Mijn oma van vaderskant Nolly Bongenaar,
onderwijzeres in nuttige handwerken en vervolgens moeder van veertien kinderen, onder wie
twee tweelingen, heb ik tevergeefs in de Nijmeegse biografieën gezocht. Begrijpelijk: ze
ligt wel op Jonkerbosch begraven, maar woonde slechts bij toeval in de stad, omdat een van
haar dochters haar daar in haar ouderdom verzorgde. Haar Nijmeegse kwaliteit beperkt zich
tot een kamer in een huurhuis en een graf. Niet veel, al kan zo'n graf wel heel lang
duren. Maar toch altijd nog meer dan de Romeinse keizers Tiberius en Traianus, in de
Nijmeegse biografieën respectievelijk beschouwd als peetvader en stichter van de
voorganger van de huidige stad, maar die er nooit zijn geweest. Haar ongehuwde dochter,
mijn tante Rie (of, zoals ze zich vanwege de Nijmeegse katholieken noemde: Ria) Frijhoff,
woonde na het overlijden van haar moeder decennialang in een grote kamer op de
St.-Annastraat, waar wij in de zomer vanuit Zutphen naartoe fietsten om vanuit de voortuin
de Vierdaagse te bewonderen. Zij werkte als secretaresse bij het Apostolaat des Gebeds aan
de Graafseweg, onder pater Jacques de Rooij, een jezuïetse slavendrijver, zoals ik zelf
ondervond toen ik er tijdelijk als vakantiehulpje was. Via Berlitz leerde ze vele talen
inclusief het Esperanto. Ze onderhield een uitgebreide correspondentie met een Italiaanse
hartsvriendin en deed na haar pensionering veel verdienstelijk werk voor haar parochie in
Dukenburg. Ze bemoederde daar de opeenvolgende studenten in haar portiekflat en omdat ze
slecht ter been was deden die haar boodschappen. Van de gigantische bramenstruiken in haar
verwilderde achtertuintje kwamen eindeloze potten bramenjam die ze genereus aan jan en
alleman uitdeelde. Niets voor een biografisch woordenboek, met andere woorden. Een modale
vrouw, arm maar gul, professioneel misdeeld maar sociaal sterk, goedgemutst maar zonder
dat ze over zich heen liet lopen, leergierig en nieuwsgierig maar geen intellectueel,
gelovig maar geen kerkrat, een kosmopoliet naar de geest maar zonder de middelen om daar
fysiek gestalte aan te geven, sociaal een underdog maar cultureel een onafhankelijke
geest, zonder nageslacht om haar te roemen (die taak neem ik vandaag dus maar even op me),
en zonder monument in wat voor zin dan ook, behalve haar bidprentje. Die bidprentjes
vormen voor katholiek Nijmegen zeker een alternatief biografisch woordenboek.
Geen van beide vrouwen zal in deze Nijmeegse biografieën terechtkomen, tenzij een
historicus zich daar persoonlijk voor inzet en van hun leven een casus maakt, zodat ze
model staan voor een groep of een segment van de stadsbevolking. En ja, waarom eigenlijk
niet? Ze hebben geen grote daden verricht - al mogen we niet te gering denken over de
geboorte en opvoeding van veertien kinderen. Maar het is waar, mijn grootmoeder baarde en
voedde niet in Nijmegen maar in Leiden. Als zij al ooit in een biografisch woordenboek zou
komen, dan zou het dat van haar geboortestad Leiden zijn. En wat mijn tante betreft: de
actieradius van ongetrouwde vrouwen kon (en kan) in een stedelijke samenleving
tentaculaire vormen aannemen - als een spin in een relatieweb, om het maar oneerbiedig te
zeggen. Zulke vrouwen schragen het sociale en culturele leven van de stad, ze zijn het
cement van de sociale cohesie. Hebben ze niet evenveel recht op een stek in het geheugen
van hun woonstad als al die religieuzen, hoogleraren en politici die door het toeval van
een baan of een functie in Nijmegen verzeild raakten en er vaak nauwelijks meer dan
voorbijgangers zijn geweest, mentaal verankerd in heel andere gemeenschappen: hun
politieke partij, hun kloosterorde, het wereldje van kunstenaars en schrijvers, of hun
vakgebied? Inwoners van de stad, geen medespelers van de stedelijke gemeenschap? En dan
waren mijn grootmoeder en tante op de koop toe natuurlijk nog vrouwen. Vrouwen hebben, het
is bekend, objectief een kleinere kans om in een biografisch woordenboek terecht te komen:
37 op de 291 in de twee thans verschenen delen, dus 12,7%, krap één op de acht. Want
biografie gaat om wat je in de openbaarheid doet: beroepstaken, vrijwilligerswerk,
functies, lidmaatschappen, prestaties, daden, geschriften. Tot pakweg een eeuw geleden was
de openbaarheid voor vrouwen verboden of gevaarlijk terrein. Het wordt nu slechts langzaam
beter.
