Hoofdpagina |
NUMAGAVereniging tot beoefening van de Geschiedenis van Nijmegen en Omgeving "Kun je bewijzen dat ze vals zijn?'
|
||||||
| Inleiding Beschrijving van de objecten en de resultaten van het onderzoek Twee scherven van terra sigilata Een hals van een glazen fles |
. | De hals van
een gladwandige kruik Loden plaatje Besluit Noten Terug naar Jaarboekpagina |
|||||
Tussen 1995 en 1999 zijn bij diverse opgravingen van het Bureau Archeologie van de
gemeente Nijmegen vijf objecten aangetroffen met daarop een of meerdere
Christusmonogrammen, ook wel chi-rho-tekens of christogrammen genoemd. Naast vier vondsten
uit Nijmegen is er tevens een exemplaar uit Wijchen. Het betreft twee fragmenten terra
sigillata, een scherf van gladwandig aardewerk, een deel van een glazen fles en een
opgerold loden plaatje, alle gedateerd in de Romeinse tijd. |
|||||||
| De oudste
tot nu toe bekende Christusmonogrammen staan op munten afgebeeld en dateren van rond het
jaar 315. De Christusmonogrammen die in dit artikel besproken worden, zijn op objecten met
een veel eerdere datering geplaatst. Na de vondst rees onmiddellijk de vraag of ze in een
latere periode op oude objecten zijn aangebracht, of dat er sprake zou zijn van veel
vroegere contacten van de bewoners van het Benedenrijngebied met het christendom. Een
vondst van een christogram op terra sigillata uit Froitzheim (D.) wees in de richting van
het laatste(2). Ook van een christogram op een kom van terra sigillata uit het Altbachtal
bij Trier zou een datering in de derde eeuw vermoed kunnen worden.(3) Na aanvankelijke scepsis kreeg het vertrouwen in de authenticiteit van de christogrammen gaandeweg de overhand. Ze werden tentoongesteld en in enkele voorpublicaties gepresenteerd.(4) Direct daarna kwamen opnieuw gevoelens van twijfel boven over de echtheid van de inscripties. Die werden versterkt toen D. Steures op grond van visuele waarnemingen en historische overwegingen tot de conclusie kwam dat de christogrammen wel vervalsingen moesten zijn. (5)Aan de echtheid van de voorwerpen zelf behoefde - op die van het loden plaatje na - niet getwijfeld worden. Deze zijn overbekend en wijken in niets af van soortgelijke Romeinse objecten die veelvuldig in de regio worden gevonden. Om de vraag te kunnen beantwoorden of de christogrammen in de Romeinse tijd dan wel in latere tijd op de objecten waren aangebracht, werd contact opgenomen met de archeologisch restaurator van Museum Het Valkhof. Hem werd gevraagd de christogrammen natuurwetenschappelijk te onderzoeken en onomstotelijke bewijzen aan te voeren voor echtheid dan wel falsificatie: 'Kun je bewijzen dat ze vals zijn?' Het onderzoek vond plaats in samenwerking met onderzoekers van het Instituut Collectie Nederland (ICN) te Amsterdam, N. Walraven van het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG) en E. van der Graaf van het Kernfysisch Versneller Instituut (KVI) van de Rijksuniversiteit te Groningen. Methoden en technieken die bij de beoordeling van deze objecten zijn gebruikt, lopen sterk uiteen: van gezond boerenverstand tot moderne, natuurwetenschappelijke analyse. Beschrijving van de objecten en resultaten van het onderzoek Twee scherven van terra sigillata |
|||||||
| Terra sigillata is een
roodbakkende aardewerksoort uit de Romeinse tijd. Deze is voorzien van een deklaag van een
karakteristieke, oranje tot rode engobe, een dunne gezuiverde kleilaag die na het bakken
voor een compacte, zacht glanzende afwerking zorgt. Het eerste object betreft een halve
bodem van een ondiep bord van het type Dragendorff 31 (afb. 4 en 5), die op 9 februari
1999 bij een opgraving in de kelder van een pand aan de Hezelstraat werd gevonden.(6) De
scherf kwam tijdens het verdiepen van het opgravingsvlak nabij een Romeins grafmonument te
voorschijn. Op de bovenzijde van de bodem is het pottenbakkersstempel MARCI aangebracht.
