|
De integrale tekst van alle jaargangen van het Nijmeegs Katern tot en met 2004 is te
raadplegen op de Numaga-cd-rom die in juni 2005 is verschenen. Op deze cd-rom vindt u alle
publikaties van Numaga vanaf 1954 tot en met 2004. Voor bestelinfo, klik hier.
Verkenning van het verzet in Nijmegen tijdens de Tweede
Wereldoorlog
Op 3 mei 2005 organiseerde Numaga een bijeenkomst ter gelegenheid van de aanbieding van
het boek over de Nijmeegse gynaecoloog en verzetsman Daniël van Vugt getiteld Vraag
niet om mijn bevrijding. Het leven van Daniël van Vugt, 2 mei 1896 - 2 mei 1945. Dr.
Henk Termeer hield bij die gelegenheid een lezing over het verzet in Nijmegen tijdens de
Tweede Wereldoorlog, waarvan een samenvattende tekst is gepubliceerd in Nijmeegs Katern
jrg. 19 (2005), nr. 4, pp. 50-58.
Verzet en protest
Met de komst van de Duitse bezetter in mei 1940 trad een nieuwe overheid aan. En die
nieuwe overheid kondigde al snel een groot aantal nieuwe, ingrijpende regels en
verordeningen af; dat noemde hij: de `nieuwe orde'. Deze nieuwe orde behelsde dus een
nieuwe `legaliteit'; daarin werden naast de vanouds al illegale vormen van verzet ook de
meeste traditioneel légale uitingen van protest en verzet verboden en vervolgens met
harde hand bestreden. Zo was het voortaan illegaal en onwettig om actief te zijn voor een
verboden politieke partij of voor een niet-toegestaan blad, om uitlatingen tegen de NSB of
de Duitsers te doen, om te luisteren naar de Engelse zender, om zich niet melden voor de
`Arbeitseinsatz' en vervolgden te helpen. Het zijn allemaal voorbeelden van
levensgevaarlijk geworden uitingen van protest (= uiting dat men het niet met de gang van
zaken eens is) en verzet (= tegenwerking). Daarmee had de nieuwe orde dus ook protest en
verzet in zekere zin gelijkgeschakeld; immers vrijwel iedere verboden uiting van protest,
ook als die zich slechts tegen één maatregel richtte, kreeg nu het stempel van algehele
anti-Duitse tegenwerking, van `totaal en illegaal verzet'. Wie bijvoorbeeld een illegaal
blad verspreidde of onderduikers herbergde, kon als anti-Duitse terrorist worden
gearresteerd en streng worden gestraft.
Naast illegaal protest/verzet bleven er toch uitingen van legaal of bovengronds protest of
verzet mogelijk. Denkt u aan symbolische acties als Anjerdag (29 juni 1940, de verjaardag
van prins Bernhard), het minachtend bejegenen van Duitsers en NSB-ers, de ambtelijke
vertragingstactieken en - met meer risico - het openlijk en individueel weigeren om een
opdracht uit te voeren of het demonstratief ontslag nemen. `Verzet' en `illegaal werk'
zijn dus niet hetzelfde. Verzet is het afbreuk doen aan de bezetter en zijn belangen,
ofwel door hem direct schade te bezorgen of door zijn tegenstanders te helpen. Binnen het
verzet zijn legale en illegale activiteiten te onderscheiden. Beide werden veelal naast
elkaar bedreven en niet zelden door dezelfde personen.
Georganiseerd
verzet start laat
Het verzet in Nederland kwam pas sinds 1943 goed op gang; Nijmegen vormt daarop geen
uitzondering. Daarvoor zijn verscheidene redenen aan te voeren. Vaak wijst men op de
omslag in de krijgskansen aan het einde van 1942 (Slag om Stalingrad). Maar duidelijk is
dat door die omslag de repressie door de bezetter groter werd. Die repressie stimuleerde
op haar beurt weer het ontstaan van een breder en georganiseerd ondergronds verzet. In
West-Europa en Nederland had het Duitse bewind aanvankelijk een zo vriendelijk mogelijk
gezicht. Juist de Nederlandse mede-Germanen dacht men aan Duitse kant met overtuiging en
enige zachte drang in het nationaal-socialistische spoor te kunnen krijgen. De Nederlandse
bevolking was dus niet aan oorlog gewend en kwam sterk onder de indruk van de schijnbaar
grenzeloze Duitse successen. Zij nam voorlopig een afwachtende, nogal wantrouwende houding
aan. De haatgevoelens richtten zich de eerste bezettingsjaren nog voornamelijk op de NSB.
Ondanks dit afwachten vindt men al vrijwel sinds het begin van de bezetting enkele eerste
uitingen van anti-Duits verzet. Deze eerste protest- en verzetsdaden waren zeer
verschillend van aard: je had massale demonstraties als Anjerdag en de Februaristaking van
1941, je had de eerste illegale vlugschriften, de hulp aan ontvluchte krijgsgevangenen en
incidenteel ook al sabotage. Maar deze verzetsactiviteiten hadden gemeen dat er geen
organisatie achter stond. Het waren veelal individuele en incidentele acties. De
verontwaardiging over bepaalde maatregelen van het bewind en het hulpbetoon aan zijn
slachtoffers hadden nog geen vaste vorm gevonden. 'Men deed wat zijn hand te doen vond' en
deed dat gezien het gebrek aan verzetservaring uiteraard op een amateuristische,
improviserende manier. Loes Derks schreef in 1988 een doctoraalscriptie over het verzet in
Nijmegen in die eerste, ongeorganiseerde fase. In Nijmegen vond zij in die allervroegste
periode van mei 1940 tot medio 1942 drie groepen, die deels uit oud-militairen bestonden
en voorlopers waren van de OD, de Ordedienst. Dat waren: het Legioen Oud-Frontstrijders
(LOF) met o.a. Nico van der Stadt, en de Oranjewacht o.l.v. Johan Boerrigter; deze groepen
wilden bij een invasie de geallieerde legers de helpende hand kunnen bieden. Daarom
verrichtten ze spionage, verzamelden ze wapens en bereidden ze een overgangsgezag voor. De
derde groep was puur lokaal van karakter: dat was de groep-Hogerland; deze richtte zich in
het bijzonder op spionage. Deze eerste paramilitaire groepen werden allemaal nog voor
medio 1942 door de Sicherheitsdienst opgerold. Dat was veelal het gevolg van gebrek aan
ervaring met opzetten van illegaal werk. De meeste betrokkenen werden gearresteerd en
gefusilleerd; Nico van der Stadt, Johan Boerrigter en Martin Cavaljé waren de namen van
de eerste dodelijke slachtoffers van het verzet in Nijmegen.
Redenen
van de late start
De bezetter deed er vanaf de eerste bezettingsdag alles aan om de Nederlandse
overheidsdiensten naar zijn hand te zetten en mogelijke verzetshaarden op te sporen en uit
te roeien. Het burgerbestuur werd onder curatele gesteld en in Nijmegen werd na een
confrontatie tussen de WA, de weerafdeling van de NSB, en de politie in september 1941
politiecommissaris Veltman vervangen door het lid van de Germaanse SS Van Dijk. Die vormde
vervolgens in de loop van 1942 binnen het politieapparaat de zogeheten Politieke Dienst,
een onderdeel o.l.v. de NSB-er luitenant Verstappen. Die politieke dienst bestond uit een
tiental foute agenten, onder wie de beruchte Wiebe en De Ruiter. Die politieke dienst van
politie ontwikkelde zich in Nijmegen tot een gevreesd instrument van de bezettende macht;
ze werd met name bij de vervolging van joden en verzetsstrijders ingezet.