U zult zich afvragen: waarom die persoonlijke voorbeelden. Daar heb ik een heel precieze
reden voor. Een biografie is de publieke vorm waarin we rekenschap afleggen van het
persoonlijke leven van een individu, in zijn context. De biografie vertelt hoe een persoon
is omgegaan met de prikkels die uitgingen van andere personen in de specifieke context van
ruimte en tijd, en hoe de omgeving op dat leven heeft gereageerd. Naarmate die ruimte en
tijd kleiner of groter worden, verandert de biografie van aard en komen meer of minder,
soms ook heel andere personen in beeld. Vele Nijmeegse gebiografeerden kunnen net zo goed
ook in het Gelders biografisch woordenboek worden opgenomen, en in de vijf reeds
verschenen delen van dat laatste is dat feitelijk ook vaak het geval. Er is nogal wat
overlap tussen beide publicaties. De accenten zullen licht veranderen, maar van Nijmegen
naar Gelderland is het in veel gevallen maar een kleine stap. De ruimte waarin, vroeger zo
goed als nu, veel mensen tot een publieke bekendheid uitgroeien, is nu eenmaal breder dan
de stads- of gemeentegrenzen. Muntmeester Jacob Alewijn, een Amsterdammer die in de
zestiende eeuw enkele jaren te Nijmegen munten sloeg en in Harderwijk stierf, had
evengoed, zo niet beter, in het Gelderse woordenboek kunnen staan. Maar apotheker
Theodorus Abeleven, die in 1848 de Flora van
Nijmegen publiceerde en daarvoor vast wel een aantal tochten buiten de vesting zal
hebben gemaakt, hoort toch echt in het Nijmeegse deel thuis. Een lokaal biografisch woordenboek is er voor mensen
van lokale maat. Een bevlogen biograaf kan hen gemakkelijk tot nationale proporties willen
opblazen, maar dan past genadeloze interventie van de redactie. Nee, Jan van Hoof was geen
nationale held maar een lokale. En ja, Annie Romein-Verschoor mag dan in Nijmegen (pardon:
Hatert ? lees het lemma) geboren zijn, met Nijmegen had ze eigenlijk niets, met de natie
des te meer, en daar was ze zich bijzonder van bewust.
Een nationale biografie gaat over personen die
hun leven een nationale actieradius hebben gegeven, of waarover een verhaal van nationale
betekenis te vertellen valt: grote mannen en vrouwen, politici, ondernemers, kunstenaars,
schrijvers, geleerden. Nationale betekenis maakt een lokaal verhaal wat ridicuul. We zijn
nu aan het eind van het Rembrandtjaar. Rembrandt is zo'n nationale grootheid. Niet door
zijn leven, want dat was eerst Leids, daarna Amsterdams. Al trouwde hij in Friesland en
maakte hij wel eens een tochtje langs de Amstel of de Rijn, de Jodenbreestraat was zijn
thuis. Enkele steden hebben geprobeerd een graantje mee te pikken van het Rembrandtjaar
door een lokaal verhaal over Rembrandt te vertellen: Zwolle bijvoorbeeld, en zijn
geboortestad Leiden. Dat gaf aandoenlijke stukjes chauvinisme te zien, maar geen
biografie. Rembrandt is dat lokaal niveau ontstegen, daar kun je niet meer naar terug.
