96 door diverse oud-omwonenden bevestigd, waaronder de heer Van Driel.

Oudheden
Volgens het bericht was het hier gebakken aardewerk dieprood tot geel van kleur, maar er is ook een kleine hoeveelheid grijs aardewerk gevonden. Als datering werd 2de tot 3de eeuw na Christus gegeven. Volgens archeoloog H. van Enckevort hebben we hier te doen met een kleine werkplaats. Hij vervolgt: "Het is jammer dat verdere vondsten of aanwijzingen verloren zijn gegaan. Dus eigenlijk hebben we 'weinig concreets' in handen. Toch is er alle reden om de plek in het vervolg goed in de gaten te houden!" Wat is er dan met de vondsten gebeurd! Van verschillende kanten werd bevestigd dat deze onder zijn gebracht in het oude museum van de Heilig Landstichting, nu de pastorie naast de Cenakelkerk. De collectie heeft echter de inkwartiering van geallieerde soldaten in 1944/45 niet overleefd en staat niet beschreven in de museuminventarissen. Navraag bij de familie leerde dat ook prof. De Waele hierover geen aantekeningen heeft nagelaten. Wel is er een notitie van houtkoper J. van Elsbroek, die in 1803 'oudheden' vond op zijn goed De Oeselenberg; net zoals de heer Wouters nog enkele jaren terug. Ook richting Brakkenstein zijn wat vondsten uit de Romeinse tijd gedaan. Maar al met al is het beeld verre van compleet. We moeten het dus voorlopig doen met archeologische registraties, vondstmeldingen en informatie van bijvoorbeeld toenmalige omwonenden. De auteur houdt zich aanbevolen!

Melchior de Grood, Heyendaalseweg 316 6525 SM -Nijmegen 024 - 356 04 28 Naar boven


Een fraaie vestingstad: Sightseeing Nijmegen ca. 1730
Nijmeegs Katern 14, april 2000, p 14-17

Dames en heren mag ik de aandacht? Ik geloof dat we compleet zijn dus wilde ik gaan beginnen. Mevrouw kunt U ook even...? Dank U. Ik hoop dat U een goede reis heeft gehad. Ja! Mooi. Wel goeden middag, mijn naam is Jan van Anhoudt, stadsdienaar. De heren burgemeesters en raad van de stad Nijmegen hebben mij verzocht U mee te nemen op een wandeling door onze fraaie vestingstad. Op de route zal ik U het een en ander over de rijke historie van Nijmegen vertellen en U enkele bijzondere plaatsen laten zien. Het zal een flinke tocht worden, maar het weer zit in elk geval mee. Mocht U onderweg vragen hebben aarzel dan vooral niet ze mij te stellen. Mooi, ik weet niet of er nu al vragen zijn. Nee, zo te zien. Dan wil ik U nu vragen mij te volgen, dan zullen we de stad binnen gaan door de Hoenderpoort die U ginds ziet liggen.
Deze stadspoort is de meest oostelijk gelegen toegang tot de stad. Zoals U zult zien komt de poort uit onder aan de heuvel waarop een van de meest in het oog springende gebouwen van Nijmegen staat: de Valkhofburcht. U heeft dit majestueuze bouwwerk vanaf de gierpont waarschijnlijk al zien liggen. Zodra we de stad zijn binnengegaan slaan we links af en lopen we onderlangs de heuvel omhoog, daar zal ik U meer vertellen over het Valkhof.

Zo dat was een flinke klim. We zijn nu aangekomen op de heuvelrug. Recht voor U ziet U het stadsbos; dit park is ongeveer honderd jaar geleden aangelegd op de plek waar zich het Valkhofplein bevond. Het plein werd gebruikt als mestvaalt en stortplaats en veroorzaakte een enorme stankoverlast. De raad van de stad besloot het probleem op te lossen door het plein te beplanten met iepen en lindebomen. De bomen die U nu ziet zijn echter niet de oorspronkelijke. Een paar jaar geleden is het hele plein opnieuw beplant. Achter U ziet U nu dus het Valkhof. De burcht werd ongeveer zeshonderd jaar geleden door de Duitse keizer gebouwd op de plaats waar zich ooit een barbaarse nederzetting bevond. Over deze periode en de daaropvolgende tijd toen de Romeinen zich in deze streek vestigden is weinig bekend.

