NUMAGA

Vereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving


Toespraak bij de aanbieding van het Numaga Jaarboek 2006, tevens Nijmeegs Biografisch Woordenboek deel 2, op zaterdag 2 december 2006 in het Kolpinghuis te Nijmegen


Hoe Nijmeegs moet je zijn voor een stek in het stadsgeheugen? Zin en onzin van een stedelijk biografisch woordenboek

Naar aanleiding van: Paul Begheyn s.j. (red.), Nijmeegse biografieën,  I (Hilversum: Verloren, 2004), 143 blz., geïll. ISBN 90-6550-838-4; Deel II, in: Numaga, jg. 53 (2006), p. 5-142.

door Prof.dr. Willem Frijhoff

Mijn oma van vaderskant Nolly Bongenaar, onderwijzeres in nuttige handwerken en vervolgens moeder van veertien kinderen, onder wie twee tweelingen, heb ik tevergeefs in de Nijmeegse biografieën gezocht. Begrijpelijk: ze ligt wel op Jonkerbosch begraven, maar woonde slechts bij toeval in de stad, omdat een van haar dochters haar daar in haar ouderdom verzorgde. Haar Nijmeegse kwaliteit beperkt zich tot een kamer in een huurhuis en een graf. Niet veel, al kan zo'n graf wel heel lang duren. Maar toch altijd nog meer dan de Romeinse keizers Tiberius en Traianus, in de Nijmeegse biografieën respectievelijk beschouwd als peetvader en stichter van de voorganger van de huidige stad, maar die er nooit zijn geweest. Haar ongehuwde dochter, mijn tante Rie (of, zoals ze zich vanwege de Nijmeegse katholieken noemde: Ria) Frijhoff, woonde na het overlijden van haar moeder decennialang in een grote kamer op de St.-Annastraat, waar wij in de zomer vanuit Zutphen naartoe fietsten om vanuit de voortuin de Vierdaagse te bewonderen. Zij werkte als secretaresse bij het Apostolaat des Gebeds aan de Graafseweg, onder pater Jacques de Rooij, een jezuïetse slavendrijver, zoals ik zelf ondervond toen ik er tijdelijk als vakantiehulpje was. Via Berlitz leerde ze vele talen inclusief het Esperanto. Ze onderhield een uitgebreide correspondentie met een Italiaanse hartsvriendin en deed na haar pensionering veel verdienstelijk werk voor haar parochie in Dukenburg. Ze bemoederde daar de opeenvolgende studenten in haar portiekflat en omdat ze slecht ter been was deden die haar boodschappen. Van de gigantische bramenstruiken in haar verwilderde achtertuintje kwamen eindeloze potten bramenjam die ze genereus aan jan en alleman uitdeelde. Niets voor een biografisch woordenboek, met andere woorden. Een modale vrouw, arm maar gul, professioneel misdeeld maar sociaal sterk, goedgemutst maar zonder dat ze over zich heen liet lopen, leergierig en nieuwsgierig maar geen intellectueel, gelovig maar geen kerkrat, een kosmopoliet naar de geest maar zonder de middelen om daar fysiek gestalte aan te geven, sociaal een underdog maar cultureel een onafhankelijke geest, zonder nageslacht om haar te roemen (die taak neem ik vandaag dus maar even op me), en zonder monument in wat voor zin dan ook, behalve haar bidprentje. Die bidprentjes vormen voor katholiek Nijmegen zeker een alternatief biografisch woordenboek.