Van deze pottenbakker, Marcus, is bekend dat hij in de tweede helft van de tweede eeuw in
Lezoux (F.) werkte.(7) Op de onderzijde van de bodem werden direct na de vondst drie
ingekraste christogrammen ontdekt. Eén was geheel intact, twee andere waren langs de
breukrand nog maar gedeeltelijk te zien. De breukranden zijn origineel, wat te zien is aan de aangekoekte, bruinzwarte vervuiling, vermoedelijk verbindingen van mangaan en ijzer uit de bodem. Deze wordt ook aangetroffen op plaatsen in oude beschadigingen van de engobe en zelfs hier en daar op de onbeschadigde engobelaag. Zoals Steures al had opgemerkt, blijkt bij nadere bestudering dat het graffito verder vrij is van het bruinzwarte bodemvuil dat voorkomt in bijna alle rondlopende groeven die bij het productieproces van het aardewerk ontstaan zijn (afb. 5). Op sommige plaatsen doorsnijdt een lijn van het monogram zelfs de vervuiling in een van die groeven. Uit deze waarnemingen kan men afleiden dat de gravering niet aan een lang verblijf in de bodem blootgesteld is geweest en pas na het opgraven kan zijn aangebracht. Het tweede stuk (afb. 6 en 7) is op 6 juni 1999 aangetroffen tijdens een opgraving op het terrein De Tienakker te Wijchen.(8) Daar werd onderzoek gedaan naar de resten van een Romeinse villa. Bij de vondsten was ook een complete bodem van een bord van Arretijnse terra sigillata.(9) Deze bodem draagt het stempel L·TAR (met de A en de R in ligatuur). Dit is de signatuur van de pottenbakker L. Tarquitius, die in het laatste kwart van de eerste eeuw vóór Christus in Narbonne (F.) terra sigillata heeft vervaardigd. Aardewerk dat dit stempel draagt, is in onze streken uiterst zeldzaam. Er is slechts één parallel uit Nijmegen bekend.(10) In de onderzijde van de bodem is trefzeker een Christusmonogram gekrast. Van dit exemplaar werd overigens al verondersteld dat het graffito geruime tijd na de vervaardiging van het bord is aangebracht, aangezien het bord vóór de geboorte van Christus is gefabriceerd. De breukvlakken tonen dat het fragment oudtijds afgebroken is. Bij microscopische beschouwing blijkt dat het graffito met een fijne klei gevuld is. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat het bodembestanddelen zijn die na het wassen in de groeven zijn achtergebleven. Deze laten zich echter gemakkelijk verwijderen met een zacht penseel en wat water. Op de oude, brokkelige breukvlakken, snijsporen aan de bovenzijde en afschilferingen aan de onderzijde hebben zich hier en daar donkere mineralen uit de bodem afgezet. Wat opvalt is dat ter plaatse van het graffito de brokkelige rand van de engobe geheel schoon is (afb. 7). Op één plaats doorsnijdt het christogram een oude beschadiging. Hier kan men wederom duidelijk een schone inkrassing waarnemen, die het met zwart materiaal vervuilde oppervlak van de beschadiging doorsnijdt. Men kan niet anders concluderen dan dat het graffito moet zijn aangebracht na een lang verblijf van het aardewerk in de bodem. Een hals van een glazen fles |
|||||||
| Tijdens opgravingen nabij de
Mariënburgkapel in 1998 zijn aan elkaar passende scherven van een vierkante, met diverse
christelijke symbolen versierde fles gevonden (afb. 8-11).(11) Boven op de kraagrand staan
Christusmonogrammen in het glas gegraveerd, op het oor is een vis te zien naast een
christogram in een kader, en op de hals staan afwisselend christogrammen en kruisen
afgebeeld. De scherven zijn aangetroffen in de bovenvulling van een graf uit de