Hetzelfde geldt voor historische figuren die niet alleen door hun leven maar ook door hun
betekenis en toe-eigening, of door de verhalen en legendevorming, hun geboortestad ver
achter zich hebben gelaten.
Dan denk ik natuurlijk - maar hier vloek ik in de kerk - aan Petrus Canisius of, dichter
bij ons, Titus Brandsma. Terecht staan beiden in de Nijmeegse biografieën. Voor Canisius
is Nijmegen geboortestad - en als zelfs je geboortestad je niet meer eert, tja, dan heb je
een evangelisch probleem. Maar hij kreeg er gelukkig zijn cultus en zijn bedevaart. Hij is
er na zijn vijftiende echter nauwelijks meer geweest. Even terecht beperkt het lemma
Canisius in deel I zich dan ook tot een snelle opsomming van zijn banden met Nijmegen,
zonder zelfs maar een schijn van een poging te doen om zijn centrale rol in de katholieke
Reformatie van Midden-Europa en zijn betekenis als kerkleraar op waarde te schatten.
Daarvoor is een lokale biografische gids niet het juiste medium. Canisius was in Nijmegen
dan ook geen medespeler, in tegenstelling tot zijn patricische familieleden, die er met
meer recht in zouden staan dan hijzelf en zijn neefje Hendrick (in deel II), dat de stad
ook al definitief verliet toen hij 20 was en in Ingolstadt als professor stierf.
En hoe Nijmeegs is Titus Brandsma eigenlijk? Ook een nationale grootheid, niet in Nijmegen
geboren en daar, overigens geheel zijns ondanks, ook niet overleden, wel in Nijmegen
actief als academicus, maar toch vooral tot nationale proporties uitgegroeid als icoon van
het verzet en slachtoffer van de onderdrukker, en daarvoor in Nijmegen als nationale
figuur met een cultusmonument geëerd. Onlangs is hij, heb ik begrepen, zelfs uitgeroepen
tot grootste Nijmegenaar aller tijden. Een wat vermetele beslissing, waarvan ik de
Nijmeegse reikwijdte niet helemaal overzie - want religieuzen hebben nu eenmaal het
immense voordeel van een orde die actief hun cultus propageert. Maar het is wel een mooi
voorbeeld van de emoties die een lokale biografie kan oproepen. Titus Brandsma is óók de
internationale patroonheilige van de journalistiek, en als zodanig vond ik zelfs een
lofzang in het Catalaans op zijn naam. Maar dat moet een lokaal woordenboek eigenlijk niet
willen weten. Dat doet er goed aan zich te beperken tot de banden die nationale of
internationale helden met hun plaats van herkomst of handeling onderhouden. Nijmegen hoeft
omwille van Canisius en Brandsma niet tot het centrum van de Contrareformatie of het
historische middelpunt van het nationaal verzet te worden opgeblazen. En gelukkig gebeurt
dat hier ook niet.
Maar wat moet een lokaal biografisch woordenboek dan wel bieden? Hoe Nijmeegs moet je zijn
voor een hechte stek in het Nijmeegse stadsgeheugen? Ik noemde het sleutelwoord al: je
moet aantoonbaar medespeler zijn geweest in de stadsgemeenschap, en je moet als zodanig
herkenbaar en herinnerbaar zijn. Ook na je dood moet men je kunnen opsporen, moet men zich
een beeld van je kunnen vormen. Dat beeld is per definitie heel concreet. Een
stadsgemeenschap bestaat uit straten, buurten, wijken, instellingen, parochies, kerkelijke
gemeenten of verenigingen, uit gezinnen, families en geslachten, op het meest levensnabije
aggregatieniveau van de stad. Al die kringen kun je herleiden tot kleine netwerken rondom
concrete, individuele personen, en zulke personen maken de stad, haar geheugen en haar
beeld naar binnen en buiten.