Geen van beide vrouwen zal in deze Nijmeegse biografieën terechtkomen, tenzij een historicus zich daar persoonlijk voor inzet en van hun leven een casus maakt, zodat ze model staan voor een groep of een segment van de stadsbevolking. En ja, waarom eigenlijk niet? Ze hebben geen grote daden verricht - al mogen we niet te gering denken over de geboorte en opvoeding van veertien kinderen. Maar het is waar, mijn grootmoeder baarde en voedde niet in Nijmegen maar in Leiden. Als zij al ooit in een biografisch woordenboek zou komen, dan zou het dat van haar geboortestad Leiden zijn. En wat mijn tante betreft: de actieradius van ongetrouwde vrouwen kon (en kan) in een stedelijke samenleving tentaculaire vormen aannemen - als een spin in een relatieweb, om het maar oneerbiedig te zeggen. Zulke vrouwen schragen het sociale en culturele leven van de stad, ze zijn het cement van de sociale cohesie. Hebben ze niet evenveel recht op een stek in het geheugen van hun woonstad als al die religieuzen, hoogleraren en politici die door het toeval van een baan of een functie in Nijmegen verzeild raakten en er vaak nauwelijks meer dan voorbijgangers zijn geweest, mentaal verankerd in heel andere gemeenschappen: hun politieke partij, hun kloosterorde, het wereldje van kunstenaars en schrijvers, of hun vakgebied? Inwoners van de stad, geen medespelers van de stedelijke gemeenschap? En dan waren mijn grootmoeder en tante op de koop toe natuurlijk nog vrouwen. Vrouwen hebben, het is bekend, objectief een kleinere kans om in een biografisch woordenboek terecht te komen: 37 op de 291 in de twee thans verschenen delen, dus 12,7%, krap één op de acht. Want biografie gaat om wat je in de openbaarheid doet: beroepstaken, vrijwilligerswerk, functies, lidmaatschappen, prestaties, daden, geschriften. Tot pakweg een eeuw geleden was de openbaarheid voor vrouwen verboden of gevaarlijk terrein. Het wordt nu slechts langzaam beter.

U zult zich afvragen: waarom die persoonlijke voorbeelden. Daar heb ik een heel precieze reden voor. Een biografie is de publieke vorm waarin we rekenschap afleggen van het persoonlijke leven van een individu, in zijn context. De biografie vertelt hoe een persoon is omgegaan met de prikkels die uitgingen van andere personen in de specifieke context van ruimte en tijd, en hoe de omgeving op dat leven heeft gereageerd. Naarmate die ruimte en tijd kleiner of groter worden, verandert de biografie van aard en komen meer of minder, soms ook heel andere personen in beeld. Vele Nijmeegse gebiografeerden kunnen net zo goed ook in het Gelders biografisch woordenboek worden opgenomen, en in de vijf reeds verschenen delen van dat laatste is dat feitelijk ook vaak het geval. Er is nogal wat overlap tussen beide publicaties. De accenten zullen licht veranderen, maar van Nijmegen naar Gelderland is het in veel gevallen maar een kleine stap. De ruimte waarin, vroeger zo goed als nu, veel mensen tot een publieke bekendheid uitgroeien, is nu eenmaal breder dan de stads- of gemeentegrenzen. Muntmeester Jacob Alewijn, een Amsterdammer die in de zestiende eeuw enkele jaren te Nijmegen munten sloeg en in Harderwijk stierf, had evengoed, zo niet beter, in het Gelderse woordenboek kunnen staan. Maar apotheker Theodorus Abeleven, die in 1848 de Flora van Nijmegen publiceerde en daarvoor vast wel een aantal tochten buiten de vesting zal hebben gemaakt, hoort toch echt in het Nijmeegse deel thuis. Een lokaal biografisch woordenboek is er voor mensen van lokale maat. Een bevlogen biograaf kan hen gemakkelijk tot nationale proporties willen opblazen, maar dan past genadeloze interventie van de redactie. Nee, Jan van Hoof was geen nationale held maar een lokale. En ja, Annie Romein-Verschoor mag dan in Nijmegen (pardon: Hatert ? lees het lemma) geboren zijn, met Nijmegen had ze eigenlijk niets, met de natie des te meer, en daar was ze zich bijzonder van bewust.