Laat-Romeinse tijd of de Vroege Middeleeuwen. Het object (12) is gemaakt van blauwgroen sodaglas, een glassoort die in de bodem zeer stabiel is en daarom nauwelijks is verweerd. Het onderzoek was vooral gericht op het achterhalen van de techniek waarmee de symbolen in het glas aangebracht zijn. Hiertoe zijn op een vergelijkbaar stukje glas uit de depots van Museum Het Valkhof op twee manieren graveringen aangebracht. Daarna zijn deze onder de microscoop vergeleken met de sporen op de flessenhals. Het was onmiddellijk duidelijk dat de christelijke symbolen niet met een hard puntig voorwerp zijn ingekrast, want groeven die op deze wijze zijn verkregen, hebben een geheel ander uiterlijk. Meer gelijkenis gaven groeven die met een roterend freesje met een diamantkop ingeslepen werden (afb. 10, A en B). Sterker nog: onder de microscoop werd op slecht bereikbare plaatsen onder de rand van de fles zelfs nog het losse glasslijpsel van het aanbrengen van de gravering aangetroffen (afb. 10, C). Na een langdurig gebruik van de fles en een verblijf in de Nijmeegse bodem zou het glasslijpsel zeker niet meer aanwezig kunnen zijn. Het in het restauratieatelier aanwezige freesje met een diamantkop met een diameter van 3 mm bleek zelfs precies in de sporen onder de rand van de hals te passen (afb. 11). De hals van een gladwandige kruik |
|||||||
| Onder het aardewerk dat in december
1995 geborgen werd bij een opgraving aan de Weurtseweg was onder meer de hals van een
gladwandige kruik (afb. 12-14).(13) Tijdens het reinigen van de vondsten, in1997, werden
op het fragment twee graffiti opgemerkt. De kruikhals kon typologisch rond het jaar 200 of
iets later gedateerd worden. Het baksel van de kruikhals is lichtgeel van kleur. Ongeveer
tegenover het oor is een christogram in een schildvormig kader aangebracht. Hieronder is
het getal CXIII gekrast. De meeste breukvlakken zijn oudtijds ontstaan en laten zich
gemakkelijk onderscheiden van recente breuken, die veel lichter van kleur zijn. Bij het
uitgraven heeft de schop de hals geraakt, waardoor rechts, boven de gravering, het
oppervlak afgeschaafd is en zo de lichtere ondergrond blootligt (afb. 13, D). Het valt op dat ook de graffiti iets lichter van tint zijn dan de scherf zelf. Dat geldt ook voor de recente beschadiging. De oudtijdse breuk (afb. 13, E) heeft dezelfde - iets donkerdere - tint als het onbeschadigde oppervlak van de scherf (afb. 13, A). Wij hebben vervolgens zelf een kleine kras op het oppervlak aangebracht (afb. 13, C). Deze vertoont dezelfde, lichtere tint als het Christusmonogram. De kraslijn van het kader (afb. 13, B) loopt door over de bodem van de afgeschaafde beschadiging. Indien de beschadiging na het aanbrengen van het graffito veroorzaakt zou zijn, dan moet men concluderen dat de kraslijn op deze plaats aanzienlijk dieper geweest moet zijn dan de andere krassen. Een vermoeden rijst, maar het bewijs is nog niet geleverd. We hebben vervolgens gezocht naar de oorzaak van het kleurverschil tussen de graffiti en de buitenkant van de scherf, met het doel te bepalen op welk tijdstip de graveringen zijn aangebracht. Hiertoe is voor een aantal chemische elementen bepaald op welke plaatsen op de scherf zij zich bevinden. Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van Energy Dispersive Spectroscopy (EDS).