De eerste en traditioneel ook de sterkste band van een persoon met een plaats is de plek
van zijn geboorte. Toekomstige generaties zullen daar iets op moeten verzinnen, want
steeds meer baby's worden in ziekenhuizen en klinieken buiten de woonplaats van hun ouders
geboren, en de gemeenten zelf krijgen een steeds monsterlijker omvang, waar de menselijke
schaal en de lokale herkenbaarheid soms verre te zoeken zijn. Wat te denken van de lokale
inbedding van iemand die geboren is in gemeenten als Rijnwaarden, Berkelland, of
Lingewaal? Hoe zou die zich identificeren met een geboorteplaats, en hoe zou die
geboorteplaats hem of haar herkennen? Krijgen we straks een Lingewaals biografisch
woordenboek? Dat strijdt vooralsnog met de manier waarop ons burgerschapsgevoel en ons
historisch geheugen functioneren, en daarom gaat het óók bij een lokale biografie.
Nog lastiger wordt het als iemands geboorteplaats niet als eigenlijk wordt erkend. Dat wat
hilarische geval doet zich voor met onze bijna-grootste Nederlander Erasmus van Rotterdam,
die ik hier even als voorbeeld neem voor een veel groter probleem - u zult merken dat ik
als vanzelf weer bij Nijmegen terugkom. Niet alleen weten we niet precies in welk jaar
Erasmus is geboren, er zijn ook sterke aanwijzingen dat hij in Gouda is verwekt alvorens
in Rotterdam ter wereld te komen. Toen hij als klein kind eenmaal uit Rotterdam was
vertrokken is hij er nooit meer teruggekeerd. Toch tooide hij zich later met het trotse
epitheton Roterodamus, wat de stad Rotterdam al
in 1549 tot de oprichting van een standbeeld verleidde, dat door de toekomstige koning
Filips II werd bezocht als was het een echte stadsheilige. Tussen Gouda en Rotterdam woedt
dan ook al eeuwen een toe-eigeningsstrijd van de grote Erasmus, met toppen en dalen, nu
even weer een top. Wat moet je nu met zo?n betwist stadsicoon als lokaal biograaf? Was
Erasmus nu een Gouwenaar of een Rotterdammer? In Rotterdam stond tot de oorlog een fake façade van zijn zogenaamde geboortehuis, en
sommigen willen die nu weer opbouwen ? zoiets als de donjon op het Nijmeegse Valkhof. Maar
in het Goudse museum berust ook al enkele eeuwen een portret van Erasmus waarin hij
?Goudae conceptus, Roterodami natus? heet, zoals de historicus Boxhorn een eeuw na zijn
dood al schreef. Ik verwed er wat om dat ook onder de Nijmeegse geboorten van deze
biografieën wat externe concepties zijn, sommigen wellicht zelfs buitenlands.
In een recent nummer van Tidinge van die Goude,
het historisch tijdschrift van Gouda, wordt de strijd om Erasmus uitvoerig uit de doeken
gedaan. Want in tegenstelling tot wat u zou kunnen denken is dat niet iets uit een ver
verleden, maar een ruzie van een barre actualiteit, met als inzet historische waarden,
toeristische belangen en stedelijke trots, ja stedelijke eer. Gevechten om stedelijke eer
zijn van alle tijden, en ze zijn nu niet minder heftig dan vroeger - denk aan de wereld
van de voetbalstadia. In het inleidende artikel op dat themanummer zet collega-historicus
Paul Abels het probleem vakkundig in de steigers. En zoals het past neemt hij zijn eigen
geval daarbij als vergelijkingspunt. Ik citeer: "De auteur van dit artikel is in
Nijmegen geboren. Nog voor hij kon staan is hij - of liever gezegd werd hij door zijn
ouders - verhuisd naar Almelo. In deze Twentse stad groeide hij op, leerde hij een vak en
vond hij de vrouw van zijn leven. Als Heimatvertriebene
om den brode verhuisde hij vervolgens naar Gouda, waar hij |
nu alweer meer dan twintig jaar naar volle
tevredenheid woont met vrouw en drie dochters. [...] Is hij een Nijmegenaar, een Almeloër
of een Gouwenaar? Het predikaat Nijmegenaar komt daarbij het minst in aanmerking, hoewel
hij zijn leven lang op elk officieel formulier of document eraan herinnerd wordt dat hij
in deze stad het levenslicht zag. De onmogelijkheid om zich Nijmegenaar te willen en
kunnen voelen bleek hem overduidelijk tijdens zijn studietijd aan de Katholieke
Universiteit in Nijmegen. [...] dan viel hij onmiddellijk door de mand wegens zijn tongval
en het gebrek aan aansluiting bij de collectieve herinnering van 'echte'
Nijmegenaren" (jaargang 24, nr 4, oktober 2006, p. 118). Een Nijmegenaar die Tukkers
praat, dat kan natuurlijk niet. En toch, als Paul Abels ooit in een lokaal biografisch
woordenboek komt, waarom zou het dan niet dat van Nijmegen zijn, gesteld dat de stad trots
is op zo'n spruit die ambtelijk onbetwist als Nijmegenaar te boek staat?