Een nationale biografie gaat over personen die hun leven een nationale actieradius hebben gegeven, of waarover een verhaal van nationale betekenis te vertellen valt: grote mannen en vrouwen, politici, ondernemers, kunstenaars, schrijvers, geleerden. Nationale betekenis maakt een lokaal verhaal wat ridicuul. We zijn nu aan het eind van het Rembrandtjaar. Rembrandt is zo'n nationale grootheid. Niet door zijn leven, want dat was eerst Leids, daarna Amsterdams. Al trouwde hij in Friesland en maakte hij wel eens een tochtje langs de Amstel of de Rijn, de Jodenbreestraat was zijn thuis. Enkele steden hebben geprobeerd een graantje mee te pikken van het Rembrandtjaar door een lokaal verhaal over Rembrandt te vertellen: Zwolle bijvoorbeeld, en zijn geboortestad Leiden. Dat gaf aandoenlijke stukjes chauvinisme te zien, maar geen biografie. Rembrandt is dat lokaal niveau ontstegen, daar kun je niet meer naar terug. Hetzelfde geldt voor historische figuren die niet alleen door hun leven maar ook door hun betekenis en toe-eigening, of door de verhalen en legendevorming, hun geboortestad ver achter zich hebben gelaten.

Dan denk ik natuurlijk - maar hier vloek ik in de kerk - aan Petrus Canisius of, dichter bij ons, Titus Brandsma. Terecht staan beiden in de Nijmeegse biografieën. Voor Canisius is Nijmegen geboortestad - en als zelfs je geboortestad je niet meer eert, tja, dan heb je een evangelisch probleem. Maar hij kreeg er gelukkig zijn cultus en zijn bedevaart. Hij is er na zijn vijftiende echter nauwelijks meer geweest. Even terecht beperkt het lemma Canisius in deel I zich dan ook tot een snelle opsomming van zijn banden met Nijmegen, zonder zelfs maar een schijn van een poging te doen om zijn centrale rol in de katholieke Reformatie van Midden-Europa en zijn betekenis als kerkleraar op waarde te schatten. Daarvoor is een lokale biografische gids niet het juiste medium. Canisius was in Nijmegen dan ook geen medespeler, in tegenstelling tot zijn patricische familieleden, die er met meer recht in zouden staan dan hijzelf en zijn neefje Hendrick (in deel II), dat de stad ook al definitief verliet toen hij 20 was en in Ingolstadt als professor stierf.

En hoe Nijmeegs is Titus Brandsma eigenlijk? Ook een nationale grootheid, niet in Nijmegen geboren en daar, overigens geheel zijns ondanks, ook niet overleden, wel in Nijmegen actief als academicus, maar toch vooral tot nationale proporties uitgegroeid als icoon van het verzet en slachtoffer van de onderdrukker, en daarvoor in Nijmegen als nationale figuur met een cultusmonument geëerd. Onlangs is hij, heb ik begrepen, zelfs uitgeroepen tot grootste Nijmegenaar aller tijden. Een wat vermetele beslissing, waarvan ik de Nijmeegse reikwijdte niet helemaal overzie - want religieuzen hebben nu eenmaal het immense voordeel van een orde die actief hun cultus propageert. Maar het is wel een mooi voorbeeld van de emoties die een lokale biografie kan oproepen. Titus Brandsma is óók de internationale patroonheilige van de journalistiek, en als zodanig vond ik zelfs een lofzang in het Catalaans op zijn naam. Maar dat moet een lokaal woordenboek eigenlijk niet willen weten. Dat doet er goed aan zich te beperken tot de banden die nationale of internationale helden met hun plaats van herkomst of handeling onderhouden. Nijmegen hoeft omwille van Canisius en Brandsma niet tot het centrum van de Contrareformatie of het historische middelpunt van het nationaal verzet te worden opgeblazen. En gelukkig gebeurt dat hier ook niet.

