Van het een komt het
ander. Het één: dat was het verzoek om eind 1998 Deel 1 van het Biografisch Woordenboek
Gelderland in ontvangst te nemen, omdat Karel Aalbers, toen nog voorzitter van Vitesse,
zware griep had. Het ander: dat was de vraag om een bijdrage voor Deel 2, omdat ik in mijn
toespraak (1) namen had genoemd, die een plaats
verdienden in de Gelderse reeks. Dat ik sinds die toevallige uitnodiging enkele
'Gelderslieden' heb beschreven, verbaast vooral mensen die mijn geschiedkundige opvoeding
kennen. Ik ben archievenvorser noch amateur-historicus. Wel studeerde ik naast chemie ook
geschiedenis van de natuurwetenschappen. Maar het plan om bij Prof. Dr. E.J. Dijksterhuis
te promoveren ging niet door, omdat de winnaar van de P.C. Hooftprijs niets in mij zag. Na
een moeizaam examen in zijn Bilthovense huis stuurde hij mij weg, met een zes-min en de
aansporing snel te lopen: hij hoorde de bus naar Utrecht aankomen. Toch ben ik
wetenschapper geworden, in Nijmegen, waar ik later een van de 150 personen weer trof, die
terecht in het Biografisch Vademecum van Numaga is opgenomen: Dries van Melsen, hoogleraar
en president-curator van de toen nog Katholieke Universiteit, trouw kerkganger in de
Cenakelkerk en steeds geďnteresseerd in mijn politieke werk, misschien omdat hij in 1956
in Utrecht mijn eerste stappen in de natuurfilosofie had begeleid.
Van het een kwam onlangs weer (2) het ander. Bij de
presentatie van Deel 4 van het BWG in Harderwijk keek ik terug op de zes personen, die ik
intussen had beschreven. Ook de vraag naar de keuze van de personen kwam aan de orde. Die
toespraak leidde tot de uitnodiging om het Nijmeegs Biografisch Woordenboek van
kanttekeningen te voorzien. Ook dat verzoek heb ik aanvaard, overigens wetend, dat een
outsider niet teveel noten op zijn zang mag hebben, en zeker geen valse. Eén kritische
noot moet kunnen, al was het om uitgever en auteurs aan te sporen het niet bij deze eerste
verzameling te laten. Welnu: bij het noemen van de personen, die ik in het Biografisch
Woordenboek Gelderland heb geportretteerd komt de kritische noot vanzelf te voorschijn.
Het waren
- Gekke Eddie (Otten), befaamd Nijmegenaar, zwak begaafd maar groot van hart
(3);
- John Bertine (Jan van 't Veen), kapper en alom gewaardeerd feestjesbouwer
(4);
- Louis Frequin, journalist, verzetsman en hoofdredacteur van de Gelderlander
(5);
- Ludovica Keyzer en Daniel van Zeeland, zuster en pater, gebroeder- en gezusterlijk
oprichters van de Orde van de Zusters Dominicanessen van Neerbosch
(6);
- En: Just Göbel, doelman van Vitesse en het Nederlands Elftal, de enige Arnhemmer (7) in het gezelschap.
