Wat wilden de oprichters en wat komt daarvan,
een halve eeuw later, terecht?
Publicaties van Numaga
Als eerste taak noemde Rogier de driemaandelijkse uitgave van het tijdschrift
"Numaga", met een gemiddelde omvang van 24 bladzijden. Welnu, zoals bekend
verzorgt Numaga heden ten dage de uitgave van niet één, maar twee tijdschriften: het
vijf keer per jaar verschijnende Nijmeegs Katern en het Jaarboek Numaga, met tezamen een veelvoud aan bladzijden gewijd
aan de Nijmeegse geschiedenis. Terzijde wil ik daaraan nog het volgende toevoegen. Het
moge klinken als een oratio pro domo, maar dat neemt niet weg dat ik uit de grond van mijn
hart meen, dat beide redacties, die van het Katern evengoed als die van het Jaarboek,
waarlijk ons aller bewondering verdienen. Het is telkens weer een opgave om de
tijdschriften op goed niveau gevuld te krijgen, en telkens opnieuw tonen de redacties voor
hun taak berekend te zijn. Zo weet ik uit de eerste hand, dat de redactie van het
Jaarboek, en dan met name de redactiesecretaris Willem Jan Pantus, de afgelopen tijd een
bewonderenswaardige hoeveelheid geduld aan de dag heeft gelegd met één van de auteurs in
het Jaarboek, nota bene de voorzitter van de vereniging. Ik zal u alle wederwaardigheden
besparen, maar wees ervan verzekerd dat Pantus in al zijn voorkomendheid tot het uiterste
is gegaan om het Jaarboek een evenwichtige samenstelling te geven. Vanaf deze plaats wil
ik hem en de overige redactieleden daarvoor hartelijk danken, zowel in mijn rol van
voorzitter als in die van auteur. De "spreekbeurten"
Een tweede doelstelling van Rogier was om "tenminste eenmaal per jaar een
vergadering met een spreekbeurt" te houden. Vijftig jaar later organiseert Numaga
jaarlijks structureel 5 à 6 van dergelijke bijeenkomsten. Ik roep die van dit jaar nog
even in herinnering:
Op dinsdag 14 januari 2003 hield A.E.M. Jansen voor een volle aula
van Museum Het Valkhof een lezing onder de titel: Willemken van Wanray als auteur van
een Nijmeegs egodocument. Wat een remonstrantse vrouw als fervent tegenstandster
van gewetensdwang te Nijmegen rond 1620 om den gelove zoal heeft moeten doorstaan.
Ons ere-lid, mevrouw Peters-Moormann, ontving die avond uit handen van de spreker het
eerste exemplaar van zijn boek over Willemken van Wanray. Mevr. Netty Van Oss-Van den
Heuvel van het Nimweegs Soap Theater droeg op deze avond enkele passages uit de memoires
van Willemken in het 'Nimweegs' voor.
Op dinsdag 2 april hield ikzelf na afloop van de algemene ledenvergadering een spreekbeurt
over de stand van zaken omtrent de in 2005 te verschijnen Stadsgeschiedenis van Nijmegen.
Op dinsdag 9 september presenteerden Kien van Hövell en Hettie Peterse, werkzaam bij het
gemeentelijke Bureau Architectuur en Monumenten, een lezing onder de titel: Nieuwe
ruimte voor cultuurhistorie, een ontwikkelingstaak.
Op zondag 12 en op zondag 19 oktober ten slotte presenteerden Numaga en de Vrienden van
Museum Het Valkhof gezamenlijk enkele zeer druk bezochte lezingen door Karin van Lieverloo
over Jan Toorop als portrettist.