Uit de lemma's in de twee verschenen delen van de Nijmeegse biografieën blijkt wel
hoezeer het geboortecriterium rammelt. Lang niet alle beroemde Nijmegenaren zijn in
Nijmegen geboren, en die er wel geboren zijn hebben soms nauwelijks een Nijmeegse reden
tot roem. Nemen we bijvoorbeeld Anthonis van Aken, een ca. 1420 geboren Nijmegenaar die
met zijn ouders al in 1427 naar Den Bosch verhuisde. Hoewel hij een schilder heet te zijn
geweest, is er geen enkel schilderstuk van hem overgeleverd. Zijn grootste eretitel is dat
hij de vader was van een andere Van Aken, die we allemaal veel beter kennen als Jeroen
Bosch, genoemd naar, jawel, zijn geboortestad 's-Hertogenbosch, niet zijn stamstad
Nijmegen. Als u mij mijn eerlijke mening vraagt, zou ik dit kenschetsen als een geval van
Nijmeegse toe-eigening bij procuratie, dus onterecht. Want die Jeroen Bosch heeft dus echt
helemaal niets met Nijmegen of Gelre van doen, en het portret van Jeroen Bosch in de
tweede bundel hoort er niet in thuis. Maar daar raken we natuurlijk een ander motief van
opname in een lokaal biografisch woordenboek: stedelijke trots, die vaak tot mythe- of
legendevorming leidt, en stiekem de bakens van de definities verzet. Vandaar ook die mooie
reeks keizers waarop Nijmegen - en dit woordenboek - in de eerste dertien eeuwen pocht:
Tiberius, Trajanus, Karel de Grote, Barbarossa, keizerin Theophano. Alsof er tot ver in de
veertiende eeuw alleen maar royalty in die
lemen hutten met strooien daken aan de Waaloever woonde.
In de historische werken over Nijmegen die redacteur Begheyn in zijn inleiding op het
eerste deel citeerde - u weet wel, auteurs als Guiciardini, Smetius, Arkstee of In de
Betouw -, werden aanvankelijk alleen personen opgenomen die te Nijmegen "geboren en
opgevoed" zijn, of "voorname inboorlingen". Zo kan het thans natuurlijk
niet meer. Sinds het poorterschap geen onderscheidende functie meer heeft, dus al zo'n
twee eeuwen lang, is de definitie van wie als Nijmegenaar mag worden beschouwd steeds
vager geworden. Dat valt ook hier te merken. We vinden in deze bundels verschillende
vormen van banden met Nijmegen. Een snelle telling wijst uit dat slechts iets meer dan
één derde van de besprokenen in Nijmegen is geboren, en dat daarvan iets meer dan de
helft ook in Nijmegen is gestorven. De andere helft is uit de stad vertrokken, naar verre
landen of grote taken, soms al op jonge leeftijd. Ik denk dan aan pater Canisius, bisschop
Ortemberg, missiebisschop Hamer, cineast Ivens, professor Noodt, admiraal Sweers,
vliegtuigbouwer Noorduyn, historica Romein-Verschoor. Soms jeuken je handen om op
speurtocht te gaan en heeft zo?n lemma een stukje verborgen tragiek. Zo bijvoorbeeld dat
van de eerste proost van St. Steven in de zestiende eeuw, Derick Born: de man werd door
conflicten met Keulen gedwongen zich daar te vestigen en stierf ver van zijn vaderstad.