In mei 1942 werd burgemeester Steinweg met pensioen gestuurd. Zijn functie werd voorlopig
waargenomen door wethouder Van der Velden. Begin 1943 kreeg Nijmegen haar eigen
NSB-burgemeester in de persoon van Van Lokhorst. Die draaide, zoals Beijer in zijn
scriptie beschrijft, meteen de duimschroeven aan en drong aan op tewerkstelling van
ambtenaren in Duitsland. Onder waarnemend burgemeester Van der Velden waren diverse
hoofden van dienst nog bereid geweest om voorlopige lijsten op te stellen van
personeelsleden die in aanmerking kwamen voor tewerkstelling in Duitsland. Maar toen
NSB-burgemeester Van Lokhorst aantrad en de uitzending wilde doordrukken, leidde dat in
februari 1943 tot werkweigering door alle hoofden van dienst behalve politiecommissaris
Van Dijk. De tien weigeraars werden meteen daarop geschorst. Zeven van hen werden
gearresteerd en naar Vught gevoerd en de overige drie doken onder.
Intussen waren ook de meeste traditionele particuliere belangenorganisaties zo snel
mogelijk ontmanteld of gekortwiekt. Zo werd men bijvoorbeeld beroofd van de eigen
politieke partij, de eigen vakbond, de eigen omroep en de eigen kranten en tijdschriften;
zo moest De Gelderlander vanaf medio maart 1942 zijn uitgave staken. Ook een nieuwe
organisatie binnen het kader van de nieuwe orde als de Nederlandse Unie werd eind 1941
toch weer verboden; haar bruikbaarheid als instrument van de bezetter was ondermijnd
doordat ze sinds de oprichting in juli 1940 een verzamelcentrum was geworden van nationaal
protest. In Nijmegen kreeg de Nederlandse Unie o.l.v. Ten Hagen, Bijvoet en Moormann een
opmerkelijk grote omvang: ruim 8000 leden in december 1941. De Nederlandse Unie bundelde
de anti-NSB-gevoelens en op straat leidde dat geregeld tot confrontaties tussen de
colporteurs van de bladen De Unie en Volk en Vaderland). In de Unie vond ook de eerste
samenwerking plaats tussen protestantse en katholieke jongeren die doorbreking van de oude
verzuiling voorstonden. Een opmerkelijk aantal verzetsmensen had elkaar voor het eerst in
de Unie getroffen. Tegen de tijd dat de groeiende repressie zich tegen alle burgers
richtte en georganiseerd verzet nodig maakte ? in de loop van 1943 ? , waren de
vertrouwde, traditionele organisaties dus al grotendeels opgeruimd en kwamen de meeste
burgers alleen te staan voor heel drastische beslissingen. De enige organisaties die de
bezetter niet durfde of wist te ontmantelen, waren: de kerken met hun structuur van
bisdommen en parochies en een enkele illegale beroepsorganisatie als Medisch Contact.
Repressie baart verzet
Ook in Nijmegen kwam de groei en de organisatie van het verzet dus laat op gang.
Medio 1943 was het immers al te laat voor de circa 340 joodse inwoners van Nijmegen die al
in 1941 en 1942 waren opgehaald en naar Westerbork en het Oosten waren gedeporteerd. Het
absolute dieptepunt werd bereikt in de razzia in de nacht van 17 op 18 november 1942. In
totaal werden in die nacht 196 joden weggevoerd. De joden waren toen opgehaald door
koppels van twee politieagenten of marechaussees van wie er steeds één fout was; mede
daardoor waren er nauwelijks waarschuwingen uitgegaan. Na de bevrijding keerden slechts
vijftig van de in totaal 440 gedeporteerde Nijmeegse joden levend terug.
Pas een half jaar later, rond mei 1943, namen de gevaren ook voor de rest van de bevolking
toe. Er dreigde tewerkstelling voor de studenten, de vrijgelaten Nederlandse militairen
werden weer in krijgsgevangenschap teruggeroepen en grote groepen mannen werden voor de
Arbeitseinsatz aangewezen. Het gevolg was dat er op grote schaal ondergedoken en geholpen
moest worden. De kleine verzetskernen, waaronder de groep-Poelen en de
studentengroep-Fredericks, hadden tot dan toe allerlei soorten illegaal verzetswerk naast
elkaar gedaan: het verspreiden van illegale bladen, hulp bieden aan onderduikers, maken en
verspreiden van pamfletten en soms het plegen van sabotage. Als gevolg van de Meistakingen
in 1943 werden Anton Fredericks en de twee broers Van der Veer gefusilleerd.
Na die stakingen nam het aantal onderduikers spectaculair toe en werd duidelijk dat men
aansluiting moest zoeken bij de betere mogelijkheden van de nationale illegale
organisaties als de Landelijke Organisatie voor Onderduikers en de Landelijke Knokploegen.
Op 8 juli 1943 werd de gevreesde politiecommissaris Van Dijk door Henk Romeijn, een
illegale kennis van de groep-Fredericks, in de Hertogstraat neergeschoten; Van Dijk werd
zwaar gewond en overleed op 31 augustus 1943 alsnog aan zijn verwondingen. Als commissaris
werd hij opgevolgd door het lid van de Germaanse SS Van Aperen. Romeijn werd op 5 april
1944 in kamp Vught gefusilleerd.
De
voorhoede van het verzet
Natuurlijk, het overgrote deel van de Nederlandse bevolking was tegen de Duitse
bezetting gekant. Maar slechts een heel klein gedeelte van die bevolking heeft zich actief
en in georganiseerd verband tegen de Duitse bezetter verzet. Recente schattingen komen
voor het hele land op een aantal van ongeveer 25.000 illegale werkers in de periode tot
september 1944. Dat getal van 25.000 komt neer op ongeveer twee personen op 1000 inwoners.
In Nijmegen, toen een stad van 100.000 inwoners, waren er inderdaad nooit veel meer dan
220 actieve illegale werkers. Toch zeggen die getallen lang niet alles over het verzet,
want ook de verhouding tussen die kleine groep illegale werkers en de bevolking is van
belang. De illegale werkers vormden de harde kern van het verzet en konden voor hun
verboden activiteiten een beroep doen op een wat bredere kring van incidentele helpers en
op diverse vormen van ondersteuning door de overwegend anti-Duits gezinde bevolking.
Veelzeggend voor de trage start en de snelle verharding van de verzetsstrijd zijn in dit
verband ook de overlijdensdata van degenen die in of in verband met verzetsactiviteiten
omkwamen. Kort na de bevrijding werd een lijst opgesteld van de 65 Nijmeegse
verzetsslachtoffers. Van die 65 kwamen kwamen er geen om in 1940 en 1941, in 1942 vielen
de eerste 6 slachtoffers, in 1943 volgden er weer 6, in 1944 niet minder dan 34 en in 1945
nog eens 19. Als we het aantal omgekomen verzetsmensen (65) afzetten tegen het totale
aantal dat illegaal verzetswerk deed (hooguit 220), dan blijkt dat bijna een van de drie
het riskante verzetswerk met zijn leven heeft moeten bekopen!
Een van die 65 was dokter Daniel van Vugt. Hij werd gearesteerd en gevangengezet als
gevolg van de beruchte gebeurtenissen van 24 september 1943. Dokter Van Vugt had namelijk
Frans Prick, die inspecteur van politie was en deel uitmaakte van de verzetsgroep-Poelen,
geholpen te vluchten. Dat gebeurde toen de eerste tekenen erop wezen dat een
verzetscontact met de schuilnaam 'Ederveen' misschien wel een verrader was. Via de
vermeende geheime agent 'Ederveen' -hij was in feite een infiltrant van de SD, de
Sicherheitsdienst- hoopte de groep-Poelen wapens en explosieven te krijgen. Die had men
nodig om gewapende overvallen te kunnen plegen op distributiekantoren en gemeentehuizen.