Een Stadsgeschiedenis
Voorts had Rogier nog twee bijzondere projecten in het vizier. Het bestuur zou
"het zijne (moeten doen) voor een waardige viering" van het 1850-jarig bestaan
van de stad in 1955, én het zou, "zodra het zich daartoe gerechtigd acht", de
verwezenlijking van een lang gekoesterd plan ter hand moeten nemen: "het doen
samenstellen van een wetenschappelijk-verantwoorde, maar in de goede zin populaire
Geschiedenis van Nijmegen". Wat dat eerste betreft, heeft het bestuur zich indertijd
goed van zijn taak gekweten; in navolging initieerde het huidige bestuur de viering van
het 1900-jarig bestaan (of, zo men per se wil: het 2000-jarig bestaan) in 2005. En naar
bekend deed het bestuur dat in combinatie met het tweede streven van Rogier: het in gang
zetten van de voorbereiding van een Nijmeegse stadsgeschiedenis,
die in 2005 het licht zal zien.
Internet, Numaga-reizen en monumentencommissie
Daarnaast ontplooit het huidige Numaga activiteiten die door Rogier in 1954 niet
werden, of eenvoudig niet kónden worden voorzien. Met dat laatste doel ik uiteraard op de
webmaster die onze internetsite beheert. En met dat eerste refereer ik bijvoorbeeld aan
onze reiscommissie, die dit jaar een vierdaagse reis naar
de historisch beladen noordoost-hoek van Frankrijk ondernam. Het reisgezelschap van 52
deelnemers en vier deskundige begeleiders, Maria Oud, Melchior Bogaarts, Piet Wermenbol en
Gerard van de Ven, werkten onder het motto: Nijmegenaren verkennen hun oude midden-rijk
een druk programma af, dat, naar verluidt, wederom als zeer geslaagd werd beschouwd.
Ook de Numaga monumentencommissie verdient hier vermelding. Zij hield zich dit jaar onder
meer bezig met panden gelegen aan de Van Schaeck Mathonsingel, de Van Berchenstraat en de
Dominicanenstraat, maar ook met de Hessenberg, het Kronenburgerpark en zelfs met de op
handen zijnde verhoging van de waterkeer van de Waalkade.
Numaga en het behoud (of niet) van Nijmeegse monumenten
In 1954 zag Rogier voor Numaga geen functie als monumentenbeschermer weggelegd. En
dat is, gezien vanuit het heden, misschien merkwaardig, te meer omdat Rogier wel degelijk
oog had voor de historisch-esthetische waarden van het uiterlijk van de stad. De stad lag
er, dat moet men Rogier nageven, in 1954 niet florissant bij. Het was, zo meende hij,
"moeilijk om de stad haar ouderdom aan te zien". "Voor ons, sterfelijke en
ijdele mensen mag zoiets een compliment zijn, van een stad gezegd, is het een
verwijt", zo zei Rogier op zijn geheel eigen wijze. "Een stad is meer dan de
woonplaats van het levend geslacht; zij behoort de heugenis te bewaren aan het leven der
vaderen", zo voegde hij toe, om vervolgens vooral de "dictatuur van het
slopershouweel" van de negentiende eeuw te hekelen. Hij noemde Graadt van Roggen,
Francken en Terwindt, het driemanschap dat in de jaren tachtig van de negentiende eeuw
verantwoordelijk was voor de ontmanteling en de uitleg van de stad, verdienstelijke
mannen, die echter ook hun beperktheden hadden. "De ondernemende vernieuwingsdrift
van hen, die aan de stadstuitleg leiding gaven, had weinig oog voor de betekenis van het
conserveren der historische schoonheid. De verdienstelijke Graadt van Roggen vermeldt in
zijn aantekeningen over "Ontmanteling en uitleg"op de datum af de sloping van
alle stadspoorten zonder een woord van beklag. Deze blindheid voor historisch-aesthetische
waarden kenmerkte zijn generatie", aldus Rogier, die nog meer voorbeelden gaf van wat
hij typisch negentiende-eeuws "autochthoon vandalisme" noemde.