Louis Frequin en Ludovica Keyzer hebben de Nijmeegse verzameling gehaald, pater van
Zeeland eigenlijk ook, omdat hij de zuster naar Nijmegen heeft gelokt. Maar Gekke Eddie,
John Bertine en een Nijmeegse 'Just Göbel' haalden het 'Vademecum' niet, waarmee ik drie
kringen signaleer, die in de 'erelijst' ontbreken:
- Figuren, niet behorend tot een specifieke beroepsgroep: Gekke Eddie dus, maar ook Carel
Briels, evenementenman avant la lettre, en Ds Colijn, de man die van en op meer markten
thuis was;
- Illustere stadgenoten, die Nijmegen en Knotsenburg op de kaart van het grotere vertier
hebben gezet: John Bertine dus, maar ook grootvorst Nico Grijpink, en ex-prins Theo
Eikmans alias tonprater en zanger Graodus van Nimwegen;
- Sportlieden als Han Engelsman, stervoetballer bij Quick; Hein Kakebeke, in 1906
oprichter van de Hockeyclub Nijmegen (8), en Karel
Roothaan, Nijmeegs eerste geregistreerde wielrijder en bedenker van de eerste
Velocipedebaan in Nijmegen (9)
Wie niet te klagen hebben over een gebrek aan aandacht zijn de aanvoerders. Een fraaie
reeks trekt voorbij: Van Julius Caesar, Keizer Trajanus en Karel de Grote, via Keizerin
Theophano en Catharina de Bourbon - een opvallende omweg - naar 'moderne aanvoerders' als
Louis Beel en Marga Klompé. Het is een optocht van mannen en vrouwen, die tot de verbeelding spreken. Wel mis ik Van der Brugghen (10), auteur van de 'Troostrede voor
Nijmegen'; weer actueel voor lieden, voor wie Nijmegen te klein en de Waalsprong twee
bruggen te weinig is. Natuurlijk is elke keuze is arbitrair, ook wanneer de burgemeesters
van Nijmegen de revue van (h)erkenning passeren. Van de eerste burgers, die ik gekend heb,
tref ik wel Charles Hustinx en Ien Dales aan, maar niet Theo de Graaf en Frans Hermsen:
mannen, die toch bij de wederopbouw een deel van de historische last hebben gedragen. En
de Graafseweg bestond al voordat het oud-kamerlid burgemeester werd.
Terzijde: de 36 auteurs zijn er ondanks de maat van om en nabij 500 woorden, goed in
geslaagd de uitverkoren namen weer tot leven te wekken. Soms is er zelfs ruimte voor een
anekdote. Neem Pater Jan Rubbens, het 'jungske'uit de Molenstraatkerk (11), van wie het verhaal gaat, dat hij een wonder zag in het briefje van
tien, dat hij aan een zwerver gaf, na eerst beweerd te hebben, dat hij geen geld bij zich
had. Toen hij wat dieper in zijn jaszak dook, vond hij een tientje. Bij thuiskomst
ontdekte de geliefde priester dat hij bij vergissing de jas van de pastoor had
aangetrokken. Ien Dales moet het zonder anekdotes stellen. 'Ma Flodder' doet mij wel
denken aan de Benedenstad-ter, die mij toeriep, dat haar vette mantelpakje letterlijk en
figuurlijk ongepast was. Kort daarna kreeg zij van premier Lubbers - eregast bij de 20e
Zomerfeesten - te horen: 'Toen ik nog in Nijmegen studeerde struikelde je over de nonnen
en de paters, nu kun je niet om Dales heen'. Het ronde gebaar ontging de eerste burger,
die nors naar buiten bleef kijken.
Over nonnen en paters gesproken: die nu uitstervende 'roepingengroep' komt in het Nijmeegs
Biografisch Woordenboek behoorlijk aan haar trekken. Naast Rubbens treft de lezer onder
meer Petrus Canisius, Jac van Ginneken, Bernard van Meurs en Titus Brandsma: een even
onbetwistbare als karakteristieke reeks 'geestrijke' figuren, die in 500 jaar een stempel
op Nijmegen, Nederland en soms zelfs Europa hebben gedrukt.
|
Dat diverse priesters een dubbelrol
vervulden, roept de vraag naar de lengte van hun dag of week op. Neem bij voorbeeld Pater
Beukens, oprichter en moderator van Union, of Ben Kahmann, pastor redemptorist,
rasmuzikant; of Willem Duynstee, de 'Oude Duyn' (12),
jurist, priester, professor, lotgenoot van de ook geportretteerde Anna Terruwe.