We zullen nu door de hoofdpoort de binnenplaats van de burcht opgaan. Vanaf de muren heeft U een prachtig uitzicht over de Betuwe. Bij helder weer is Arnhem zelfs zichtbaar. Links voor U aan de noordelijke oever van de Waal ziet U fort Knodsenburg liggen. Het fort werd in 1590 gebouwd door Prins Maurits. In de loop der tijd zijn er verschillende pogingen ondernomen om Nijmegen vanuit het fort te veroveren. Zo'n zestig jaar geleden toen koning Lodewijk van Frankrijk samen met de Keulsen en Munstersen de Republiek binnenviel, werd het fort door de vijand ingenomen. Wekenlang werd de belegerde stad vanuit Knodsenburg beschoten. Gouverneur Van Welderen heeft menig Franse aanval weten af te slaan maar moest de stad uiteindelijk opgeven. Twee jaar lang werden we door het paapse gespuis bezet en uitgekleed. Een enkele oude Nijmegenaar kan zich deze tijd nog herinneren. Nog geen vijfentwintig jaar nadat hier de vrede werd getekend probeerden ze het opnieuw. Toen zijn ze gelukkig niet verder gekomen dan de lunet Kijk-in-de-Pot aan de andere kant van de stad. U zult begrijpen dat de Fransoos zich in Nijmegen nooit echt populair heeft weten te maken. Maar genoeg daarover. Ik zie op de klok van de Grote Kerk dat we ons een beetje moeten haasten, anders lopen we achter op ons schema, want geloof me, er is nog zoveel meer moois te zien in onze prachtige stad..

 
Burchtpoort Nijmegen
G. van Druynen. Burchtpoort en omgeving, 1e kwart 19de eeuw, o.i.-inkt. Collectie Museum Het Valkhof
We zullen de burcht nu verlaten en ons door het Stadsbos naar de Burchtstraat begeven waar we een bezoek zullen brengen aan het stadhuis. Volgt U mij! De Burchtstraat waarop we ons nu bevinden is reeds lange tijd een van Nijmegens hoofdstraten. Het is een van de straten die het oude centrum van de stad verdeelden in vier bestuurlijke eenheden: de zogenaamde kwartieren of vierdels. De poort aan het begin van de straat waar we zojuist onderdoor gelopen zijn, de Burchtpoort, hoe kan het ook anders, gaf toegang tot het Valkhof dat vele jaren geleden nog niet binnen de stadsomwalling lag.
Met het groeien van het aantal inwoners werd de stadsmuur verlegd; een aantal oude toegangspoorten is echter gespaard gebleven. Pardon? Hoeveel? Nijmegen telt nu ongeveer twaalfduizend zielen. Zo, we moeten nu nog een paar honderd voet lopen en dan komen we aan bij het stadhuis. Ginds aan de linkerzijde van de straat kunt u het al zien liggen. Het gebouw dat er nu staat is iets meer dan tweehonderd jaar oud. Voordien werd de stad ook al vanaf deze plek bestuurd. Let U vooral op de mooi bewerkte deur, een waar meesterstuk van schrijnwerker Gaert van Dulcken. Ja zeker, ikzelf ben ook regelmatig in het stadhuis te vinden, ambtshalve. Wat ik er precies doe! Ach mijnheer, mijn werkzaamheden zijn velerlei, ik zal er nu niet lang over uitweiden. Houdt het op justitieel medewerker belast met het kweken van goede burgerzin. Helaas wordt mijn werk niet altijd even hoog gewaardeerd. Goedemiddag mijnheer De Mist, hoe maakt U het? Fijn zo. Wat zegt U? Oh, dat is nu jammer. Ja dank U mijnheer De Mist, insgelijks. De man die zojuist het stadhuis binnenging is Jacob de Mist, onze stadsrentmeester. Een belangrijk man, zeker voor mij; hij regelt immers de betalingen aan al het personeel in dienst van de stad. Hij vertelde mij zojuist dat de raad momenteel in zitting is. Het is daarom helaas niet mogelijk het stadhuis van binnen te bezichtigen. Niks aan te doen. Iets voorbij de hoofdingang zien we de Gedeputeerdenpoort. Via deze toegang komen de heren Gedeputeerden van Gelderland op het stadhuis bijeen wanneer de gewestelijke vergaderingen in Nijmegen plaatsvinden. Op het plaatsje achter deze poort werd vijfentwintig jaar geleden burgemeester Roukens onthalsd. Tsja, het was de tijd van de Plooierijen, de wat ouderen onder U kunnen zich die periode nog wel herinneren. Roukens was een Oude Plooier die na door de burgerij te zijn afgezet gewapenderhand probeerde zijn verloren positie te herwinnen. Dat is hem dus niet gelukt. De samenzweerders werden opgepakt en een aantal van hen werd uit de ramen van het stadhuis opgehangen. Roukens zelf kwam, zoals gezegd, op de Gedeputeerdenplaats door het zwaard aan zijn eind. Mooi zwaard overigens, het wordt nog steeds wel eens gebruikt, ligt lekker in de hand....naar het schijnt. Volgt U mij!