Wat Rogier kennelijk niet zag, was dat er ondanks de sloopterreur van de negentiende
eeuw en ondanks het oorlogsgeweld, vooral dat van 22 februari 1944, in 1954 nog altijd
veel te bewaren viel. Hoeveel is er immers sindsdien niet slachtoffer geworden van
twintigste eeuws "autochthoon vandalisme", vooral in de benedenstad? Lange tijd
heeft Numaga daarover het stilzwijgen gedaan. Die passiviteit kan, denk ik, als volgt
worden verklaard, maar ik geef mijn mening graag voor een betere:
In de eerste plaats bestonden de vroegste Numaga-generaties uit mensen die het Nijmegen
van voor de oorlog nog hadden gekend. Zij hadden zoveel waardevols kapot zien gaan - en
zij zagen tegelijk zoveel nieuws worden gebouwd - dat zij de sloop van het relatief minder
waardevolle betrekkelijk gemakkelijk konden accepteren. Zij waren, de citaten van Rogier
hebben het al min of meer aangetoond, met andere woorden blind voor de historische
zeggingskracht van de in hun optiek minder spectaculaire stadsdelen en panden. In de
tweede plaats schurkte Numaga in die dagen nog erg dicht tegen het gemeentebestuur aan -
en dat gemeentebestuur was van vernieuwingsdrift, en daaraan inherente sloopdrang, niet
gespeend. Ter illustratie kan dienen de benoeming van de burgemeester, Hustinx, tot
ere-voorzitter van Numaga, meteen al bij de oprichtingsvergadering in 1954. Het bestuur
ging daartoe vooral over om met behulp van de steun van de gemeente de instandhouding van
Numaga te garanderen; Rogier wist natuurlijk wel waar Abraham de mosterd haalde. Ook
latere burgemeesters werden bij hun aantreden steevast tot ere-voorzitter dan wel ere-lid
benoemd. Daarin kwam mede tot uiting dat Numaga een voorname, misschien zelfs elitaire, in
ieder geval burgerlijke vereniging was, een onderdeel van de gevestigde structuren in de
stad die geen enkel belang had zich tegen het gemeentebestuur af te zetten - het idee kwam
niet eens op. Voordat het wel zover was, dienden eerst de jaren zeventig te passeren, de
jaren van democratisering, van inspraak, van actie op alle mogelijke maatschappelijke
terreinen. Niet voor niets werd de Numaga monumentencommissie pas in 1982 opgericht.
Sindsdien probeert deze commissie, voor zover dat in haar mogelijkheden ligt, te redden
wat er te redden valt. Soms met en soms ook zonder succes.
Het is te laat om te jammeren over de noeste afbraakvlijt van vroegere geslachten en
het is te laat om Numaga's vroegere passiviteit te hekelen, maar we mogen er niet voor
terugdeinzen om, zij het achteraf, de hand in eigen boezem te steken. Alles natuurlijk
tegen de achtergrond van de vraag of Numaga, had zij wel een waarschuwend vingertje
opgestoken, invloed op het stadsbestuur had kunnen uitoefenen.
Het ledenbestand van Numaga
Keren we voor de laatste keer terug naar het programma van 1954. Rogier achtte de
steun nodig van "ten minste 400 leden", wilde de vereniging levensvatbaar zijn.
Nu, in 2003, telt Numaga bijna 1100 leden. Om kort te gaan, de bestaansgrond van Numaga is
minstens zo groot als vijftig jaar geleden; de door Rogier veronderstelde belangstelling
voor de Nijmeegse geschiedenis is nog altijd springlevend. Had de vermaarde eerste
voorzitter eventjes een blik in de toekomst kunnen werpen, dan zou hij niet ontevreden
zijn geweest.