Daarmee kon men immers de grote aantallen distributiebonnen, formulieren en stempels
bemachtigen waarmee het groeiende aantal onderduikers verzorgd en beschermd zou kunnen
worden.
Verzet baart repressie
De gevolgen van deze mislukte aanslag op 'Ederveen' in Poelens drogisterij aan het
eind van de Daalseweg waren bijzonder ernstig. Er werden in totaal 27 personen
gearresteerd. Allereerst was het met het politieverzet daarna grotendeels gedaan: de
politiemensen Marcusse, Oolbekkink, Hendriks en Beerman werden immers gefusilleerd en alle
andere illegale werkers bij de politie doken onder. De groep-Poelen, die net aansluiting
had gevonden bij de Landelijke Organisatie voor Onderduikers in Noord-Gelderland en in
Limburg, werd uiteengeslagen door arrestaties en gedwongen onderduik. Vanuit de restanten
van die groepen werd het illegale verzetsnetwerk weer opnieuw opbouwd tot de Duikpot
Nijmegen van de LO. Dat het verzet in Nijmegen zich zo vlot van deze aanslag wist te
herstellen, mag wel een wonder heten. Want in het jaar dat volgde, kregen Nijmegen en zijn
bevolking het door geweld van oorlog en bezetting pas echt zwaar te verduren. Het
verwoestende bombardement van 22 februari 1944, de hevige strijd om de bevrijding van de
zwaar gehavende stad in september en de slopende zes maanden als frontstad maakten 1944
tot een rampjaar in de Nijmeegse geschiedenis: er waren in totaal meer dan 1500 dodelijke
slachtoffers te betreuren, de stad telde met 1200 het grootste aantal oorlogsverminkten
van Nederland en grote delen van de oude binnenstad waren zo grondig geruïneerd dat ze
nooit meer in haar oude glorie zou herrijzen.
Illegaliteit als schokdemper
Bij nader inzien werkte de illegaliteit als een soort schokdemper of bumper tegen de
Duitse bezetting; ze vormde als het ware het uiteinde van een periscopische vering,
doordat ze zelf was ingebed in de steun van een kring van helpers, die op haar beurt weer
gedragen werd door de sympathie van de bevolking. Aldus kon het ondergrondse verzet
geïsoleerd en toch effectief opereren met zo weinig mogelijk risico's voor de bevolking;
de vele slachtoffers die er in het illegale werk vielen konden vanuit de bredere groep van
helpers ook vrij snel weer worden aangevuld.
Het Nederlandse en het Nijmeegse ondergrondse verzet waren sterk gericht op de bevolking.
Dat uit zich door een dominante rol van de illegale pers en van de
verzorgingsillegaliteit, d.w.z. de illegale organisaties die vervolgden hielpen.. Zo werd
na juli 1943 het illegale blad Christofoor in Nijmegen gemaakt, en kenden bladen als Je
Maintiendrai, Vrij Nederland, Trouw, De Waarheid en Het Parool een brede verspreiding,
deels door eigen verspreidingsgroepen. De bevolking had bij het offensieve, gewapende
verzet nogal eens de nodige bedenkingen; termen als avonturiers en onverantwoordelijke
elementen vielen herhaaldelijk. Maar de illegale pers en de verzorgingsillegaliteit kregen
veelal wél steun en bereikten op den duur een grote omvang. Deze vormen van illegaal
verzet richtten zich op versterking van de verzetsmentaliteit van de bevolking en op het
lenigen van de nood van hen die door de bezetter werden vervolgd: te weten onderduikers,
joden, krijgsgevangenen, geallieerde vliegtuigbemanningen en illegale werkers uit het
verzet. De wezenstrekken van het Nederlandse illegale verzet waren dan ook: de bevolking
de waarheid te zeggen en de slachtoffers te beschermen.
Eigenaardigheden van het verzet in Nijmegen
Wat was er nou typerend voor het Nijmeegse verzet? De volgende punten lijken daarbij
van belang.
- Nijmegen kende een grote afdeling van de Nederlandse Unie, waaruit diverse
verzetsactiviteiten zijn voortgekomen (Ten Hagen, Beermann, Christofoor, verspreiding JM)
- Nijmegen vervulde een brugfunctie tussen het verzet in Noord- en Zuid-Nederland; ik heb
dat niet eerder genoemd maar bij diverse illegale activiteiten vormde Nijmegen de
schakel tussen Limburg en het Noorden: zo was Nijmegen deel van district Limburg van de LO
- de eensgezinde werkweigering door de gemeentelijke hoofden van dienst om onder een
NSB-burgemeester personeel voor tewerkstelling in Duitsland aan te wijzen
- de verhoudingsgewijs grote rol van priesters: pater Titus Brandsma voor de pers, pater
Ten Berge in de knokploeg Nijmegen, de paters Timmers, Van Doormalen, Ter Ellen en
Vastbinder in het onderduikwerk
- de verhoudingsgewijs grote rol van studenten: Jan van Hoof in de Geheime Dienst
Nederland bij het inlichtingenwerk en de sabotage, Anton Fredericks bij de
April-Meistakingen, Wim van Kempen bij Christofoor, Jacques de Weert in de
Falsificatiecentrale, Jos van Hövell in het studentenverzet.
Besluit
Het verzet en de illegale werkers zijn van groot nationaal en lokaal belang geweest,
ook al hebben ze maar kort en hevig bestaan en al is hun effect op de bezetter
betrekkelijk gering geweest. Na de nederlaag van het Nederlandse leger was het illegale
verzet tijdens de bezetting namelijk zowat het enige teken van Nederlands voortgezette
strijd en onafhankelijkheidswil. Als zodanig vormde het de kwetsbare schakel tussen het
historische Nederland van voor 1940 en het toekomstige Nederland van na 1945. Het verzet
en de illegale pers wisten de bevolking namelijk moed in te spreken en morele steun te
geven in haar afwijzing van het bewind van de bezetter en in haar streven naar bevrijding
en naar herstel van zelfstandigheid. Het illegale verzet belichaamt kortom de vrijheidswil
van het Nederlandse volk. De verzetsmensen vormden eigenlijk een speciaal soort
volksvertegenwoordigers in oorlogstijd. Door hun rug recht te houden, door zich te
gedragen als 'het geweten der natie' en door te spreken als 'de stem van strijdend
Nederland' hielden ze de rest van de bevolking geestelijk overeind. Aldus droegen ze
beslissend bij aan het behoud van het nationale zelfrespect. In de grootste bestaanscrisis
die Nederland ooit gekend heeft, was dat een heel grote verdienste. Daarom moet die
geschiedenis van het verzet beschreven, gekend en herdacht worden.
Henk Termeer
Bronnen en studies over het Nijmeegse verzet
1. er is natuurlijk weinig bronnenmateriaal uit de oorlog bewaard; het is dus veelal
achteraf verzameld en bevat nogal wat strijdige getuigenissen en is daardoor lastig te
gebruiken:
a. het archief van de Commissie Verzetsdocumentatie (1947-1949: pater Timmers, E.H.