Dat het klassement van de beroepsgroepen wordt aangevoerd door hooglereraren wekt geen
verbazing, temeer waar enkele professoren al in de 17e eeuw naam maakten: Lambert Goris en
Petrus de Greve, geboren Arnhemmers, die de Universiteit van Harderwijk verruilden voor
die van Nijmegen; en Gerard Noodt, Nijmegenaar en job-hopper vanwege zijn vertrek naar
Franeker, Utrecht en Leiden. De Katholieke Universiteit heeft zoveel illustere figuren
voortgebracht, dat een loutere opsomming geen recht doet aan hun verdiensten. Een
uitzondering maak ik voor Louis Rogier, de eminente oprichter van Numaga, en Jos en Wim
van der Grinten, omdat ik 'alleskunner' Wim nog heb meegemaakt in mijn prille politieke
jaren. Het gedenkboek bij het 75-jarig bestaan van de Katholieke Universiteit
(13) beschrijft meer vermeldenswaardige hoogleraren. Wat te denken van
en te doen met Reinier Post, Gerard Brom, Joseph Prick en Huub Lammers?
Nijmegen is voor schrijvers en dichters een dankbare stad. Godfried Bomans deelde de
ervaring van Lubbers: 'Het is een stad van kloosters, noviciaten en Moederhuizen; er wordt
geluid en gebeierd dat het een lieve lust is' (14).
Ik noem verder Frans Kellendonk, Cola Debrot en Anton van Duinkerken. De laatste zou zich
verbaasd hebben over de opname van de biografie van Ernst Michel, de door het fascisme
geboeide schrijver, die volgens zijn biograaf (15)
'een bijzondere vorm van geëxalteerd schelden beoefende, en zich daarom "Gods
handgranaat" noemde'. Ik zou bijna een lans gaan breken voor Albert Delahaye, de gefrustreerde oud-gemeentearchivaris, die zijn
scheldpartijen baseerde op zijn passie voor de historische waarheid, die hij overigens
nooit gevonden heeft (16). Schrijven en schelden: een actueel thema,
voor betweters, maar ook voor biografen.
Het ene biografische woordenboek is het andere niet. Die open deur leidt naar de vraag,
hoe locale, regionale en nationale verzamelingen zich tot elkaar verhouden. Is er een
hiërarchie, of zijn zij nevengeschikt? En: kunnen personen in elk van die boeken - het
Nijmeegs, Gelders of Nederlands Biografisch Woordenboek (17) - voorkomen? Gelet op de cijfers, is het antwoord: ja. Van de 146
personen in het Numaga Jaarboek 2004 zijn in de nationale reeks 23 en in de Gelderse serie
15 biografieën te vinden. Slechts één man komt in elk van de drie reeksen voor. Het is
Jan Toorop, de graficus, die maar zes jaar in Nijmegen heeft gewoond, 'aangetrokken zo hij
zich voelde tot het gunstige woonklimaat en het katholieke milieu'. Hij raakte bevriend
met de geestelijkheid, vooral de Jezuďeten en met Anthony Nolet, een befaamde
verzamelaar. Het Nijmeegs Vademecum telt meer bekende kunstenaars: Jan van Goyen
natuurlijk, Paul, Herman en Jan van Limburg, de gebroeders van het beroemde getijdenboek,
en zilversmid Gerrit van Duren, die niet zo goed was als Willem Schiff maar toch
liefhebbers had; verder de graveurs en klokkenmakers van Call, I, II en III, waarvan de
laatste opviel om zijn 'in lui en ledig gaen', hoewel hij soms tweemaal daags dronken was.
Van kaartenmaker Gerard de Jode had ik gehoord, maar van Aleidt, schilderes en vroedvrouw
niet, en van Nicolaes van Helt Stocade evenmin. Waarmee vast staat, dat biografische
woordenboeken figuren aan de vergetelheid onttrekken. Onbekend hoeft niet onbemind te
zijn.