50 jaar Numaga: plannen voor het jubileum in 2004
Hoe gaat Numaga haar halve eeuwfeest nu vieren? Ingetogen en met oog voor kwaliteit -
dat zijn de sleuteltermen, geheel naar de aard van de vereniging. Een reeks
lustrumactiviteiten staat op de rol. Het Nijmeegs Katern komt met een dubbelnummer, gewijd
aan de jaren vijftig, het decennium waarin Numaga werd opgericht. Op dit thema zal worden
voortgeborduurd in vier lezingen, verspreid over het jaar. Gerenommeerde sprekers laten
hun licht schijnen over 'Nijmegen in de jaren vijftig', met als onderwerpen: de
totstandkoming van het Groene Balkon (waarover de gemoederen hoog opliepen), de
wederopbouw, het culturele leven en het religieuze leven. Is het thema al bijzonder, de
lezingen in het lustrumjaar zullen worden opgesierd met muziek (een enkele zelfs met
poëzie!) en met filmbeelden, dankzij de gewaardeerde medewerking van de Stichting
Nijmegen Blijft in Beeld. Tevens is een speciale feestdag in voorbereiding, waarop onder
meer de vijfjaarlijkse Numaga-erepenning wordt uitgereikt aan een persoon of instantie die
de afgelopen jaren een bijzondere prestatie heeft geleverd op het gebied van ofwel de
bevordering van de kennis van het verleden van Nijmegen ofwel het behoud van het Nijmeegse
culturele erfgoed. Aan het eind van het jaar verschijnt een bijzondere editie van het
Jaarboek Numaga: een biografisch vademecum met enkele honderden lemmata over personen uit
de Nijmeegse geschiedenis. Tot slot zal vroeg in 2005, als slagroom op het toetje, een
CD-Rom verschijnen met daarop alle publicaties die door Numaga de voorafgaande
eenenvijftig jaar zijn verzorgd, dus inclusief de publicaties uit het komende lustrumjaar.
Het Jaarboek Numaga 2003
In afwachting van dat al, kan de dorst naar kennis van de Nijmeegse geschiedenis voorlopig
worden gelaafd aan het voorliggende Jaarboek Numaga. Het zwaartepunt ligt dit keer op het
interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen. Het is trouwens in die jaren, meer
precies in de tweede helft van de jaren dertig, dat de kiem voor het latere Numaga werd
gelegd. Zoals Rogier ons in 1954 meldde, was in 1936 door Nijmeegse notabelen een
bescheiden historische vereniging opgericht, die zich bezighield met het verzorgen van een
enkele spreekbeurt, het vormen van studiekringen en vooral het houden van rondleidingen in
de stad. Het wedervaren van deze vereniging is grotendeels in nevelen gehuld - zeker is
slechts dat zij vanaf november 1937 ging onder de noemer 'Numaga' en dat zij nadat
Nederland in mei 1940 werd bezet, ophield te bestaan. Vandaar dat Rogier meende dat in
1954 in plaats van "oprichting" beter gesproken kon worden van een opstanding
"uit de schijndood". Hoe dat ook zij, het mag opmerkelijk heten dat uitgerekend
in de jaren dertig, een decennium dat toch vooral werd gekenmerkt door economische crisis
en sociale en politieke onrust, de belangstelling voor het Nijmeegse verleden voor het
eerst min of meer structureel aandacht kreeg. Veel is sinds de dagen van onze voorvaderen
veranderd, maar niet de door Rogier geconstateerde "wil" om het lokale
historische bewustzijn te verlevendigen en te verdiepen.