We bevinden ons nu in het middelpunt van de oude stad. Op deze plek komen twee andere belangrijke straten op de Burchtstraat uit. In noordelijke richting loopt de Grotestraat steil omlaag de heuvel af, met aan het einde de Kraanpoort die toegang geeft tot de Waalkade. Naar het zuiden ligt de Broerstraat. In de verte ziet U de Wiemelpoort - weer een oude stadspoort die tegenwoordig middenin in stad ligt - die uitkomt op de Molenstraat. Wil men vandaag de dag de stad in deze richting verlaten dan gaat men via de Molenpoort. Op de kruising waar we nu staan worden, wanneer de heren schepenen dit noodzakelijk achten, lijfstraffen voltrokken. Meestal het kleinere werk, brandmerken en zo. Vragen! Hallo Albertus, terug uit Utrecht! Hoe maak je het! Goed! Mooi! Zie je vanavond in 'de Klock'. Excuseert U mij dames en heren, een bekende van mij, een knopenmaker hier uit de Broerstraat. Er gaan wat vreemde verhalen over hem maar het is zeker een aardige kerel.

Dan bezoeken we nu de Grote Markt recht voor U. Zoals de naam al doet vermoeden wordt op dit plein twee keer per week de grootste markt van de stad gehouden. Nu is het nog vrij rustig. Maar morgen, als het weer marktdag is, is het hier een drukte van belang. Van heinde en verre komen kooplui hier hun waar aan de man brengen. Naast de Grote Markt telt Nijmegen nog een aantal andere marktplaatsen die op verschillende plaatsen door de stad verspreid liggen. Zo zijn er onder meer een eiermarkt, een vismarkt en een varkensmarkt. Aan de rand van het plein ziet U het Waaggebouw uit 1613, een van de fraaiste 'commerciële' gebouwen van de stad. Ook hier op de Grote Markt worden zo nu en dan lijfstraffen voltrokken. Bovendien worden veroordeelden hier voor het volk te kijk gezet. Toevalligerwijs staat er momenteel een wetsovertreder te kaak voor de Waag. Ja hoor, als ik het niet dacht. Het is IJf van den Broeck, een notoire dronkelap die regelmatig overlast veroorzaakt en hier al veel vaker heeft gestaan. Aarzelt U vooral niet hem enkele paardenvijgen toe te werpen.