Bekende mannen en vrouwen zijn op meer plaatsen te vinden, onbekende niet, waarmee naast
de omvang - de nationale reeks bevat per deel 400 en de Gelderse serie 45 lemmata - een
van de verschillen is aangeduid. De Nederlandse biografieën zijn wetenschappelijker,
langer maar ook saaier. De Gelderse verhalen gaan met Julius Civilis terug tot de 1e eeuw,
het Nijmeegs Vademecum ook. Het Biografisch Woordenboek Nederland beschrijft alleen
personen die na 1910 overleden zijn. De lezer treft geen voetballers of popmuzikanten,
geen kloosterlingen of rentmeesters, geen carnavallisten of kwakzalvers. De bonte
mengeling van de Gelderse reeks gaat ten dele ook op voor het Nijmeegs Vademecum. Ter
illustratie noem ik:
- Pe Hawinkels, de exuberante schrijver, dichter en vertaler, die dank zij zijn vrienden
al kort na zijn te vroege dood een (omstreden?) legende werd;
- Johannes Baudoin, de laatst (1843) in Nijmegen opgehangen moordenaar, die niet verwacht
zal hebben ooit nog een erelijst te zullen halen;
- Mathe Daniels, de befaamde gemeente-archivaris, die voor zijn vele activiteiten te
weinig is gewaardeerd;
- Kitty (of Kaatje) de Wijze, het dappere meisje, 'dat symbool werd
voor de joodse Nijmegenaren, die hun stad niet meer terugzagen' (18);
- de Dobbelmannen, Johann Peter, Pierre en Theodoor, grote gezinshoofden, die het
ondernemerschap combineerden met de roeping van politicus: kom daar nu eens om;
- Ab Uyen, de bespraakte voorlichter, die feilloos aanvoelde dat ik stamgasten van de City
Bar had meegetroond naar de eerste, openbare nieuwjaarsreceptie van zijn gemeente
Nijmegen;
- Ria Kuyken, de zangeres, bekend als 'Het meisje van de Beer', die in meer rollen furore
heeft gemaakt dan het ongelukkige circusoptreden deed vermoeden.
De
publicatie van het Nijmeegs Biografisch Woordenboek leidt hopelijk tot een vervolg. Tussen
de regels door heb ik enkele suggesties gedaan, in alle bescheidenheid, want hoewel
mini-biograaf en oud-wetenschapper: ik ben geen geschiedkundige. Wel ex-politicus, maar
geen schrijver; wel praatjesmaker, maar geen encyclopedist. Waarom een vervolg? Wel: 2000
jaar Nijmegen, dat is het verhaal van ontelbare hele of halve Nijmegenaren. En: elke mens
telt, ongeacht zijn centen of talenten. In iedere man of vrouw schuilt een verhaal over de
lengte, breedte of diepte van zijn of haar leven, niet om later de grootste genoemd te
worden, wel om 'voorbeeldig' te zijn. Daarom nog enkele namen, voor wie in een volgend
deel wellicht een plaats kan worden ingeruimd:
- Pupke Maas, de eerste Nijmeegse orgelman, die in de jaren 20 van de
vorige eeuw met acht orgels stad en ommeland van muziek voorzag (19);
- Herman Wehberg, alias Nijdas, die als cursiefjesschrijver in de Gelderlander de gewone
man en vrouw aan zich verplichtte;
- Ed Hammes, Joan Colette, Toon Vijftigschild, Wim van Woerkom en Marius van Beek,
kunstenaars van uiteenlopend karakter;
- Arie Lammerts van Bueren, de journalist, die als man van de protestantse Nijmeegse
Courant de concurrentie aanging met de katholieke Gelderlander;
- Deken Triebels, de Maarten Luther II van Nijmegen, omdat hij de
katholieke belangen verkwanseld zou hebben aan de ketterse protestanten (20)
- en - ter afsluiting, maar niet te vergeten - Jan Brinkhoff: zijn artikelen en boeken
hebben mij begeleid op de merkwaardige weg van geboren Arnhemmer naar getogen Nijmegenaar.
|