(14) Hiermee kan met behulp van de mapping-techniek de plaats afgebeeld worden waar bepaalde elementen zich op het oppervlak van een object bevinden. Er zijn mappings gemaakt van koolstof (C), zuurstof (O), aluminium (Al), silicium (Si), calcium (Ca), ijzer (Fe), zwavel (S) en kalium (K). De meeste 'verspreidingskaarten' laten een egale verdeling van het desbetreffende element over het oppervlak van de scherf zien, zoals ijzer, waarvan aanvankelijk werd verondersteld dat het zich op het oppervlak zou hebben afgezet. Er zijn enkele elementen bij die niet gelijkmatig over het vlak zijn verdeeld, zoals calcium en zwavel. Tegelijk met de mappings is van het in kaart gebrachte gebied ook een elektronenmicroscoopfoto gemaakt. Dat gebeurt in hetzelfde instrument, zodat de afbeeldingen precies over elkaar passen. De mapping van elementen wordt geprojecteerd over het beeld van de elektronenmicroscoop. Dat beeld wordt vervolgens over een kleurenfoto gelegd die met een optische microscoop is gemaakt. Op deze wijze kan men nauwkeurig bepalen waar precies de verschillende chemische elementen zich op het oppervlak van de scherf bevinden. Koolstof, calcium en zwavel bleken aan het niet beschadigde oppervlak in hogere concentraties voor te komen dan in de groeven. In afbeelding14 zijn opnamen van calcium en zwavel over het beeld van een optische microscoop geplaatst en in 'valse kleuren' weergegeven. Men kan zien dat deze elementen alleen op de hogere delen voorkomen en ter plaatse van het graffito nagenoeg ontbreken. Calcium en zwavel komen op het oppervlak in de vorm van calciumsulfaat voor. Deze in water onoplosbare verbinding, ook bekend als gips, is in de loop van de eeuwen aan het oppervlak van het aardewerk afgezet. In bodems waar kalk en zwavel voorkomen, is dit een bekend proces. Het element koolstof (C) vertoont hetzelfde verspreidingspatroon, maar is buiten beschouwing gelaten, omdat de kans bestaat dat de koolstofsporen afkomstig zijn van iemand die de scherf in (vuile) handen had. Het heldere deeltje in de groef wordt gevormd door een kalkinsluitsel in het baksel. Ter vergelijking is ter plaatse van de zelf aangebrachte kras eveneens een dergelijke mapping uitgevoerd. Deze vertoont hetzelfde beeld: calcium en zwavel worden alleen op het onbeschadigde oppervlak waargenomen. De plaats waar calcium en zwavel voorkomen, correspondeert volledig met de gelige tint aan het oppervlak van de scherf. De geelkleurige laag loopt door over de oude breuken van de scherf. Op plaatsen waar tijdens de opgraving een stukje van de scherf is afgestoten, ontbreekt de gelige laag. Men kan daarom concluderen dat de geelgekleurde laag in de bodem moet zijn ontstaan. Omdat in de gravering van het Christusmonogram, evenals in de zelfgemaakte gravering, de calcium-zwavellaag ontbreekt, moet men concluderen dat de gravering op de scherf is aangebracht na het verblijf in de bodem. Loden plaatje |
|||||||
In 1998 kwam een opgerold loden plaatje te voorschijn uit een
Laat-Romeins graf in de omgeving van de Mariënburgkapel.(15) Het is bekend dat
vervloekingen in de Romeinse tijd nogal eens opgetekend werden op geplet lood of op een
plaatje van een koperlegering, dat dan vervolgens uit een oogpunt van discretie werd
opgerold. Dit object is daarom naar het restauratieatelier van de Rijksdienst voor het
Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort overgebracht, waar het met de nodige
voorzichtigheid uitgerold is. Er bleek inderdaad in punteringstechniek iets op te staan,
onder meer AVE NERO, PIE NERO, alsook een Christusmonogram (afb. 15, hiernaast).