Ik stel voor om nu nog een bezoek te brengen aan de Sint Stevenskerk om vervolgens kennis te maken met gastronomisch Nijmegen. Ik heb de waard van 'de Klock' in de Ziekerstraat beloofd dat we om ongeveer vijf uur zouden aankomen. Als we enigszins voortmaken redden we het precies. Volgt U mij onder de kerkboog door. De boog waar we zojuist onderdoor zijn gelopen komt uit op het Stevenskerkhof met links de Latijnse School en recht voor U de Grote of Sint Stevenskerk. De ruimten boven de boog zelf bieden onderdak aan onze chirurgijns die daar onder meer hun snijkamer hebben. We zullen nu de kerk binnengaan. Ik wil U verzoeken enige stilte in acht te nemen. Dominee Royaards heeft liever niet dat zijn kerk door luidruchtige groepen toeristen wordt bezocht. Ik moet U waarschuwen dat er de laatste tijd verschillende overledenen in de kerk zijn bijgezet; het kan dus zijn dat er een ietwat muffe lucht hangt. De bouw van de kerk begon ongeveer vijfhonderd jaar geleden en nam ruim vijfenvijftig jaar in beslag. In de loop der tijd is er veel aan verbouwd; zo is de huidige toren van veel recentere datum. Met de komst van het ware geloof ging de kerk in 1591 over in gereformeerde handen. Het schijnt een flinke klus te zijn geweest om alle Roomse tierlantijnen uit de kerk te breken. Tevergeefs probeerden de papen nog enkele afgodsbeelden in veiligheid te brengen. De geheime bergplaatsen werden echter ontdekt en de hele poppenkraam werd op de Grote Markt verbrand. Ginds ziet U het zogenaamde "Herengestoelte", de prachtig bewerkte bank van waar de heren bestuurders de dienst volgen.

In deze kerk liggen overigens ook de stoffelijke resten van Maarten Schenck van Nijdeggen begraven. Wellicht heeft U van hem gehoord! Nadat zijn poging om Nijmegen op de Spanjaarden te veroveren mislukte, verdronk Schenck onder het gewicht van zijn wapenuitrusting in de Waal. De Spaansgezinde Nijmegenaren dregden zijn ontzielde lichaam op en hakten het in vier stukken die elk bij een andere toegang tot de stad werden opgehangen. Toen prins Maurits de stad twee jaar later, in 1591, uiteindelijk voor de Staten veroverde gaf hij opdracht de verschillende stukken Maarten Schenck te verzamelen en ze met gepaste eer in de Stevenskerk te begraven. De mislukte aanslag op de stad waarbij Schenck zo jammerlijk aan zijn eind kwam vond overigens plaats bij de Anthonispoort aan de Waalzijde van de stad; daar moet U zeker nog eens een keer gaan kijken.

Vandaag hebben we daar helaas geen tijd meer voor. Als we nu eens rustig richting Ziekerstraat lopen zijn we ruim op tijd. Als er nog vragen zijn beantwoord ik die graag onder het genot van een kroes Molbier. Herbergier Heyssen van "de Klock" schijnt enkele voortreffelijke vaten van dit in de wijde omtrek zeer gewaardeerde bier te hebben aangekocht. Mag U zeker niet missen. Ik wil het officiële programma daarom hier afsluiten en U bedanken voor Uw aandacht. Ik hoop U allen nog eens terug te zien want er is nog zoveel meer te zien in onze mooie stad. Ik zou zeggen, denk aan Uw gids en volg mij naar de Ziekerstraat. Wat zegt U! Waar gaat U morgen naar toe! Arnhem! Maar... ach dat moet U ook zeker zelf weten.
Bjørn Kokke

Deze historische rondleiding verscheen eerder in Palantir, het instituutsblad Leraar en School van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen (jaargang 24, nr. 1, oktober 1999).


Toch gewonnen. Een leesboekje voor de Nijmeegse katholieke jeugd uit 1925 . Nijmeegs Katern jrg. 14, februari 2000, p 7-10

leesboekje "Toon kreeg 'n dubbeltje, glanzend-nieuw. - Hier vent, da's voor jou, omdat je me zoo netjes den weg hebt gewezen. Ik ben heelemaal vreemd in Nijmegen maar nu zal ik 't gemakkelijk vinden." Met deze regels begint een kinderboek uit 1925. Aanleiding om nieuwsgierig verder te lezen ...