Maar wat moet een lokaal biografisch woordenboek dan wel bieden? Hoe Nijmeegs moet je zijn voor een hechte stek in het Nijmeegse stadsgeheugen? Ik noemde het sleutelwoord al: je moet aantoonbaar medespeler zijn geweest in de stadsgemeenschap, en je moet als zodanig herkenbaar en herinnerbaar zijn. Ook na je dood moet men je kunnen opsporen, moet men zich een beeld van je kunnen vormen. Dat beeld is per definitie heel concreet. Een stadsgemeenschap bestaat uit straten, buurten, wijken, instellingen, parochies, kerkelijke gemeenten of verenigingen, uit gezinnen, families en geslachten, op het meest levensnabije aggregatieniveau van de stad. Al die kringen kun je herleiden tot kleine netwerken rondom concrete, individuele personen, en zulke personen maken de stad, haar geheugen en haar beeld naar binnen en buiten.
De eerste en traditioneel ook de sterkste band van een persoon met een plaats is de plek van zijn geboorte. Toekomstige generaties zullen daar iets op moeten verzinnen, want steeds meer baby's worden in ziekenhuizen en klinieken buiten de woonplaats van hun ouders geboren, en de gemeenten zelf krijgen een steeds monsterlijker omvang, waar de menselijke schaal en de lokale herkenbaarheid soms verre te zoeken zijn. Wat te denken van de lokale inbedding van iemand die geboren is in gemeenten als Rijnwaarden, Berkelland, of Lingewaal? Hoe zou die zich identificeren met een geboorteplaats, en hoe zou die geboorteplaats hem of haar herkennen? Krijgen we straks een Lingewaals biografisch woordenboek? Dat strijdt vooralsnog met de manier waarop ons burgerschapsgevoel en ons historisch geheugen functioneren, en daarom gaat het óók bij een lokale biografie.

Nog lastiger wordt het als iemands geboorteplaats niet als eigenlijk wordt erkend. Dat wat hilarische geval doet zich voor met onze bijna-grootste Nederlander Erasmus van Rotterdam, die ik hier even als voorbeeld neem voor een veel groter probleem - u zult merken dat ik als vanzelf weer bij Nijmegen terugkom. Niet alleen weten we niet precies in welk jaar Erasmus is geboren, er zijn ook sterke aanwijzingen dat hij in Gouda is verwekt alvorens in Rotterdam ter wereld te komen. Toen hij als klein kind eenmaal uit Rotterdam was vertrokken is hij er nooit meer teruggekeerd. Toch tooide hij zich later met het trotse epitheton Roterodamus, wat de stad Rotterdam al in 1549 tot de oprichting van een standbeeld verleidde, dat door de toekomstige koning Filips II werd bezocht als was het een echte stadsheilige. Tussen Gouda en Rotterdam woedt dan ook al eeuwen een toe-eigeningsstrijd van de grote Erasmus, met toppen en dalen, nu even weer een top. Wat moet je nu met zo?n betwist stadsicoon als lokaal biograaf? Was Erasmus nu een Gouwenaar of een Rotterdammer? In Rotterdam stond tot de oorlog een fake façade van zijn zogenaamde geboortehuis, en sommigen willen die nu weer opbouwen ? zoiets als de donjon op het Nijmeegse Valkhof. Maar in het Goudse museum berust ook al enkele eeuwen een portret van Erasmus waarin hij ?Goudae conceptus, Roterodami natus? heet, zoals de historicus Boxhorn een eeuw na zijn dood al schreef. Ik verwed er wat om dat ook onder de Nijmeegse geboorten van deze biografieën wat externe concepties zijn, sommigen wellicht zelfs buitenlands.

In een recent nummer van Tidinge van die Goude, het historisch tijdschrift van Gouda, wordt de strijd om Erasmus uitvoerig uit de doeken gedaan. Want in tegenstelling tot wat u zou kunnen denken is dat niet iets uit een ver verleden, maar een ruzie van een barre actualiteit, met als inzet historische waarden, toeristische belangen en stedelijke trots, ja stedelijke eer. Gevechten om stedelijke eer zijn van alle tijden, en ze zijn nu niet minder heftig dan vroeger - denk aan de wereld van de voetbalstadia. In het inleidende artikel op dat themanummer zet collega-historicus Paul Abels het probleem vakkundig in de steigers. En zoals het past neemt hij zijn eigen geval daarbij als vergelijkingspunt. Ik citeer: "De auteur van dit artikel is in Nijmegen geboren. Nog voor hij kon staan is hij - of liever gezegd werd hij door zijn ouders - verhuisd naar Almelo. In deze Twentse stad groeide hij op, leerde hij een vak en vond hij de vrouw van zijn leven. Als Heimatvertriebene om den brode verhuisde hij vervolgens naar Gouda, waar hij