Zijn geschriften zijn allemaal verloren gegaan. Het portret van Derick Born dat Hans
Holbein schilderde blijkt tot overmaat van ramp dat van een naamgenoot uit Londen. Wat
blijft er dan nog van je historische identiteit als Nijmegenaar over?
Globaal heeft niet meer dan één besprokene op de vijf of zes zijn hele leven in Nijmegen
gesleten. Velen zijn in Nijmegen of naaste omgeving gestorven zonder daar te zijn geboren;
de meesten van hen kwamen naar de stad vanwege haar kloosters of de universiteit. Juist
die laatste leveren stof voor eindeloze reeksen biografische schetsen van bedenkelijk
Nijmeegs allooi, zoals uit deel II nog duidelijker blijkt dan uit deel I, waar de redactie
nog wat terughoudend bleef en de modale burger wat meer plaats gunde. Maar is het niet zo
dat alleen die geestelijken en professoren een lemma verdienen die iets voor Nijmegen als
stad hebben betekend? Die met andere woorden niet alleen bewoners zijn geweest maar ook
medespelers - stakeholders van de stad, in het
huidige managerstaaltje? Bij sommigen was dat beslist het geval. Denken we aan Louis
Rogier of Anton van Duinkerken. Maar velen kunnen we toch eigenlijk alleen door hun baan
aan de universiteit als Nijmegenaar beschouwen. Hun actieradius was eigenlijk veel groter
of lag ergens anders. Bidders, denkers of geleerden, geen betrokkenen.
Nogal wat lemma?s gaan over personen die niet in Nijmegen zijn geboren en al evenmin daar
gestorven. Ze verbleven enige tijd in Nijmegen en vertrokken dan weer. Een wat overbodig
lemma betreft bijvoorbeeld de zestiende-eeuwse franciscaan Antonius Broickwy, die, in
Duitsland geboren en gestorven, zegge en schrijve één jaar in Nijmegen heeft gewoond,
als gardiaan van zijn klooster en toevallig precies op dat moment een bijbelcommentaar
publiceerde. Soms heeft de stad hun leven beïnvloed dan wel zij het leven van de stad,
zoals in het geval van burgemeesters (Ien Dales bijvoorbeeld, of Frans Hermsen) of
wetenschappers voor wie Nijmegen een stap in hun carrièrepatroon was. Vaak is het verband
echter aan de iele kant, zoals bij passanten als Jan van Goyen, die twee keer op doortocht
in Nijmegen was en daar de stad tekende, of studenten als Godfried Bomans, die later een
heel persoonlijke schets van de sfeer in de stad schreef maar er verder niets bijzonders
mee had. Zijn dat niet veeleer voetnoten in een stadsgeschiedenis dan kandidaten voor een
Nijmeegse biografie?
We raken daar aan een dimensie die in het zojuist genoemde citaat van Paul Abels ook al
naar voren kwam. Om met recht Nijmegenaar te kunnen worden genoemd en, zij het ook
postuum, aanspraak te kunnen maken op een plaats in het lokale biografische woordenboek,
moet je deel hebben aan het collectieve geheugen van de stad, hetzij actief, als
medespeler, hetzij passief, als beroemdheid die de stad zelf in haar geheugen heeft
ingelijfd. Dat zijn de symbolische helden, zoals de keizers Tiberius en Trajanus, en al
die andere politieke grootheden uit het verleden die vast wel een keer in Nijmegen langs
zijn geweest maar daar eigenlijk alleen een lokale glorietitel aan ontlenen als de stad
dat uitdrukkelijk wil en daar ook een reden voor heeft. Dus wel de keizers en hun
echtgenoten of hun kroost, als motief voor het keizerlijke zelfbeeld en de internationale
roem van de stad, maar niet de weinig populaire stadhouder Willem V en zijn nog minder
geliefde gemalin Wilhelmina van Pruisen, die er ook hun toevlucht namen, en zeker niet de
Oranjevorsten van na 1815 - die zijn immers van ons allemaal. De Oranjes worden ons
gelukkig bespaard. Maar ook de Gelderse hertogen blijven opvallend schaars. In die kluif
mag Arnhem haar kaken zetten, zullen ze in Nijmegen hebben gedacht. Wij, vrije rijksstad,
hebben onze keizers! Zo heeft elke stad haar eigen mythologie - zelfs het grafelijke
Zutphen heeft zich recent een keizerpalts aangemeten.