Broekkamp, Vic Beermann, A. van Hedel en gemeentearchivaris dr. J. de Jong): 60 mappen met
verklaringen, interviewverslagen, rapporten en brieven
b. de verzameling-Driever: het resultaat van gezamenlijk project van de gemeente Nijmegen
en de afdeling Nieuwste Geschiedenis van de KU Nijmegen in 1985-1986: verslagen van circa
30 interviews met getuigen inzake verzet en jodenvervolging
c. het archief van de afdeling Nijmegen van de Gemeenschap Oud-Illegale werkers Nederland:
met ledenlijsten en ballotagerapporten uit de jaren 1945-1947
2. Twee scripties:
a. Loes Derks, Je deed wat je hand te doen vond. De ontwikkeling van het verzet in
Nijmegen in zijn eerste, ongeorganiseerde fase, mei 1940-oktober 1943 (1988)
b. Arie Beijer (), Gemeentelijk beleid in bezettingstijd (1988)
3. Het meeste werk is dus nog te doen aan de periode september 1943 tot september 1944,
toen het verzet sterk toenam en toen de confrontatie het hardst was; bijvoorbeeld de
aanslag op een SD-er op het Stationsplein in juli 1944 en de afkondiging van het
standrecht half augustus; verder de opkomst van een massale bevrijdingsillegaliteit).
|
Ronselen voor de
VOC
Nijmeegs Katern 16, oktober 2002, p.50-54 Bij 'het
Witte Paard'
In de vroege wintermorgen van 29 januari 1768 liepen twee mannen langs de Oude
Kleefsebaan, die toen nog 'Cleefsche weg' werd genoemd, in de richting van Nijmegen. Ter
hoogte van de herberg 'het Witte Paard' werden ze aangesproken door Jan Reimer en Frederik
Medinger uit het Duitse Brandenburg die in de herberg hun intrek hadden genomen 'om ten
dienste van de Oost-lndische Compagnie volk ter zee te engageren'. Zij vroegen de
reizigers waar ze vandaan kwamen en wat het doel van hun tocht was. Zij bleken uit
Duitsland te komen en waren op weg 'nae de Stad om arbeyd te soecken'. 'Gij moet mede na
Oostindien vaeren, dan kun je hups geld verdienen, gij kunt hier geen arbeyd krijgen' zo
reageerde Reimer. Johan George Arnhold, zoals een van de werkzoekenden heette, zei daarop
dat hij daar geen zin in had, omdat hij 'lust had om zijn profession te rijden' (zijn
beroep uit te oefenen). En, zo voegde hij eraan toe, 'daer kun je mij niet toe dwingen'.
'Wij sullen u daertoe dwingen!' riep daarop de ronselaar Medinger, 'slaende de belaegde
persoon teffens met een stok over de schouwder'. De andere gastarbeider was er inmiddels
vandoor gegaan. De gewelddadige personeelswerver en zijn maatje sleepten vervolgens hun
slachtoffer voort en sloegen hem met een stuk hout. 'En wanneer deselve weder op de beenen
geraakt was, de beklaegde hem bij de haeren gegrepen (heeft) en wederom op de grond
geworpen heeft, seggende teffens "toe hond, gij sult meegaen"'. Toen de man
bewusteloos op de grond lag, is de hoofddader, Frederik Medinger, 'op hem gaen loopen'. Na
de arrestatie van de twee criminelen werd op 27 februari 1768 op het Nijmeegse Valkhof in
deze zaak door het Waldgericht recht gesproken. De 'sententie' luidde als volgt. Medinger,
die de mishandeling had gepleegd, zal 'gebragt worden ter plaetse alwaer men op het
Nederrijxe walt gewoon is criminele sententie te doen. Aldaer (zal hij) ten excemple en
afschrik van anderen door den scherprichter strengelijck met roeden worden gegeeselt en
gebrandmerckt'. Verder moest hij zes jaar in het Provinciale Tuchthuis in Arnhem worden
'geconfineert ten einde aldaer met sijn handen arbeyt te winnen'. Na het uitzitten van die
straf volgde verbanning uit het Nederrijkswald 'op poene van swaardere straffen'. Reimer
kreeg in 1770 twee jaar strafvermindering vanwege zijn goed gedrag.
Werken voor de VOC
De Verenigde Oost-Indische Compagnie had zeer veel mensen in dienst. Dat personeel
was nodig voor de bemanning van de handelsschepen, de begeleidende marineschepen, de
handelskantoren, werkplaatsen, medische zorg en onderwijs. Bovendien was zowel op zee als
in het verre Indië het sterftecijfer hoog. Van Gelder komt voor de achttiende eeuw op een
aantal van ongeveer 7000 nieuwe arbeidsplaatsen per jaar. Hij schat dat er gedurende het
bestaan van de VOC (1602-1795) bijna een miljoen mensen uit of via de Republiek naar
Oost-lndië en aangrenzende gebieden zijn vertrokken. Daarvan is minder dan een derde
teruggekeerd. Een groot deel van de werknemers kwam uit het buitenland. De barre
omstandigheden van de reis en het risicovolle verblijf in Indië maakten het voor de
inwoners van de Republiek niet zo aantrekkelijk om dienst te nemen bij de VOC. Het
merendeel van de buitenlandse werknemers was afkomstig uit Duitsland. Die toestroom is
vooral te verklaren uit de grote armoede en de vele oorlogen in de Duitse gewesten. Naar
schatting trokken halfweg de achttiende eeuw elk jaar 33.000 Duitse 'gastarbeiders' naar
de Republiek om er tijdelijk of permanent werk te zoeken. De werving van matrozen,
arbeiders en ambtenaren voor de Compagnie gebeurde op een vrij nette manier door de
'kamers' van de VOC in de grotere steden van de Republiek. Die kamers zijn te vergelijken
met de tegenwoordige uitzendbureaus. Maar in de kroegen in de grote steden waren ook
'zielverkopers' actief. Zij zorgden ervoor dat arme lieden zich door drank, vrouwen en
hoge pensionprijzen in de schulden staken die ze alleen konden aflossen als ze zich aan
hun schuldeiser en indirect aan de VOC 'verkochten' door aan te monsteren op de vloot.
Openlijke ronselpraktijken kwamen volgens Van Gelder niet voor, met uitzondering van de
werving voor de marine tijdens de Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784). Het hiervoor
beschreven geval zal ongetwijfeld niet de enige uitzondering van voor of na die tijd zijn
geweest. De 'economische vluchtelingen' uit Duitsland kwamen de Republiek binnen via
enkele hoofdroutes. Een ervan liep langs de Rijn via Nijmegen en Utrecht naar Holland.
Sommige werkzoekenden kwamen per schip, de minder draagkrachtige lieden gingen te voet en
hoopten onderweg gratis onderdak te vinden. Het is begrijpelijk dat malafide personen,
zoals de twee gasten van het Witte Paard, hun fuik ergens langs een van de wegen naar het
Westen opstelden om hun ronselpraktijk uit te oefenen. Logementen en herbergen waren er
rond Nijmegen veel, vooral langs de invalswegen uit het zuiden en oosten. Buiten de
controle van de stedelijke politie gelegen, waren die herbergen vaak broeinesten van
geweldpleging. Vooral het Nederrijkswald werd onveilig gemaakt door zwervers en
gedeserteerde soldaten.
De plek van de misdaad
De herberg waar, zoals dat in het archief wordt beschreven, 'het Witte Paerd uithangt' was
het onderkomen van de twee boeven. Zij stond op de plaats waar nu een kleine villa dicht
op de weg tegenover de diepe geul van het Kerstendal Staat. 'Het Witte Paard' is
aangegeven op de kaart van het Nederrijkswald getekend door landmeter Jan van Aarden in
1758. Ook iets verder richting Nijmegen lag aan de overzijde van de Oude Kleefsebaan
herberg 'de Posthoorn', en verderop naar Wyler lag ongeveer tegenover de afslag naar de
Watermeerwijk nog een herberg 'waar de Koning van Pruisen uithing'. Het Witte Paard werd
in 1815 met het erachter gelegen landgoed De Kitselenberg door de erfgenamen van de
Nijmeegse oud-burgemeester Sanders van Well verkocht aan een heer met de welluidende naam
Benedictus Pasquinelli. Het werd in 1822 omschreven als 'eene Hofstede, oudtijds het Witte
Paard, thans genaamd Berg en Daal, bestaande in eene nieuw getimmerde Heeren Huizinge...'.