nu alweer meer dan twintig jaar naar volle tevredenheid woont met vrouw en drie dochters. [...] Is hij een Nijmegenaar, een Almeloër of een Gouwenaar? Het predikaat Nijmegenaar komt daarbij het minst in aanmerking, hoewel hij zijn leven lang op elk officieel formulier of document eraan herinnerd wordt dat hij in deze stad het levenslicht zag. De onmogelijkheid om zich Nijmegenaar te willen en kunnen voelen bleek hem overduidelijk tijdens zijn studietijd aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen. [...] dan viel hij onmiddellijk door de mand wegens zijn tongval en het gebrek aan aansluiting bij de collectieve herinnering van 'echte' Nijmegenaren" (jaargang 24, nr 4, oktober 2006, p. 118). Een Nijmegenaar die Tukkers praat, dat kan natuurlijk niet. En toch, als Paul Abels ooit in een lokaal biografisch woordenboek komt, waarom zou het dan niet dat van Nijmegen zijn, gesteld dat de stad trots is op zo'n spruit die ambtelijk onbetwist als Nijmegenaar te boek staat?

Uit de lemma's in de twee verschenen delen van de Nijmeegse biografieën blijkt wel hoezeer het geboortecriterium rammelt. Lang niet alle beroemde Nijmegenaren zijn in Nijmegen geboren, en die er wel geboren zijn hebben soms nauwelijks een Nijmeegse reden tot roem. Nemen we bijvoorbeeld Anthonis van Aken, een ca. 1420 geboren Nijmegenaar die met zijn ouders al in 1427 naar Den Bosch verhuisde. Hoewel hij een schilder heet te zijn geweest, is er geen enkel schilderstuk van hem overgeleverd. Zijn grootste eretitel is dat hij de vader was van een andere Van Aken, die we allemaal veel beter kennen als Jeroen Bosch, genoemd naar, jawel, zijn geboortestad 's-Hertogenbosch, niet zijn stamstad Nijmegen. Als u mij mijn eerlijke mening vraagt, zou ik dit kenschetsen als een geval van Nijmeegse toe-eigening bij procuratie, dus onterecht. Want die Jeroen Bosch heeft dus echt helemaal niets met Nijmegen of Gelre van doen, en het portret van Jeroen Bosch in de tweede bundel hoort er niet in thuis. Maar daar raken we natuurlijk een ander motief van opname in een lokaal biografisch woordenboek: stedelijke trots, die vaak tot mythe- of legendevorming leidt, en stiekem de bakens van de definities verzet. Vandaar ook die mooie reeks keizers waarop Nijmegen - en dit woordenboek - in de eerste dertien eeuwen pocht: Tiberius, Trajanus, Karel de Grote, Barbarossa, keizerin Theophano. Alsof er tot ver in de veertiende eeuw alleen maar royalty in die lemen hutten met strooien daken aan de Waaloever woonde.

In de historische werken over Nijmegen die redacteur Begheyn in zijn inleiding op het eerste deel citeerde - u weet wel, auteurs als Guiciardini, Smetius, Arkstee of In de Betouw -, werden aanvankelijk alleen personen opgenomen die te Nijmegen "geboren en opgevoed" zijn, of "voorname inboorlingen". Zo kan het thans natuurlijk niet meer. Sinds het poorterschap geen onderscheidende functie meer heeft, dus al zo'n twee eeuwen lang, is de definitie van wie als Nijmegenaar mag worden beschouwd steeds vager geworden. Dat valt ook hier te merken. We vinden in deze bundels verschillende vormen van banden met Nijmegen. Een snelle telling wijst uit dat slechts iets meer dan één derde van de besprokenen in Nijmegen is geboren, en dat daarvan iets meer dan de helft ook in Nijmegen is gestorven. De andere helft is uit de stad vertrokken, naar verre landen of grote taken, soms al op jonge leeftijd. Ik denk dan aan pater Canisius, bisschop Ortemberg, missiebisschop Hamer, cineast Ivens, professor Noodt, admiraal Sweers, vliegtuigbouwer Noorduyn, historica Romein-Verschoor. Soms jeuken je handen om op speurtocht te gaan en heeft zo?n lemma een stukje verborgen tragiek. Zo bijvoorbeeld dat van de eerste proost van St. Steven in de zestiende eeuw, Derick Born: de man werd door conflicten met Keulen gedwongen zich daar te vestigen en stierf ver van zijn vaderstad. Zijn geschriften zijn allemaal verloren gegaan. Het portret van Derick Born dat Hans Holbein schilderde blijkt tot overmaat van ramp dat van een naamgenoot uit Londen. Wat blijft er dan nog van je historische identiteit als Nijmegenaar over?