Maar geboorte en dood bepalen niet alles in zo?n woordenboek, zomin als de stedelijke
toe-eigening. Ook het slachtoffer zelf mag soms zijn zegje doen. Zo is een lemma gewijd
aan de achttiende-eeuwse uitgever Hans Kaspar Arkstee, bekend van de naar hem genoemde
straat, maar niet in Nijmegen geboren en al evenmin daar overleden. Die straatnaam dankt
hij aan zijn lofzang in dichtmaat op Nijmegen, uitgegeven toen hij reeds als uitgever in
Amsterdam woonde. Maar tijdens zijn jonge jaren in Nijmegen had hij zich wel grondig in de
geschiedenis van de stad verdiept, en hij noemde haar in zijn voorwoord liefdevol
"myne voedsterstad". Daar zijn we terug bij wat het echte probleem van Erasmus'
toeschrijving aan deze of gene vaderstad bleek. Want welke stad beschouwt iemand zelf als
zijn patria, zijn vaderstad? Sommige bewoners
vinden die hele notie maar onzin en gedragen zich als ware kosmopolieten, anderen
daarentegen vereenzelvigen zich met een stad waar ze bij toeval terecht zijn gekomen, door
een verliefdheid, een baan, een toevallige woning, of de bekoring van een leefstijl. En
dan moeten ze zich daar invechten om stedelijk stakeholder
te worden. Is het niet een bekend feit dat de meest actieve leden van historische
verenigingen gewoonlijk inwijkelingen zijn, inwoners die zich in de stadscultuur eigen
moeten en willen maken en er juist daardoor vaak de meest strijdbare representanten van
worden?
Zo'n inwijkelinge, maar dan een modale, was mijn tante Rie, die zich per saldo erg
Nijmeegs voelde. Terug dus naar mijn tante. Moet ze erin? Mag zij erin? Ze heeft zich in
Nijmegen genesteld en die stad als haar eigen stad beschouwd, hoe Leids ze in wezen ook
gebleven was, inclusief haar oer-Hollandse accent en de devote observantie die ze, zoals
alle Leienaars, onderhield jegens de derde oktober, hun onverbiddelijke stadsfeest. In
Nijmegen was ze een medespeler, actief en overtuigd. Geen enkele lokaal woordenboek kan
echter alle medespelers documenteren. En dat hoeft ook niet. Volledigheid en perfectie
zijn de vijanden van de overzichtelijkheid en bruikbaarheid, en trouwens ook van de
kwaliteit. Ieder die het wil kan zich per slot van rekening in Wikipedia laten opnemen. De
meetlat voor de kwaliteit van een lokaal biografisch woordenboek ligt echter wel bij de
vraag of de redactie erin slaagt te laten zien wie allemaal medespelers in een
stadsgemeenschap zijn, op alle niveaus: politiek, bestuurlijk, economisch, sociaal,
cultureel, in het dagelijkse leven, met de nodige aandacht voor gender, leeftijd en herkomst. Je hoeft immers niet
stokoud te worden voor een lemma, ook jongeren spelen mee in de stad. Je hoeft geen man te
zijn, en zelfs niet van oorsprong een Nederlander. En je mag gerust een tijdelijke
Nijmegenaar zijn, gedoemd om spoedig weer te vertrekken: leger en garnizoen die zo lang de
realiteit van Nijmeegs stadsleven hebben bepaald worden hier vrijwel totaal gemist.