Rooms verenigingsleven
In de periode 1902-1922 is in Nederland in tal van plaatsen een begin gemaakt met het inrichten van het katholieke jeugdwerk. In alle bisdommen werden op initiatief van de kerkelijke leiding jeugdverenigingen en jeugdorganisaties opgezet. De jeugdbeweging was - hoewel toegankelijk voor alle lagen van de bevolking - vooral gericht op scholing en (geestelijke) vorming van de arbeidersjeugd die na de lagere school geen verder onderwijs meer genoot. De georganiseerde scholing en vrijetijdsbesteding was tevens bedoeld om de jeugd van de straat en uit het café‚ te houden. Dat laatste was zeker niet onbelangrijk. Het alcoholvraagstuk baarde in die tijd grote zorgen. Erbarmelijke werk- en woonomstandigheden waren niet zelden de aanleiding voor de slechtbetaalde arbeiders om zich via de drank los te maken van de dagelijkse malaise. Zo kwam het nogal eens voor dat de inhoud van het loonzakje op ging aan drank in plaats van aan de dagelijkse benodigdheden van het gezin, met alle problemen van dien. Het werd als een belangrijke taak gezien de jeugd vroegtijdig af te houden van de alcoholische verlokkingen. Na eeuwen van schuilkerken waren de Nijmeegse katholieken in de negentiende eeuw begonnen met de vestiging van eigen kerken en parochies.

Het in de periode 1902-1922 opzetten van het rooms-katholieke verenigingsleven en jeugdwerk in de vorm van congregaties, broederschappen, jongens- en meisjesbonden, patronaten, verenigingen, genootschappen, was een belangrijk instrument in de verdere uitbouw van het rooms-katholicisme in de stad. Evenals elders was er in Nijmegen ook een onderafdeling van Sobrietas, de R.K. Bond tot bestrijding van het alcoholisme, terwijl ook diverse parochie-gebonden verenigingen tegen drankmisbruik waren opgezet. Tevens trad het reclasseringsbureau 'Frederic Ozanam' op als rooms-katholieke reclasseringsinstelling en consultatiebureau voor alcoholisten. Tegen deze Nijmeegse achtergrond blijkt het kinderboekje Toch gewonnen uit 1925 zich af te spelen.

Het verhaal
Het boekje vertelt van de twaalfjarige Toon Verhoeven en zijn broertje Bart en de zorgen die zij hadden omdat vader, die in een timmermanswerkplaats werkte, regelmatig dronken was en het huishoudgeld aan de drank opmaakte. Het gezin woonde nabij de Graafseweg/St.Annastraat even buiten bebouwd Nijmegen dat toen eindigde bij de spoorlijn en de dr. Jan Berendsstraat. De jongens zaten op de school in de schoolstraat. Als bijverdienste deed de moeder de was voor mensen 'in de stad'. Soms ging de jonge Toon naar het station om voor reizigers koffers te dragen om zo ook enkele centen mee naar huis te kunnen nemen. Eens droeg hij zelfs een koffer tot aan de H.Landstichting. Het drankgebruik van vader overheerste het gezin: van agressief dronkemansgedrag tot bittere armoede. Toon kreeg via de vader van een schoolgenootje de uitnodiging lid te worden van de 'Nijmegensche Jongensbond' tegen drankmisbruik. Hij volgde trouw de bijeenkomsten in het patronaatsgebouw 'achter het Valkhoff'. Droevige verhalen en concrete informatie over de gevolgen van drankmisbruik moesten de jongens afhouden van het gebruik van alcoholische dranken. Op een dag werd de vader van Toon wegens dronkenschap door de politie opgepakt. Een veroordeling tot gevangenisstraf volgde. Gelukkig wist de kapelaan van de jongensbond een uitweg: het Reclasseringsbureau. Dat bepleitte bij de rechtbank de omzetting van de gevangenisstraf in een voorwaardelijke straf, op voorwaarde dat de vader geheelonthouder werd. En zo kwam alles gelukkig toch nog goed. Toch gewonnen.