Globaal heeft niet meer dan één besprokene op de vijf of zes zijn hele leven in Nijmegen gesleten. Velen zijn in Nijmegen of naaste omgeving gestorven zonder daar te zijn geboren; de meesten van hen kwamen naar de stad vanwege haar kloosters of de universiteit. Juist die laatste leveren stof voor eindeloze reeksen biografische schetsen van bedenkelijk Nijmeegs allooi, zoals uit deel II nog duidelijker blijkt dan uit deel I, waar de redactie nog wat terughoudend bleef en de modale burger wat meer plaats gunde. Maar is het niet zo dat alleen die geestelijken en professoren een lemma verdienen die iets voor Nijmegen als stad hebben betekend? Die met andere woorden niet alleen bewoners zijn geweest maar ook medespelers - stakeholders van de stad, in het huidige managerstaaltje? Bij sommigen was dat beslist het geval. Denken we aan Louis Rogier of Anton van Duinkerken. Maar velen kunnen we toch eigenlijk alleen door hun baan aan de universiteit als Nijmegenaar beschouwen. Hun actieradius was eigenlijk veel groter of lag ergens anders. Bidders, denkers of geleerden, geen betrokkenen.

Nogal wat lemma?s gaan over personen die niet in Nijmegen zijn geboren en al evenmin daar gestorven. Ze verbleven enige tijd in Nijmegen en vertrokken dan weer. Een wat overbodig lemma betreft bijvoorbeeld de zestiende-eeuwse franciscaan Antonius Broickwy, die, in Duitsland geboren en gestorven, zegge en schrijve één jaar in Nijmegen heeft gewoond, als gardiaan van zijn klooster en toevallig precies op dat moment een bijbelcommentaar publiceerde. Soms heeft de stad hun leven beïnvloed dan wel zij het leven van de stad, zoals in het geval van burgemeesters (Ien Dales bijvoorbeeld, of Frans Hermsen) of wetenschappers voor wie Nijmegen een stap in hun carrièrepatroon was. Vaak is het verband echter aan de iele kant, zoals bij passanten als Jan van Goyen, die twee keer op doortocht in Nijmegen was en daar de stad tekende, of studenten als Godfried Bomans, die later een heel persoonlijke schets van de sfeer in de stad schreef maar er verder niets bijzonders mee had. Zijn dat niet veeleer voetnoten in een stadsgeschiedenis dan kandidaten voor een Nijmeegse biografie?

We raken daar aan een dimensie die in het zojuist genoemde citaat van Paul Abels ook al naar voren kwam. Om met recht Nijmegenaar te kunnen worden genoemd en, zij het ook postuum, aanspraak te kunnen maken op een plaats in het lokale biografische woordenboek, moet je deel hebben aan het collectieve geheugen van de stad, hetzij actief, als medespeler, hetzij passief, als beroemdheid die de stad zelf in haar geheugen heeft ingelijfd. Dat zijn de symbolische helden, zoals de keizers Tiberius en Trajanus, en al die andere politieke grootheden uit het verleden die vast wel een keer in Nijmegen langs zijn geweest maar daar eigenlijk alleen een lokale glorietitel aan ontlenen als de stad dat uitdrukkelijk wil en daar ook een reden voor heeft. Dus wel de keizers en hun echtgenoten of hun kroost, als motief voor het keizerlijke zelfbeeld en de internationale roem van de stad, maar niet de weinig populaire stadhouder Willem V en zijn nog minder geliefde gemalin Wilhelmina van Pruisen, die er ook hun toevlucht namen, en zeker niet de Oranjevorsten van na 1815 - die zijn immers van ons allemaal. De Oranjes worden ons gelukkig bespaard. Maar ook de Gelderse hertogen blijven opvallend schaars. In die kluif mag Arnhem haar kaken zetten, zullen ze in Nijmegen hebben gedacht. Wij, vrije rijksstad, hebben onze keizers! Zo heeft elke stad haar eigen mythologie - zelfs het grafelijke Zutphen heeft zich recent een keizerpalts aangemeten.