Blijkbaar had het toen al niet meer de functie van herberg.
Het Waldgericht
De grens tussen het Nederrijkswald en de heerlijkheid Beek liep aan de Beekse zijde
van de 'Cleefse weg' die bij het Nederrijkswald hoorde. Dat het geweldsmisdrijf binnen de
grens van het Wald plaatsvond, had belangrijke consequenties voor de rechtspleging. Het
Nederrijkswald was in de Middeleeuwen een van de grote grafelijke, later hertogelijke
bosdomeinen van Gelderland. Het strekte zich uit van de zuidrand van het Nijmeegse
Schependom tot de grens met Kleef en werd aan de oost- en westkant begrensd door de
heerlijkheden Beek, Ubbergen, Heumen en Malden. Vanaf 1559 werd het bijna twee en een
halve eeuw lang, tot de Bataafs-Franse tijd, namens de Staten van Gelderland beheerd door
de Gelderse Rekenkamer in Arnhem. Aan het eind van de zestiende eeuw hebben de Staten voor
de rechtspraak in civiele en criminele vergrijpen die in het Nederrijkswald gepleegd
werden, het Waldgericht ingesteld. De door hen benoemde en beëdigde Waldgraaf trad op als
voorzitter van deze rechtbank waarvan verder twee waldschepenen lid waren. Bij de
rechtspraak baseerde men zich vooral op de Waldordonnantie, een soort van beheersreglement
voor het Nederrijkswald. De stad Nijmegen meende echter dat door de bemoeienis van de
Rekenkamer haar aanspraken op het Nederrijkswald (dat immers in 'haar' Rijk van Nijmegen
lag) beknot werden en verzette zich tientallen jaren tot het uiterste tegen de instelling
van het Waldgericht en de afkondiging van de Ordonnantie. In 1677 werd een compromis
gevonden; de civiele zaken zoals houtdiefstallen en stroperij mocht het Waldgericht
blijven behandelen. De criminele rechtspraak, waartoe het hiervoor beschreven geval
hoorde, had Nijmegen altijd al voor haar Schepenbank opgeëist. Maar voor de 'criminele
jurisdictie' zou het Waldgericht voortaan worden aangevuld met vier 'gecommitteerde'
schepenen van de Stad. Het Waldgericht dat eind februari 1768 voor de hiervoor beschreven
zaak bij een kwam, bestond uit Pieter Verschoor (die als oudste waldschepen de vaak
afwezige waldgraaf Carel van Bijlandt verving), Stephanus Grevelaar, Simon van Leeuwen,
Frans van der Steen (die ook optrad als waldschrijver ofwel secretaris-griffier), Adriaan
van den Bergh, Hendrik Willem van Grootenray en Hendrik Pieck ('noodschepen'). Een
bijzondere vermelding verdient nog de 'plaats van de criminele sententie'. Omdat het
aantal diefstallen en gewelddaden in het Nederrijkswald in de achttiende eeuw steeds
groter werd, heeft de Rekenkamer in 1710 'mede tot afschrik en exempel' een galg laten
oprichten, wellicht heroprichten. Dit strafwerktuig stond dicht bij de Molenbosweg in Berg
en Dal, iets ten noordwesten van de huidige tennisvelden. De waldgraaf ontving voor elke
criminele rechtszaak 12 gulden en als de dader moest worden opgehangen dan incasseerde hij
nog 30 gulden extra.
Soms komt men bij archiefonderzoek onverwachte zaken tegen. Die leiden soms langs een
zijpad naar heel andere historische onderwerpen dan die waarop het eigenlijke speurwerk is
gericht. Zo stuitte ik bij mijn onderzoek naar de bosgeschiedenis van het Nederrijkswald
in het oudrechterlijk archief van de Gelderse Rekenkamer op het hiervoor beschreven
misdrijf dat verband bleek te houden met de strategische ligging van Nijmegen en omgeving
als doorgangsroute van Duitse 'gastarbeiders' voor onder meer de VOC. Louche figuren als
Jan Reimer en zijn maat probeerden daarvan te profiteren. Een systematisch onderzoek naar
deze 'doorgangsfunctie' van de stad Nijmegen voor migratiestromen kan als een aspect van
haar sociaal-economische geschiedenis misschien interessante nieuwe inzichten opleveren.
Klaas Bouwer
|
|
Steenkuilendal
Sinds mensenheugenis heette de Driehuizerweg Moocksestraat, die weer de opvolger was van
de heerbaan tussen Romeins Nijmegen en Maastricht. Het recente onderzoek van de
stadsarcheologen op het terrein van De Driehuizen gaat ook in deze richting. Zoals bekend
lag even zuidelijker in het huidige Heumensoord de kortgeleden geconserveerde militaire
wachtpost die de weg beschermde. We gaan zuidelijk en komen op de T-splitsing van de
Scheidingsweg, die bergopwaarts overgaat in de Sionsweg. Dit duidelijk herkenbare
ingeslepen erosiedal -ooit als beek uit de Merwijk (Meerbeek)- is het authentieke
wegtracé dat nog tot begin deze eeuw achter Sionshof (ten noorden van de Hoge Langenberg)
richting Grootstal ('t Stalse Dael) liep om in de natte broekgronden bij Hatert uit te
komen. In feite volgen we vanaf het Groeske (Heilig Landstichting) de actuele
gemeentegrens! Net als grote delen van het achterland wateren deze gebieden af op de Maas.
De Sionsweg/Scheidingsweg komt in de bronnen voor als Steenkuilendal, als verwijzing naar
de dikke grindpakketten (afspoelsel sinds de IJstijd). Bij het Groeske/Sionshof is er een
aansluiting op de Nijmeegse Baan; deze is in het verleden overigens vaak opgehoogd of
ingegraven, zoals ten noorden van de Nebo.
Pannenfabriek
De d'Almarasweg is een eind vorige eeuw opgewaardeerde privé veldweg naast het pand
van de advocaat F.H. d' Almaras (hoek Driehuizerweg) die weer relaties had met de
eigenaars van het buiten Mariënbosch en de Beekse dominee Exalto d' Almaras die in 1829
overleed. Is dit misschien een gekerstende joodse familie van Portugese komaf? De
Panovenlaan was ooit ook een veldweg. Naamgever werd de in 1879 opgerichte steen- en
vormbakkerij Hamer & Co noordelijk van de Josualaan die tot even na de eerste
wereldoorlog actief was. De 'stoomdakpannenfabriek' exploiteerde de grote
leemconcentraties in het gebied waarvoor zelfs een smalspoor werd gebruikt. Oostelijk
runden Van der Wedden & De Kruijf op de Holdeurn -toen Pruisisch- een nagenoeg
identieke fabriek. Veel 'putten' en vergravingen zijn nog in het landschap op en rond de
Heilig Landstichting te vinden zoals bij speeltuin De Leemkuil en op het goed Nieuwland.
Toen de leem op raakte, werd de grondstof vanuit Duitsland aangevoerd. 'Hamer' maakte
gebruik van de nieuwe spoorlijn Nijmegen-Kleef (1865) die 'voor zijn voordeur' lag met
later de halte Heilig Landstichting, het afstapje naar het Bijbels Openluchtmuseum.