Herdenking
Dames en Heren, voor wij nu overgaan tot de plechtige aanbieding van het Jaarboek
Numaga 2003 wil ik kort stilstaan bij enkele ernstige gebeurtenissen in het
verenigingsleven. Elk jaar opnieuw komen enkele, veelal trouwe leden van Numaga te
overlijden. Je zou het de trieste, maar onvermijdelijke consequentie van de
leeftijdsopbouw van ons ledenbestand kunnen noemen. Wij houden hen allen in ere, maar ik
wil ditmaal toch twee gestorven leden in het bijzonder noemen. Op vrijdag 23 mei
jongstleden overleed oud-burgemeester Frans Hermsen op 76-jarige leeftijd. Hij was
Nijmegens burgervader van 1978 tot 1987 en zal, ongeacht zijn verdiensten, vermoedelijk
toch altijd worden herinnerd als de man die tijdens de Piersonrellen van 1981
verantwoordelijk was voor de inzet van de Mobiele Eenheid en pantservoertuigen tegen de
krakers en hun massaal opgekomen sympathisanten. Hermsen was ook lid van Numaga, ere-lid
nog wel, de laatste burgemeester die die titel als vanzelf kreeg toebedeeld. Een dag
later, op zaterdag 24 mei, overleed op 64-jarige leeftijd prof. dr. Jan Roes, bij leven
hoogleraar Geschiedenis van het Nederlands Katholicisme aan de KUN. Zijn heengaan is
natuurlijk eerst en vooral een groot persoonlijk verlies voor zijn familie. Numaga
verliest in hem een trouw lid, de geschiedbeoefening in Nijmegen een hardwerkend en
bevlogen historicus, zijn vrienden en kennissen - onder wie velen van ons - een
ruimhartig, vriendelijk en goed mens. Jan was overal in de stad graag gezien. Eerder heb
ik u de naam genoemd van mevr. Netty Van Oss-Van den Heuvel van het Nimweegs Soap Theater,
die in januari van dit jaar voor onze vereniging enkele passages uit de memoires van
Willemken van Wanray in het 'Nimweegs' voordroeg. De hartelijke wijze waarop zij haar
medewerking verleende, doet ons te meer treuren om het feit dat zij nog geen twee maanden
later plotseling kwam te overlijden. Laten wij hen allen in een moment van stilte onze eer
bewijzen.
Tom van Rijn en de KUN-historie
"Een jaar is voorbij, waarin Nederland in oorlog is. De gevolgen van de bezetting
hebben ook op het studentenleven een groten invloed uitgeoefend. Getracht werd alles zoo
normaal mogelijk doorgang te doen vinden. Echter vele dingen, die het Corpsleven andere
jaren plachten op te smukken, moesten dit jaar achterwege blijven. Ook wij moesten volgen
in de algeheele versobering. Keerden velen van de gemobiliseerde studenten na de groote
vacantie in Nijmegen terug, daartegenover staat ook een zeer groot aantal, dat tengevolge
van de buitengewone omstandigheden afstudeerde, en anderen, die sneller wilden afstudeeren
dan zij aanvankelijk van plan geweest waren, zoodat ook hun activiteit voor het Corps
verloren ging. Ziehier eenige factoren, die een bloeiend Corpsleven in den weg stonden,
naast andere oorzaken, die nog directer in verband staan met de bezetting van 's Rijks
grondgebied in Europa." Dames en Heren, eenieder die behept is met enig historisch
gevoel, en dat bent u allemaal, anders was u hier niet, moet in staat worden geacht om de
zojuist geciteerde tekst te duiden naar datering en herkomst. U heeft gelijk, uw gevoel
laat u niet in de steek: het is inderdaad de openingsalinea van het Jaarverslag van het
Nijmeegs studentencorps Carolus Magnus, 1940 - 1941. Één van u heeft de tekst wellicht
zelfs herkend. Want de schrijver van deze regels, waarin de bedompte sfeer van
verslagenheid zowel als berusting, van gelatenheid zowel als spanning, een sfeer die zo
kenmerkend was voor het eerste oorlogsjaar, onmiskenbaar tot uiting komt, de schrijver van
deze regels nu bevindt zich in ons midden. Het betreft mr Tom van Rijn, praeses van
Carolus Magnus in dat donkere jaar 1940-1941 en degene aan wie wij vandaag het eerste
exemplaar van het Jaarboek Numaga aanbieden.