Maar geboorte en dood bepalen niet alles in zo?n woordenboek, zomin als de stedelijke toe-eigening. Ook het slachtoffer zelf mag soms zijn zegje doen. Zo is een lemma gewijd aan de achttiende-eeuwse uitgever Hans Kaspar Arkstee, bekend van de naar hem genoemde straat, maar niet in Nijmegen geboren en al evenmin daar overleden. Die straatnaam dankt hij aan zijn lofzang in dichtmaat op Nijmegen, uitgegeven toen hij reeds als uitgever in Amsterdam woonde. Maar tijdens zijn jonge jaren in Nijmegen had hij zich wel grondig in de geschiedenis van de stad verdiept, en hij noemde haar in zijn voorwoord liefdevol "myne voedsterstad". Daar zijn we terug bij wat het echte probleem van Erasmus' toeschrijving aan deze of gene vaderstad bleek. Want welke stad beschouwt iemand zelf als zijn patria, zijn vaderstad? Sommige bewoners vinden die hele notie maar onzin en gedragen zich als ware kosmopolieten, anderen daarentegen vereenzelvigen zich met een stad waar ze bij toeval terecht zijn gekomen, door een verliefdheid, een baan, een toevallige woning, of de bekoring van een leefstijl. En dan moeten ze zich daar invechten om stedelijk stakeholder te worden. Is het niet een bekend feit dat de meest actieve leden van historische verenigingen gewoonlijk inwijkelingen zijn, inwoners die zich in de stadscultuur eigen moeten en willen maken en er juist daardoor vaak de meest strijdbare representanten van worden?

Zo'n inwijkelinge, maar dan een modale, was mijn tante Rie, die zich per saldo erg Nijmeegs voelde. Terug dus naar mijn tante. Moet ze erin? Mag zij erin? Ze heeft zich in Nijmegen genesteld en die stad als haar eigen stad beschouwd, hoe Leids ze in wezen ook gebleven was, inclusief haar oer-Hollandse accent en de devote observantie die ze, zoals alle Leienaars, onderhield jegens de derde oktober, hun onverbiddelijke stadsfeest. In Nijmegen was ze een medespeler, actief en overtuigd. Geen enkele lokaal woordenboek kan echter alle medespelers documenteren. En dat hoeft ook niet. Volledigheid en perfectie zijn de vijanden van de overzichtelijkheid en bruikbaarheid, en trouwens ook van de kwaliteit. Ieder die het wil kan zich per slot van rekening in Wikipedia laten opnemen. De meetlat voor de kwaliteit van een lokaal biografisch woordenboek ligt echter wel bij de vraag of de redactie erin slaagt te laten zien wie allemaal medespelers in een stadsgemeenschap zijn, op alle niveaus: politiek, bestuurlijk, economisch, sociaal, cultureel, in het dagelijkse leven, met de nodige aandacht voor gender, leeftijd en herkomst. Je hoeft immers niet stokoud te worden voor een lemma, ook jongeren spelen mee in de stad. Je hoeft geen man te zijn, en zelfs niet van oorsprong een Nederlander. En je mag gerust een tijdelijke Nijmegenaar zijn, gedoemd om spoedig weer te vertrekken: leger en garnizoen die zo lang de realiteit van Nijmeegs stadsleven hebben bepaald worden hier vrijwel totaal gemist.