Stand en status
De naam Afferdenskamp viel al, maar meer toponiemen doken op in de bronnen. De eerste twee
boerderijen, eigendom van Reinier van Weihe, lagen ten westen van de -nu- Nijmeegse Baan,
precies in het erosiedal tussen twee pregnante heuvels: de Ketelberg (Mariënbosch) en
Oeselenberg (hoogte tussen kloosterschool Nebo en doorsnijding Nijmeegse Baan). Hiermee
zijn we bij de oorsprong van Oud-Brakkenstein. Aan de overzijde van de Nijmeegse Baan werd
later boerderij De Ploeg gebouwd, de aanzet voor de Heilig Landstichting. De Oeselenberg
was tevens de naam van het oudere landgoed van Hendrik Heymans, drukker van bestsellers
als 'De Geldersche Keukenmeid' (1756). Iets ten noorden van het huidige landgoed De
Driehuizen lag eveneens een buiten: Oeselendaal, de plek waar eerder vorig jaar de 54
fonkelnieuwe woningen zijn opgeleverd. Het blijft overigens een raadsel waarom de
straatnaamcommissie voor dit nieuwe buurtje niet verder kwam dan Parkzoom en Hoefslag,
zoals de bordjes sinds kort aangeven. De wijkraad pleitte in oktober 1998 voor
'hergebruik' van de oude toponiemen. Maar de commissiesecretaris gaf aan dat een jaar
eerder 'er geen (sic) geschikte historische namen voorhanden waren geweest'. Het college
was al in 1997 akkoord gegaan met het advies ....
Goudkust
Omstreeks 1700 treedt 'verstening' op langs de Driehuizerweg en ten oosten van de
Nijmeegse Baan. De terreinen zijn dan sterk verkaveld. Blijkbaar herstelt de economie zich
na de lange, onrustige periode van de Tachtigjarige Oorlog. De landgoederen schieten als
paddestoelen uit de grond, die elders al eeuwen in bezit van de oude elite is: meer
noordelijk Gelders Hof (Postweg/Limos Zuid), Vaelenbaert (tussen Groenewoud en het jongere
Villandry) en Mariënboom. Ter hoogte van De Driehuizen komen Brackesteyn, Heyendael, De
Driehuizen en Oeselendaal snel op; even oostelijker de Oeselenberg en buitens in de
Meerwijk en omgeving. Bouwheren zijn rijke nieuwkomers en vermogende, deels katholieke
families. Onderling is deze subelite nauw verwant, zelfs hun buitens en gronden lopen in
elkaar over. Het zijn vooral ambtsdragers, handelaars en brouwers die hier hun stand en
status etaleren. Een groot deel van deze Goudkust zal de democratische hervormingen aan
het begin van de 18de eeuw, de zogenaamde Plooierijen, hartstochtelijk steunen.
Toeval
We duiken weer wat verder terug in de tijd, al blijven we in de omgeving van de Nijmeegse
Baan. Tijdens het onderzoek dook in het archief van archivaris Daniels een ongeordend
krantenartikel uit 1938 op dat een noodopgraving meldde op de Heilig Landstichting, ter
hoogte van wat later de Profeten- en Mozes en Aaronlaan werd. Op het terrein aan de
oostflank van de Oeselenberg was een 'Tuinstad' gepland. De egalisatie gebeurde in het
kader van de beruchte Werkverschaffing onder leiding van de Nederlandse Heidemaatschappij.
De werkers troffen op een plek dikke leemlagen aan, "vermengd met baksteen,
natuursteen en scherven van kruiken, waaronder oren en buikstukken". Centraal lag een
zeker tien meter diepe leemput, die ook al op oude kaarten is terug te vinden. Een
toevallige voorbijganger seinde prof. F. de Waele in. Inmiddels was al zo'n tweederde van
de site verdwenen en als puin gestort voor de ophoging van de Nijmeegse Baan. Eenmaal
gearriveerd, kon archeoloog De Waele nog net de resten bestuderen van wat drie Romeinse
pottenbakkersovens bleken te zijn. Deze informatie is in 1995/96 door diverse
oud-omwonenden bevestigd, waaronder de heer Van Driel.
Oudheden
Volgens het bericht was het hier gebakken aardewerk dieprood tot geel van kleur, maar er
is ook een kleine hoeveelheid grijs aardewerk gevonden. Als datering werd 2de tot 3de eeuw
na Christus gegeven. Volgens archeoloog H. van Enckevort hebben we hier te doen met een
kleine werkplaats. Hij vervolgt: "Het is jammer dat verdere vondsten of aanwijzingen
verloren zijn gegaan. Dus eigenlijk hebben we 'weinig concreets' in handen. Toch is er
alle reden om de plek in het vervolg goed in de gaten te houden!" Wat is er dan met
de vondsten gebeurd! Van verschillende kanten werd bevestigd dat deze onder zijn gebracht
in het oude museum van de Heilig Landstichting, nu de pastorie naast de Cenakelkerk. De
collectie heeft echter de inkwartiering van geallieerde soldaten in 1944/45 niet overleefd
en staat niet beschreven in de museuminventarissen. Navraag bij de familie leerde dat ook
prof. De Waele hierover geen aantekeningen heeft nagelaten. Wel is er een notitie van
houtkoper J. van Elsbroek, die in 1803 'oudheden' vond op zijn goed De Oeselenberg; net
zoals de heer Wouters nog enkele jaren terug. Ook richting Brakkenstein zijn wat vondsten
uit de Romeinse tijd gedaan. Maar al met al is het beeld verre van compleet. We moeten het
dus voorlopig doen met archeologische registraties, vondstmeldingen en informatie van
bijvoorbeeld toenmalige omwonenden. De auteur houdt zich aanbevolen!
Melchior de Grood, Heyendaalseweg 316 6525 SM -Nijmegen 024 - 356 04 28
|
|
Met het groeien van het aantal
inwoners werd de stadsmuur verlegd; een aantal oude toegangspoorten is echter gespaard
gebleven. Pardon? Hoeveel? Nijmegen telt nu ongeveer twaalfduizend zielen. Zo, we moeten
nu nog een paar honderd voet lopen en dan komen we aan bij het stadhuis. Ginds aan de
linkerzijde van de straat kunt u het al zien liggen. Het gebouw dat er nu staat is iets
meer dan tweehonderd jaar oud. Voordien werd de stad ook al vanaf deze plek bestuurd. Let
U vooral op de mooi bewerkte deur, een waar meesterstuk van schrijnwerker Gaert van
Dulcken. Ja zeker, ikzelf ben ook regelmatig in het stadhuis te vinden, ambtshalve. Wat ik
er precies doe! Ach mijnheer, mijn werkzaamheden zijn velerlei, ik zal er nu niet lang
over uitweiden. Houdt het op justitieel medewerker belast met het kweken van goede
burgerzin. Helaas wordt mijn werk niet altijd even hoog gewaardeerd. Goedemiddag mijnheer
De Mist, hoe maakt U het? Fijn zo. Wat zegt U? Oh, dat is nu jammer. Ja dank U mijnheer De
Mist, insgelijks. De man die zojuist het stadhuis binnenging is Jacob de Mist, onze
stadsrentmeester. Een belangrijk man, zeker voor mij; hij regelt immers de betalingen aan
al het personeel in dienst van de stad. Hij vertelde mij zojuist dat de raad momenteel in
zitting is. Het is daarom helaas niet mogelijk het stadhuis van binnen te bezichtigen.