De Aula: het thuis van de KUN en van Van Rijn

Waarom aan de heer Van Rijn, en waarom in dit gebouw, zult u zich afvragen. Welnu, dat
heeft in de eerste plaats van doen met het thema van het Jaarboek 2003, het interbellum.
Naar bekend is dit gebouw de voormalige aula van de Katholieke Universiteit. Het werd in
1931 opgeleverd, ingezegend en in gebruik genomen, de eerste nieuwbouw in de geschiedenis
van de universiteit. Kortom, het is een typisch interbellum gebouw. Het werd in opdracht
van de Sint Radboudstichting ontworpen door architect M. van Oyen, bouwmeester van het
bisdom Haarlem, die indertijd overigens behoorlijk wat kritiek kreeg. Zo noemde de dichter
Henri Bruning dit gebouw "een gepleisterde pisbak", waarvan hij hoopte dat het
snel door een aardschok zou verdwijnen. Nu was Bruning een schreeuwlelijk, die niet al te
serieus moet worden genomen, maar ook van meer deskundige kant werd het gebouw een
getuigenis van "geestelijke machteloosheid" genoemd, met een "banale"
architectuur. Even kwam de aula in architectuurkringen bekend te staan als "de ramp
van Nijmegen".
Hoe men ook over het gebouw mocht denken, gefunctioneerd heeft het sindsdien wel
degelijk. Honderden promotieplechtigheden en duizenden afstudeerplechtigheden hebben zich
hier afgespeeld, honderden oraties zijn hier afgestoken, duizenden colleges gegeven. En zo
is het gebouw ook geregeld voor andere doeleinden gebruikt. Zo zetelde de Hoge Raad der
Nederlanden hier tussen april 1943 en mei 1945, en zo was dit gebouw naar bekend het
toneel van roemruchte studentenbezettingen rond 1970. Het is al met al een gebouw met
geschiedenis. En zo doet het mij deugd om als voorzitter van Numaga te kunnen zeggen:
welkom in de ramp van Nijmegen. Dat overkomt je niet elke dag. |
| De heer Van Rijn nu, hoort een beetje bij dit
gebouw. Hij werd geboren in Zwolle in 1918 en ving in 1938 in Nijmegen zijn studie in de
rechtsgeleerdheid aan. Hij heeft het Nijmegen van het interbellum dus nog gekend - en een
van zijn eerste bezoekjes aan de universiteit moet wel in dit gebouw hebben plaatsgehad.
Hij behaalde zijn kandidaatsexamen op 26 november 1940 en zijn doctoraal examen op 6
november 1944. Daarmee was hij één van de eersten na de bevrijding van Nijmegen.
Tussendoor was hij, als gezegd, praeses van Carolus Magnus in 1940-1941, in welke
hoedanigheid hij hier kind aan huis was. Tom van Rijn en het Nijmeegs
Studentencorps Carolus Magnus in het eerste oorlogsjaar
Van Rijn begon dat academisch jaar overigens als questor van de Senaat. De Duitsers
hadden Nederland nog maar kort tevoren bezet en het werd door de universitaire overheden
verstandig gevonden dat in die moeilijke omstandigheden een oudere, ervaren student het
praesidiaat op zich zou nemen. Dat duidt er trouwens op dat de functie van praeses van
Carolus Magnus in die jaren geen sinecure was. Hij - het waren uiteraard altijd heren,
geen dames - was voorman van de gehele studentengemeenschap en hij had talrijke
belangrijke representatieve taken. Die eerste praeses tijdens de bezetting werd Jo Cals,
de latere minister van Onderwijs en minister-president, die nota bene kort tevoren was
afgestudeerd. In december 1940 nam Van Rijn de functie van Cals over. Ik haal nu nog
enkele punten op uit het door Van Rijn geschreven, zojuist al aangehaalde jaarverslag van
Carolus Magnus in 1940-1941. Strikt genomen zijn we niet meer in het interbellum, maar de
tekst roept toch de sfeer van die jaren op en zo kunt u alvast in de stemming komen voor
het Jaarboek. Het verslag laat zien dat het leven in dat eerste oorlogsjaar ondanks de
bezetting gewoon doorging - dat gold niet alleen de Nijmeegse studentengemeenschap, maar
vrijwel alle maatschappelijke geledingen in Nederland. Het was de periode die later met de
term 'accommodatie' zou worden getypeerd.