. Lood (Pb) bestaat op het moment dat het als erts uit de bodem wordt gewonnen uit een aantal verschillende isotopen, die zich van elkaar onderscheiden door een verschillend aantal deeltjes in de atoomkern. Sommige isotopen zijn stabiel, andere zijn radioactief. Een van de radioactieve isotopen, Pb 210, verliest in 22,3 jaar de helft van zijn natuurlijke radioactiviteit, waarbij een radioactieve straling met een energie van 46,5 keV vrijkomt. Als het object uit de Romeinse tijd zou stammen, kan men aannemen dat het restant van het Pb 210 verwaarloosbaar klein is en dat het object geen karakteristieke straling met die energie zal afgeven. Aan het KVI te Groningen zijn energiemetingen aan het plaatje verricht. Hierbij is de hoeveelheid straling vergeleken met die uit een vergelijkbaar modern plaatje. Ons object bleek ongeveer half zo veel straling af te geven als het moderne plaatje (afb. 16), de hoeveelheid die past bij één halfwaardetijd. Hoewel de meting door de geometrische vorm van het plaatje een zekere afwijking kan hebben, is de conclusie duidelijk: het lood van het plaatje is eerder 20 jaar dan 2000 jaar oud.(17) |
|||||||
| Besluit Door het onderzoek kon worden aangetoond dat op de glazen fles recente bewerkingssporen voorkwamen en dat de door de eeuwen heen afgezette zouten en kalk aan het oppervlak van alle drie de aardewerkfragmenten doorsneden waren. Van het loden plaatje viel te bewijzen dat het basismateriaal niet oud genoeg was. De Christusmonogrammen op al deze objecten blijken dus vals te zijn. Vrij naar Van Es kan gesteld worden dat de Nijmeegse archeologen 'verblind zijn geweest door deze ongewone vondsten' en daardoor 'iets te gretig zijn geweest' in de voorpublicaties over de ontdekkingen.(18) Tegelijkertijd kan geconcludeerd worden dat er in de late jaren negentig iemand geweest is die met tussenpozen een gemodificeerd object tussen de vondsten uit verschillende opgravingen stopte. Deze persoon bezat voldoende handvaardigheid en het instrumentarium om de christogrammen aan te brengen en voldoende kennis om het belang van dergelijke vondsten te onderkennen. Het is echter niet sluitend te bewijzen dat alle inscripties door één en dezelfde persoon gemaakt zijn. Dat het glas en de kruikhals van dezelfde hand zijn, is duidelijk, omdat de monogrammen op beide objecten in identieke kaders zijn geplaatst. Bij archeologische opgravingen worden meermaals geintjes uitgehaald. Er zijn vele
vergelijkbare maar onschuldige voorvallen bekend, zoals de bij een opgraving gevonden
scherf waarop in Griekse letters de naam van de opgravingsleidster gegraveerd stond. Als
de grappenmaker echter merkt dat aan een vervalst object veel wetenschappelijk belang
wordt gehecht, dan zal hij of zij de grap snel opbiechten of, op zijn minst, geen tweede
keer uithalen. In andere gevallen hadden zulke praktijken een kwalijker karakter. Zo zijn
in Nederland verschillende gevallen van archeologische vervalsingen bekend. Verhart geeft
daarvan een mooi overzicht.(19) De commotie rond de steentijdvondsten van Vermaning (20)
zal menigeen nog vers in het geheugen liggen. |
|||||||
| 1 - D.C. Steures,
'Godsdiensten in laat-Romeins Nijmegen. Vereersters van Dionysos, Sabazios, Christus en
een paalidool', in: Westerheem 53 (2004), p. 2-16 (zie speciaal p. 7-8). Zie verder H.
Brunsting, 400 jaar Romeinse bezetting van Nijmegen, Nijmegen 1969, speciaal p. 24; S.L.
Wynia, 'De laat-Romeinse tijd (ca. 260/270-400)', in: J.H.F. Bloemers e.a., Noviomagus. Op
het spoor der Romeinen in Nijmegen, Nijmegen 19883, p. 64-68; J.H.F. Bloemers, L.P. Louwe
Kooijmans en H. Sarfatij, Verleden Land. Archeologische opgravingen in Nederland.