Niks aan te doen. Iets voorbij de hoofdingang zien we de Gedeputeerdenpoort. Via deze
toegang komen de heren Gedeputeerden van Gelderland op het stadhuis bijeen wanneer de
gewestelijke vergaderingen in Nijmegen plaatsvinden. Op het plaatsje achter deze poort
werd vijfentwintig jaar geleden burgemeester Roukens onthalsd. Tsja, het was de tijd van
de Plooierijen, de wat ouderen onder U kunnen zich die periode nog wel herinneren. Roukens
was een Oude Plooier die na door de burgerij te zijn afgezet gewapenderhand probeerde zijn
verloren positie te herwinnen. Dat is hem dus niet gelukt. De samenzweerders werden
opgepakt en een aantal van hen werd uit de ramen van het stadhuis opgehangen. Roukens zelf
kwam, zoals gezegd, op de Gedeputeerdenplaats door het zwaard aan zijn eind. Mooi zwaard
overigens, het wordt nog steeds wel eens gebruikt, ligt lekker in de hand....naar het
schijnt. Volgt U mij! We bevinden ons nu in het middelpunt van de oude stad. Op deze
plek komen twee andere belangrijke straten op de Burchtstraat uit. In noordelijke richting
loopt de Grotestraat steil omlaag de heuvel af, met aan het einde de Kraanpoort die
toegang geeft tot de Waalkade. Naar het zuiden ligt de Broerstraat. In de verte ziet U de
Wiemelpoort - weer een oude stadspoort die tegenwoordig middenin in stad ligt - die
uitkomt op de Molenstraat. Wil men vandaag de dag de stad in deze richting verlaten dan
gaat men via de Molenpoort. Op de kruising waar we nu staan worden, wanneer de heren
schepenen dit noodzakelijk achten, lijfstraffen voltrokken. Meestal het kleinere werk,
brandmerken en zo. Vragen! Hallo Albertus, terug uit Utrecht! Hoe maak je het! Goed! Mooi!
Zie je vanavond in 'de Klock'. Excuseert U mij dames en heren, een bekende van mij, een
knopenmaker hier uit de Broerstraat. Er gaan wat vreemde verhalen over hem maar het is
zeker een aardige kerel.
Dan bezoeken we nu de Grote Markt recht voor U. Zoals de naam al doet vermoeden wordt
op dit plein twee keer per week de grootste markt van de stad gehouden. Nu is het nog vrij
rustig. Maar morgen, als het weer marktdag is, is het hier een drukte van belang. Van
heinde en verre komen kooplui hier hun waar aan de man brengen. Naast de Grote Markt telt
Nijmegen nog een aantal andere marktplaatsen die op verschillende plaatsen door de stad
verspreid liggen. Zo zijn er onder meer een eiermarkt, een vismarkt en een varkensmarkt.
Aan de rand van het plein ziet U het Waaggebouw uit 1613, een van de fraaiste
'commerciële' gebouwen van de stad. Ook hier op de Grote Markt worden zo nu en dan
lijfstraffen voltrokken. Bovendien worden veroordeelden hier voor het volk te kijk gezet.
Toevalligerwijs staat er momenteel een wetsovertreder te kaak voor de Waag. Ja hoor, als
ik het niet dacht. Het is IJf van den Broeck, een notoire dronkelap die regelmatig
overlast veroorzaakt en hier al veel vaker heeft gestaan. Aarzelt U vooral niet hem enkele
paardenvijgen toe te werpen.
Ik stel voor om nu nog een bezoek te brengen aan de Sint Stevenskerk om vervolgens
kennis te maken met gastronomisch Nijmegen. Ik heb de waard van 'de Klock' in de
Ziekerstraat beloofd dat we om ongeveer vijf uur zouden aankomen. Als we enigszins
voortmaken redden we het precies. Volgt U mij onder de kerkboog door. De boog waar we
zojuist onderdoor zijn gelopen komt uit op het Stevenskerkhof met links de Latijnse School
en recht voor U de Grote of Sint Stevenskerk. De ruimten boven de boog zelf bieden
onderdak aan onze chirurgijns die daar onder meer hun snijkamer hebben. We zullen nu de
kerk binnengaan. Ik wil U verzoeken enige stilte in acht te nemen. Dominee Royaards heeft
liever niet dat zijn kerk door luidruchtige groepen toeristen wordt bezocht. Ik moet U
waarschuwen dat er de laatste tijd verschillende overledenen in de kerk zijn bijgezet; het
kan dus zijn dat er een ietwat muffe lucht hangt. De bouw van de kerk begon ongeveer
vijfhonderd jaar geleden en nam ruim vijfenvijftig jaar in beslag. In de loop der tijd is
er veel aan verbouwd; zo is de huidige toren van veel recentere datum. Met de komst van
het ware geloof ging de kerk in 1591 over in gereformeerde handen. Het schijnt een flinke
klus te zijn geweest om alle Roomse tierlantijnen uit de kerk te breken. Tevergeefs
probeerden de papen nog enkele afgodsbeelden in veiligheid te brengen. De geheime
bergplaatsen werden echter ontdekt en de hele poppenkraam werd op de Grote Markt verbrand.
Ginds ziet U het zogenaamde "Herengestoelte", de prachtig bewerkte bank van waar
de heren bestuurders de dienst volgen.
In deze kerk liggen overigens ook de stoffelijke resten van Maarten Schenck van
Nijdeggen begraven. Wellicht heeft U van hem gehoord! Nadat zijn poging om Nijmegen op de
Spanjaarden te veroveren mislukte, verdronk Schenck onder het gewicht van zijn
wapenuitrusting in de Waal. De Spaansgezinde Nijmegenaren dregden zijn ontzielde lichaam
op en hakten het in vier stukken die elk bij een andere toegang tot de stad werden
opgehangen. Toen prins Maurits de stad twee jaar later, in 1591, uiteindelijk voor de
Staten veroverde gaf hij opdracht de verschillende stukken Maarten Schenck te verzamelen
en ze met gepaste eer in de Stevenskerk te begraven. De mislukte aanslag op de stad
waarbij Schenck zo jammerlijk aan zijn eind kwam vond overigens plaats bij de
Anthonispoort aan de Waalzijde van de stad; daar moet U zeker nog eens een keer gaan
kijken.
Vandaag hebben we daar helaas geen tijd meer voor. Als we nu eens rustig richting
Ziekerstraat lopen zijn we ruim op tijd. Als er nog vragen zijn beantwoord ik die graag
onder het genot van een kroes Molbier. Herbergier Heyssen van "de Klock" schijnt
enkele voortreffelijke vaten van dit in de wijde omtrek zeer gewaardeerde bier te hebben
aangekocht. Mag U zeker niet missen. Ik wil het officiële programma daarom hier afsluiten
en U bedanken voor Uw aandacht. Ik hoop U allen nog eens terug te zien want er is nog
zoveel meer te zien in onze mooie stad. Ik zou zeggen, denk aan Uw gids en volg mij naar
de Ziekerstraat. Wat zegt U! Waar gaat U morgen naar toe! Arnhem! Maar... ach dat moet U
ook zeker zelf weten.
Bjørn Kokke
Deze historische rondleiding verscheen eerder in Palantir, het instituutsblad
Leraar en School van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen (jaargang 24, nr. 1, oktober 1999).
Toch gewonnen. Een leesboekje voor de Nijmeegse
katholieke jeugd uit 1925 . Nijmeegs Katern jrg. 14, februari 2000, p 7-10
"Toon kreeg 'n dubbeltje, glanzend-nieuw. - Hier vent, da's voor jou,
omdat je me zoo netjes den weg hebt gewezen. Ik ben heelemaal vreemd in Nijmegen maar nu
zal ik 't gemakkelijk vinden." Met deze regels begint een kinderboek uit 1925.
Aanleiding om nieuwsgierig verder te lezen ...