De hamvraag is dus of een redactie die méér voor ogen heeft dan een toevallige
kaartenbak met mini-biografietjes, erin slaagt overtuigend rekenschap af te leggen van de
realiteit van een stadsgemeenschap, door uit de verschillende groepen medespelers mensen
te selecteren die exemplarisch mogen zijn voor de stedelijke cultuur en het stedelijk
leven. Niet alleen de burgemeesters, professoren, ordestichters, ondernemers en
kunstenaars, maar ook mensen van vlees en bloed wier leven liet zien hoe jan en alleman
vorm geeft aan het stedelijk leven, met inbegrip van, zeg het maar gerust, een of andere
vertegenwoordiger van rafelrand en klootjesvolk. Figuren die exemplarisch zijn voor de
stadscultuur in haar meest levendige en intense vorm. Mensen in de schaduw, zoals we in
deel II de pastoorsmeid Doortje Ebben van de Molenstraatskerk ontmoeten, of mensen in het
volle licht, zoals timmerman en buutredner Theo Eikmans (alias Groadus van Nimwegen),
carnavalsprins Nico Grijpink (prins Nico I), maar ook een ontroerende, zwakbegaafde man
als Eddie Otten, genaamd 'Gekke Eddie', een publieke persoonlijkheid zoals elke stad er
wel een heeft en die, hoe men het wendt of keert, lang in het collectieve geheugen van de
bewoners blijft hangen. Zulke persoonlijkheden geven de stadsgemeenschap die specifieke
kleur en geur die men zich zijn leven lang blijft herinneren. Zo gauw je aan zo iemand
denkt, is je stad weer present, waar je ook bent. Dat is hun specifieke verdienste en hun
glorietitel. In onze herinnering cijfert hun leven zichzelf weg achter hun onmisbare
symbolische rol voor de stad. Daarom worden zij terecht in dit woordenboek opgenomen. Maar
zonder hen zou het ook niet aan zijn doel beantwoorden. Zou het geen goed idee zijn om
ooit een nieuw deel te componeren waarin voor elke periode uit de stadsgeschiedenis een
aantal specifieke functies en posities in de stadsgemeenschap worden geselecteerd waarbij
persoonlijke biografieën worden geschreven van min of meer willekeurige bewoners, zodat
er een globaler en rijker, en tegelijk meer genuanceerd beeld van de ontwikkeling va de
stadsgemeenschap en al haar bewoners ontstaat?
"Ubi bene, ibi patria" - waar ik me thuis voel, daar ligt mijn vaderstad, zei
men vroeger. Wie een stad op de kaart wil zetten, moet dus zoeken naar geluk, en naar de
mensen die hebben geholpen daar vorm aan te geven. Daar in die voortuin in de
St.-Annastraat voelde ik me een moment gelukkig, vele jaren geleden. Misschien ben ik dus
toch voor een heel klein stukje een Nijmegenaar bij adoptie, en verdient mijn tante
daarvoor een lemma in het plaatselijke woordenboek. Maar u mag daar gerust mee wachten tot
deel tien, na al die professoren, broeders, paters en een enkele non. Misschien kunt u
intussen wel aan wat jongeren denken, want slechts twee van de bijna driehonderd
gebiografeerden (schrijver Frans Kellendonk en ijshockeyer Bennie Tijnagel) zijn na de
Tweede Wereldoorlog geboren. Wellicht zullen intussen ook wat nieuwe Nederlanders in beeld
komen, van de oud-kolonialen tot de Nijmegenaren van allochtone herkomst. Het Nijmeegs
imago dat uit deze bundels straalt, is immers niet alleen, terecht, Nijmeegs en
Nederlands, maar ook, minder terecht, erg blank en nog steeds bijzonder mannelijk. Wie nu
op station Nijmegen Centraal uitstapt, kan voorspellen dat de komende delen gekleurder
zullen moeten zijn. Als alleen blanke mannen de kleur van de stadscultuur blijven bepalen,
zal Nijmegen een bleekneusje blijven. Daarover valt in de redactie wellicht nog een
veldslagje te leveren. Ik wens u daarbij veel sterkte en evenveel succes! |