Amsterdam 1981, speciaal p. 120; W.J.H. Willems, 1990: Romeins Nijmegen. Vier eeuwen stad
en centrum aan de Waal, Utrecht 1990 (Historische Reeks Nijmegen, 2), speciaal p. 84. 2 - L. Bakker, L. en B. Galsterer-Kröll, Graffiti auf römischer Keramik im Rheinischen Landesmuseum Bonn, Köln/Bonn 1975 (Epigraphische Studien, 10), speciaal p. 85-86. 3 - Type Ludowici S/Chenet 324. S. Loeschke, 'Frühchristliche Denkmäler aus Trier', in: Rheinischer Verein für Denkmalpflege und Heimatschutz 29.1 (1936), p. 91-145 (zie speciaal p. 112-113). 4 - H. van Enckevort en J. Thijssen, Graven op Mariënburg. Archeologisch onderzoek in het centrum van Nijmegen, Nijmegen 2000 (Archeologische Berichten Nijmegen, 4), speciaal p. 24; H. van Enckevort en J. Thijssen, 'Frühe Christogramme aus Nijmegen', in: Archäologie in Deutschland 2002/5, p. 7; H. van Enckevort en J. Thijssen, 'Nijmegen und seine Umgebung im Umbruch zwischen Römerzeit und Mittelalter', in: T. Grünewald en S. Seibel (red.), Kontinuität und Diskontinuität. Germania inferior am Beginn und am Ende der römischen Herrschaft. Beiträge des deutsch-niederländischen Kolloquiums in der Katholieke Universiteit Nijmegen (27. bis 30. 06. 2001), Berlin/New York 2003 (Reallexikon der germanischen Altertumskunde - Ergänzungsband, 35), p. 83-118 (speciaal p. 87-89 en 103, fig. 11); T. Holleman, 'Ingekrast christendom. Oudste chi-rho-monogrammen komen uit Nijmegen', in: NRC Handelsblad, 2 december 2000. 5 - Typoscript D.C. Steures: 'Uitgekrast christendom. Vervalste christogrammen uit Nijmegen' (z.pl.; z.j.). 6 - Vondstnummer He3.1/258. 7 - F. Oswald, Index of potter's stamps on terra sigillata - "samian ware", Margidunum - East Bridgeford 1931, p. 186. 8 - Vondstnummer Ti1.8/8. 9 - Borden met zulke stempels lijken uit de tijd van voor de veldtochten van Drusus (12-9 voor Chr.) te dateren (A. Oxé en H. Comfort, Corpus Vasorum Arretinorum. A catalogue of the signatures, shapes and chronology of Italian sigillata, Bonn 1968 (Antiquitas, Reihe 3, Band 4), p. 442, nr. 1899c). 10 - J.K. Haalebos, Centuriae onder Centuriae Hof. Opgravingen achter het hoofdgebouw van het voormalige Canisiuscollege te Nijmegen 1995-1997, Nijmegen 1998 (Libelli Noviomagenses, 5), p. 18. 11 - Vondstnummer Mb3.2/20. 12 - Fles type Isings 50b of 51. 13 - Vondstnummer Ww1.10/210. 14 - In het SEM van het ICN. EDS: ThermoNoran. SEM (Scanning Electron Microscopy): JEOL JSM5919LV. 15 - Vondstnummer Mb5.2/88. 16 - Mondeling mededeling Wil Maas, Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. 17 - E. van der Graaf, Rapportage 210Pb concentratie in loden Christus-monogram, Groningen 21-11-2003; E.R. van der Graaf, H.J.M. Meijers en H. van Enckevort, 'Radiometric forensics: dating archaeologic artifacts', in: Kernfysisch Versneller Instituut Groningen, The Netherlands. Annual Report 2003 (2004), p. 78. 18 - W. van Es, 'De zaak Vermaning onder vakgenoten', in: Spiegel Historiael 39 (2004), p. 259-262. 19 - L. Verhart, List & bedrog. Vervalsingen in de Nederlandse archeologie, Utrecht 1995; L. Verhart, 'De gouden tijden zijn voorbij. Archeologie en vervalsingen in de negentiende eeuw', in: Documentatieblad Werkgroep 19e eeuw 28 (2004), p. 89-103. 20 - Bijvoorbeeld. H.T. Waterbolk, Scherpe stenen op mijn pad. Deining rond het onderzoek van de steentijd in Nederland, Groningen 2003; T. Toebosch, Grondwerk - 200 jaar archeologie in Nederland, Amsterdam 2003, speciaal p. 95-110. 21 - De afbeeldingen zijn gemaakt door de auteurs, met uitzondering van afb. 3 (Rob Mols); afb. 1, 4 (bodem) en 9 (Bureau Archeologie gemeente Nijmegen / Rob Mols); afb. 15 (tek.) (Bureau Archeologie gemeente Nijmegen / André Simons); afb. 16 (KVI Groningen). |
|||||||
| Commentaar?
Suggesties? Vragen? Mail ons: info@numaga.nl |
Laatst
bijgewerkt: 05-09-2007 |
||||||