Een kleine bloemlezing uit het verslag van de heer Van Rijn:
"Gedurende den groentijd, en zelfs nog na de inauguratie, bleken straffe maatregelen
ter beteugeling van de eerste-jaars en ter voorkoming van groote lakscheid
onontbeerlijk." "Op 19 october vond de inauguratie van nieuwe leden plaats. Den
avond tevoren hielden de groenen ons bezig met het traditioneele groenentoneel, dat
dankzij de zorgen van eenige ouderejaars en de ijver, waarmee het was ingestudeerd, tot
een groot succes werd. Niet het minst werd de avond opgeluisterd door den plotselinge
terugkeer van den praeses (Cals, die kort tevoren was opgepakt en enige tijd was
vastgehouden), welk feit de gemoederen zoo in feeststemming bracht, dat spontaan besloten
werd het soirée van den volgenden avond, dat eerst geen doorgang zou vinden, toch te doen
plaats vinden. De dag zelf werd ingezet met een plechtige H. Mis. Gedurende de
buitengewone corpsvergadering, die 's middags in de Aula Maior plaats vond (hier dus) was
prof. Buytendijk de feestredenaar met als onderwerp: 'De plicht der gezondheid'.
Op initiatief van eenige Corpsleden werd in de eerste week van november een tocht
georganiseerd naar den Grebbeberg, waar een Requiemmis werd opgedragen en een krans werd
gelegd namens de Nijmeegsche studenten op het graf van een Onbekend Soldaat. Paul Huf kwam
15 november in de Groote Zaal van het Corpsgebouw een voordrachtenavond houden, getiteld:
'Karakteristiek in verzen van ons volk'. Godfried Bomans (student alhier) vergastte ons op
een lezing over zijn nieuwe boek: Erik, welke tot titel had: 'De wereld, gezien door het
oog van een meikever'.
Etcetera, etcetera. Zo gaat de opsomming door met activiteiten die ons een verrassend
inkijkje geven zowel in het toenmalige studentenleven als in de tijd zelf. Dat de
oorlogsomstandigheden verbroederden, of ten minste de studenten meer op elkaar betrokken
deed zijn, blijkt bijvoorbeeld tussen de regels van het volgende:
"Ofschoon de Sociëteit Roland door een vroeg sluitingsuur (het gevolg van de
avondklok) en een verminderd optreden naar buiten (ook ten gevolge van de bezetting) ten
zeerste in de activiteit werd belemmerd, is het afgelopen jaar niet onbevreedigend te
noemen. Het Sociëteitsbezoek liep zeker niet achteruit. Het kopje koffie om twaalf uur
werd zeer geregeld geconsumeerd en het bezoek onder borreltijd steeg in vergelijking met
andere jaren aanmerkelijk."
Dat studenten altijd studenten zullen blijven (en hoogleraren hoogleraren), blijkt weer
uit het volgende. In juni 1941 hadden hier in dit gebouw de traditionele Aula-lezingen
plaats, die ook open stonden voor het Nijmeegse publiek, toen onder het thema: Arbeid.