De schrijfster
De boodschap van het leesboekje is duidelijk. Het werd geschreven door de in 1897 in Venlo geboren Anny Hulsmans. Als A.M.A. Berkvens-Hulsmans - en onder het pseudoniem Gertrud Reynen - schreef zij later vooral katholieke meisjesboeken met pedagogische inslag. Toen zij het boekje Toch gewonnen in 1925 schreef, woonde ze in Aalst (bij Eindhoven). Zij was toen zelf jeugdleidster van een meisjespatronaat. Het jeugdwerk in de patronaten moest naar haar vaste overtuiging bestaan uit geregeld godsdienstonderwijs en de bespreking van zedenkundige onderwerpen, alsmede een activiteitenprogramma dat voor meisjes zou moeten bestaan uit huishoudlessen, handwerklessen, een gezellig uurtje en bij gelegenheid kinderverzorging, missieactie, drankbestrijding en bevordering der veelvuldige H. Communie. Haar opvattingen hierover zette zij op 17 december 1924 uiteen in een lezing over de 'Taak der Patronaatsleidsters' tijdens de jaarvergadering van de Federatie R.K. Meisjespatronaten in het Bisdom Breda. Zij pleitte voor discipline, maar ook voor mildheid en vergevingsgezindheid ten aanzien van de kinderen. "En .. en .. och! ., zult gij bij de zedelijke vorming ook 'n plaatsje gunnen aan de drankbestrijding? Ik hoef u zeker niet te zeggen hoe nuttig en noodzakelijk deze actie is. Wij allen kennen immers de diepe ellende waartoe 'n mensch vervalt als hij het dronkemanspad opgaat. Dan gaat hij zoowel lichamelijk als zedelijk ten gronde. Iemand voor dat onheil bewaren is voorwaar 'n mooie daad. Goddank, dat wij als patronaatsleidsters, daar gelegenheid toe hebben, direct en indirect" (pp. 13-14).

Voor de Nijmeegse jeugd
Anny Hulsmans noemt in haar boekje Toch gewonnen de nodige herkenbare straten in Nijmegen. De school in de parochie waartoe de jongens zouden hebben behoord - de HH. Antonius/Annaparochie aan de Groenestraat - was in die tijd alleen toegankelijk voor meisjes. Dus gingen de jongens iedere dag naar de Schoolstraat waar sinds 1896-1897 een school voor lager onderwijs van de R.K. stichting St. Josephscholen was gevestigd, speciaal voor arme kinderen. De wandelingen door de straten van Nijmegen zijn beeldend beschreven. Toch blijven er wel enkele vragen en lijkt het verhaal op details geromantiseerd. Een patronaatsgebouw 'achter het Valkhoff' kon bijvoorbeeld niet worden getraceerd, hoewel zou kunnen worden gedacht aan het gebouw van de voormalige sociëteit Burgerlust, dat in die tijd als R.K. verenigingsgebouw werd gebruikt. Met welke vereniging de 'Nijmegensche jongensbond' zou worden bedoeld, is niet helemaal duidelijk. Er zijn in die tijd een twaalftal drankbestrijdersverenigingen in Nijmegen en de nodige katholieke jeugdverenigingen. Het boek, dat in Brussel is gedrukt, geeft op de titelpagina als uitgever De Boekenhalle in Nijmegen en Leuven. Dit is voor Nijmegen evenwel een fictief adres en dus alleen vanwege verkoopoverwegingen op de titelpagina vermeld. Hoe het ook zij, duidelijk is in ieder geval wel dat het boekje heel bewust werd geschreven voor de Nijmeegse katholieke jeugd, als instrument in de katholieke opvoeding en de strijd tegen het drankmisbruik.

Anny Hulsmans, Toch gewonnen , Nijmegen, Leuven (De Boekenhalle) 1925, 126 p.
Anny Hulsmans, Taak der patronaatsleidsters. Lezing gehouden op de Jaarvergadering van de Federatie van R.K. Meisjespatronaten in het Bisdom Breda, Dongen 1925.
Els F.M. Peters  Naar boven


Commentaar? Suggesties? Vragen?
Mail ons: info@numaga.nl  
Laatst bijgewerkt:
05-09-2007