Rooms verenigingsleven
In de periode 1902-1922 is in Nederland in tal van plaatsen een begin gemaakt met het
inrichten van het katholieke jeugdwerk. In alle bisdommen werden op initiatief van de
kerkelijke leiding jeugdverenigingen en jeugdorganisaties opgezet. De jeugdbeweging was -
hoewel toegankelijk voor alle lagen van de bevolking - vooral gericht op scholing en
(geestelijke) vorming van de arbeidersjeugd die na de lagere school geen verder onderwijs
meer genoot. De georganiseerde scholing en vrijetijdsbesteding was tevens bedoeld om de
jeugd van de straat en uit het café te houden. Dat laatste was zeker niet
onbelangrijk. Het alcoholvraagstuk baarde in die tijd grote zorgen. Erbarmelijke werk- en
woonomstandigheden waren niet zelden de aanleiding voor de slechtbetaalde arbeiders om
zich via de drank los te maken van de dagelijkse malaise. Zo kwam het nogal eens voor dat
de inhoud van het loonzakje op ging aan drank in plaats van aan de dagelijkse
benodigdheden van het gezin, met alle problemen van dien. Het werd als een belangrijke
taak gezien de jeugd vroegtijdig af te houden van de alcoholische verlokkingen. Na eeuwen
van schuilkerken waren de Nijmeegse katholieken in de negentiende eeuw begonnen met de
vestiging van eigen kerken en parochies.
Het in de periode 1902-1922 opzetten van het rooms-katholieke verenigingsleven en
jeugdwerk in de vorm van congregaties, broederschappen, jongens- en meisjesbonden,
patronaten, verenigingen, genootschappen, was een belangrijk instrument in de verdere
uitbouw van het rooms-katholicisme in de stad. Evenals elders was er in Nijmegen ook een
onderafdeling van Sobrietas, de R.K. Bond tot bestrijding van het alcoholisme, terwijl ook
diverse parochie-gebonden verenigingen tegen drankmisbruik waren opgezet. Tevens trad het
reclasseringsbureau 'Frederic Ozanam' op als rooms-katholieke reclasseringsinstelling en
consultatiebureau voor alcoholisten. Tegen deze Nijmeegse achtergrond blijkt het
kinderboekje Toch gewonnen uit 1925 zich af te spelen.
Het verhaal
Het boekje vertelt van de twaalfjarige Toon Verhoeven en zijn broertje Bart en de zorgen
die zij hadden omdat vader, die in een timmermanswerkplaats werkte, regelmatig dronken was
en het huishoudgeld aan de drank opmaakte. Het gezin woonde nabij de
Graafseweg/St.Annastraat even buiten bebouwd Nijmegen dat toen eindigde bij de spoorlijn
en de dr. Jan Berendsstraat. De jongens zaten op de school in de schoolstraat. Als
bijverdienste deed de moeder de was voor mensen 'in de stad'. Soms ging de jonge Toon naar
het station om voor reizigers koffers te dragen om zo ook enkele centen mee naar huis te
kunnen nemen. Eens droeg hij zelfs een koffer tot aan de H.Landstichting. Het drankgebruik
van vader overheerste het gezin: van agressief dronkemansgedrag tot bittere armoede. Toon
kreeg via de vader van een schoolgenootje de uitnodiging lid te worden van de
'Nijmegensche Jongensbond' tegen drankmisbruik. Hij volgde trouw de bijeenkomsten in het
patronaatsgebouw 'achter het Valkhoff'. Droevige verhalen en concrete informatie over de
gevolgen van drankmisbruik moesten de jongens afhouden van het gebruik van alcoholische
dranken. Op een dag werd de vader van Toon wegens dronkenschap door de politie opgepakt.
Een veroordeling tot gevangenisstraf volgde. Gelukkig wist de kapelaan van de jongensbond
een uitweg: het Reclasseringsbureau. Dat bepleitte bij de rechtbank de omzetting van de
gevangenisstraf in een voorwaardelijke straf, op voorwaarde dat de vader geheelonthouder
werd. En zo kwam alles gelukkig toch nog goed. Toch gewonnen.
De schrijfster
De boodschap van het leesboekje is duidelijk. Het werd geschreven door de in 1897 in Venlo
geboren Anny Hulsmans. Als A.M.A. Berkvens-Hulsmans - en onder het pseudoniem Gertrud
Reynen - schreef zij later vooral katholieke meisjesboeken met pedagogische inslag. Toen
zij het boekje Toch gewonnen in 1925 schreef, woonde ze in Aalst (bij Eindhoven).
Zij was toen zelf jeugdleidster van een meisjespatronaat. Het jeugdwerk in de patronaten
moest naar haar vaste overtuiging bestaan uit geregeld godsdienstonderwijs en de
bespreking van zedenkundige onderwerpen, alsmede een activiteitenprogramma dat voor
meisjes zou moeten bestaan uit huishoudlessen, handwerklessen, een gezellig uurtje en bij
gelegenheid kinderverzorging, missieactie, drankbestrijding en bevordering der veelvuldige
H. Communie. Haar opvattingen hierover zette zij op 17 december 1924 uiteen in een lezing
over de 'Taak der Patronaatsleidsters' tijdens de jaarvergadering van de Federatie R.K.
Meisjespatronaten in het Bisdom Breda. Zij pleitte voor discipline, maar ook voor mildheid
en vergevingsgezindheid ten aanzien van de kinderen. "En .. en .. och! ., zult gij
bij de zedelijke vorming ook 'n plaatsje gunnen aan de drankbestrijding? Ik hoef u zeker
niet te zeggen hoe nuttig en noodzakelijk deze actie is. Wij allen kennen immers de diepe
ellende waartoe 'n mensch vervalt als hij het dronkemanspad opgaat. Dan gaat hij zoowel
lichamelijk als zedelijk ten gronde. Iemand voor dat onheil bewaren is voorwaar 'n mooie
daad. Goddank, dat wij als patronaatsleidsters, daar gelegenheid toe hebben, direct en
indirect" (pp. 13-14).
Voor de Nijmeegse jeugd
Anny Hulsmans noemt in haar boekje Toch gewonnen de nodige herkenbare straten in
Nijmegen. De school in de parochie waartoe de jongens zouden hebben behoord - de HH.
Antonius/Annaparochie aan de Groenestraat - was in die tijd alleen toegankelijk voor
meisjes. Dus gingen de jongens iedere dag naar de Schoolstraat waar sinds 1896-1897 een
school voor lager onderwijs van de R.K. stichting St. Josephscholen was gevestigd,
speciaal voor arme kinderen. De wandelingen door de straten van Nijmegen zijn beeldend
beschreven. Toch blijven er wel enkele vragen en lijkt het verhaal op details
geromantiseerd. Een patronaatsgebouw 'achter het Valkhoff' kon bijvoorbeeld niet worden
getraceerd, hoewel zou kunnen worden gedacht aan het gebouw van de voormalige sociëteit
Burgerlust, dat in die tijd als R.K. verenigingsgebouw werd gebruikt. Met welke vereniging
de 'Nijmegensche jongensbond' zou worden bedoeld, is niet helemaal duidelijk. Er zijn in
die tijd een twaalftal drankbestrijdersverenigingen in Nijmegen en de nodige katholieke
jeugdverenigingen. Het boek, dat in Brussel is gedrukt, geeft op de titelpagina als
uitgever De Boekenhalle in Nijmegen en Leuven. Dit is voor Nijmegen evenwel een fictief
adres en dus alleen vanwege verkoopoverwegingen op de titelpagina vermeld. Hoe het ook
zij, duidelijk is in ieder geval wel dat het boekje heel bewust werd geschreven voor de
Nijmeegse katholieke jeugd, als instrument in de katholieke opvoeding en de strijd tegen
het drankmisbruik.
Anny Hulsmans, Toch gewonnen , Nijmegen, Leuven (De Boekenhalle) 1925, 126 p.
Anny Hulsmans, Taak der patronaatsleidsters. Lezing gehouden op de
Jaarvergadering van de Federatie van R.K. Meisjespatronaten in het Bisdom Breda, Dongen
1925.
Els F.M. Peters
|