De hamvraag is dus of een redactie die méér voor ogen heeft dan een toevallige kaartenbak met mini-biografietjes, erin slaagt overtuigend rekenschap af te leggen van de realiteit van een stadsgemeenschap, door uit de verschillende groepen medespelers mensen te selecteren die exemplarisch mogen zijn voor de stedelijke cultuur en het stedelijk leven. Niet alleen de burgemeesters, professoren, ordestichters, ondernemers en kunstenaars, maar ook mensen van vlees en bloed wier leven liet zien hoe jan en alleman vorm geeft aan het stedelijk leven, met inbegrip van, zeg het maar gerust, een of andere vertegenwoordiger van rafelrand en klootjesvolk. Figuren die exemplarisch zijn voor de stadscultuur in haar meest levendige en intense vorm. Mensen in de schaduw, zoals we in deel II de pastoorsmeid Doortje Ebben van de Molenstraatskerk ontmoeten, of mensen in het volle licht, zoals timmerman en buutredner Theo Eikmans (alias Groadus van Nimwegen), carnavalsprins Nico Grijpink (prins Nico I), maar ook een ontroerende, zwakbegaafde man als Eddie Otten, genaamd 'Gekke Eddie', een publieke persoonlijkheid zoals elke stad er wel een heeft en die, hoe men het wendt of keert, lang in het collectieve geheugen van de bewoners blijft hangen. Zulke persoonlijkheden geven de stadsgemeenschap die specifieke kleur en geur die men zich zijn leven lang blijft herinneren. Zo gauw je aan zo iemand denkt, is je stad weer present, waar je ook bent. Dat is hun specifieke verdienste en hun glorietitel. In onze herinnering cijfert hun leven zichzelf weg achter hun onmisbare symbolische rol voor de stad. Daarom worden zij terecht in dit woordenboek opgenomen. Maar zonder hen zou het ook niet aan zijn doel beantwoorden. Zou het geen goed idee zijn om ooit een nieuw deel te componeren waarin voor elke periode uit de stadsgeschiedenis een aantal specifieke functies en posities in de stadsgemeenschap worden geselecteerd waarbij persoonlijke biografieën worden geschreven van min of meer willekeurige bewoners, zodat er een globaler en rijker, en tegelijk meer genuanceerd beeld van de ontwikkeling va de stadsgemeenschap en al haar bewoners ontstaat?

"Ubi bene, ibi patria" - waar ik me thuis voel, daar ligt mijn vaderstad, zei men vroeger. Wie een stad op de kaart wil zetten, moet dus zoeken naar geluk, en naar de mensen die hebben geholpen daar vorm aan te geven. Daar in die voortuin in de St.-Annastraat voelde ik me een moment gelukkig, vele jaren geleden. Misschien ben ik dus toch voor een heel klein stukje een Nijmegenaar bij adoptie, en verdient mijn tante daarvoor een lemma in het plaatselijke woordenboek. Maar u mag daar gerust mee wachten tot deel tien, na al die professoren, broeders, paters en een enkele non. Misschien kunt u intussen wel aan wat jongeren denken, want slechts twee van de bijna driehonderd gebiografeerden (schrijver Frans Kellendonk en ijshockeyer Bennie Tijnagel) zijn na de Tweede Wereldoorlog geboren. Wellicht zullen intussen ook wat nieuwe Nederlanders in beeld komen, van de oud-kolonialen tot de Nijmegenaren van allochtone herkomst. Het Nijmeegs imago dat uit deze bundels straalt, is immers niet alleen, terecht, Nijmeegs en Nederlands, maar ook, minder terecht, erg blank en nog steeds bijzonder mannelijk. Wie nu op station Nijmegen Centraal uitstapt, kan voorspellen dat de komende delen gekleurder zullen moeten zijn. Als alleen blanke mannen de kleur van de stadscultuur blijven bepalen, zal Nijmegen een bleekneusje blijven. Daarover valt in de redactie wellicht nog een veldslagje te leveren. Ik wens u daarbij veel sterkte en evenveel succes!

Naar boven
Commentaar? Suggesties? Vragen?
Mail ons: info@numaga.nl  
Laatst bijgewerkt:
05-09-2007

|