Enkele deskundigen spraken over 'Arbeid en het zedelijk-godsdienstig leven', 'Rerum
Novarum en het arbeidsvraagstuk', 'Arbeid en het economisch leven' en 'De sociale functie
van arbeid'. Van Rijn besluit de alinea daarover aldus: "Ofschoon het onderwerp zeer
interessant was en de sprekers alleszins bevoegd waren, liet de belangstelling, vooral van
de zijde van professoren en studenten, wel eenigszins te wensen over." Daartegenover
staan weer de activiteiten van de zogeheten Vondelkring, die druk werden bezocht en van
alleszins goed niveau waren. Een voorbeeld. "Op uitnodiging van mevrouw en den heer
Collette werd een avond in hun huis doorgebracht, om te luisteren naar muziek uit het
laatst van de 16e eeuw tot het begin van de 18e eeuw, muziek, die zeer waarschijnlijk ook
door Vondel moet zijn genoten en die door de familie Collette werd weergegeven op
instrumenten uit die dagen als spinet, clavecymbel, viola da gamba, etc. De heer Joan
Collette jr. gaf een korte inleiding over de belangstelling van den zeventiendeneeuwer
voor muziek en zijn beoefening daarvan." Kom daar nog eens om, ben ik geneigd te
zeggen.
Dat men, tot slot, ook weer onbekommerd plezier kon maken, blijkt weer uit de volgende
gebeurtenis van, in deze tijd, 63 jaar geleden. "Een zeer grootsche Sint
Nicolaasviering werd op touw gezet, waarbij de heilige Man (gespeeld door Godfried Bomans)
aan de pont werd afgehaald, te paard een rondgang maakte door de stad, versnaperingen
uitdeelde aan de Nijmeegsche jeugd die in groote getale van haar belangstelling blijk gaf,
en ten slotte op de Sociëteit werd ontvangen, waar hij als gebruikelijk zijn vermaningen
aan de Sociëteitsleden gaf." Tot zover de bloemlezing uit het Jaarverslag van de
heer Van Rijn.
Van Rijn, Aula en Numaga
Ook na zijn afstuderen bleef de heer Van Rijn een band met dit gebouw behouden. Zoals de
meesten van u wel weten, doorliep hij een ambtelijke carrière aan de universiteit,
aanvankelijk was hij adjunct-secretaris van het College van Curatoren, later secretaris en
weer later directeur A-Faculteiten. Hoe vaak zou hij in die jaren de drempel van dit
gebouw hebben gepasseerd? Na zijn pensionering heeft hij zich ook in geheel andere zin met
dit gebouw beziggehouden. Zo publiceerde hij erover in een artikel over de geschiedenis
van de huisvesting van de universiteit in het Jaarboek Numaga van 1994. Daarmee komt de
relatie Van Rijn - Numaga om de hoek kijken. Behalve als publicist toonde de heer Van Rijn
zich ook in ander verband een verdienstelijk lid. Zo kan ik me uit de eerste jaren van
mijn eigen bestuurspraktijk herinneren dat de heer Van Rijn, samen met Peter de Kort en
Maarten Hageman, op verzoek van het bestuur een rapport samenstelde over het door hen
gepleegde onderzoek naar de receptie van de Numaga periodieken onder de leden.
En dan is er tot slot nóg een reden waarom de heer Van Rijn een bijzonder lid is. Op de
oudste beschikbare ledenlijst van Numaga, daterend van 1956, prijkt al de naam mr.
T.N.J.A. van Rijn. Het is niet ondenkbaar, maar misschien kan hij dat straks bevestigen,
dat hij al meteen bij de oprichting van Numaga in 1954 lid is geworden. In ieder geval
behoort hij tot de eerste generatie leden van onze vereniging. Door het eerste exemplaar
van het Jaarboek 2003 aan hem aan te bieden wil Numaga de trouw van de heer Van Rijn
prijzen. Maar ook wil Numaga, aan de vooravond van onze vijftigste verjaardag, in de heer
Van Rijn al die Nijmegenaren eren die in inmiddels lang vervlogen tijden lid zijn geworden
van Numaga en aan wie wij derhalve het bestaan van de vereniging te danken hebben. |