
De vereniging Numaga organiseert elk jaar vijf Numagalezingen. Ze vinden op dinsdagavond plaats vanaf 20.00 uur veelal in het Kolpinghuis. De Numagalezingen gaan steeds over een onderdeel van de Nijmeegse geschiedenis; daarbij komen de diverse tijdvakken en disciplines - geschiedenis, kunstgeschiedenis, architectuur, archeologie - aan de orde. Zie hieronder een selectie van de lezingen sinds 2002. De geplande lezingen staan in de
agenda
In oktober 1813 verloor Napoleon de grote volkerenslag bij Leipzig. Eind oktober werd maarschalk MacDonald door de keizer belast met de verdediging van de linie langs Rijn en IJssel tegen de oprukkende Russische en Pruisische troepen. Rond de jaarwisseling achtte de maarschalk zijn positie kansloos. Zijn troepen ontruimden het Rijn- en Maasland, om te beginnen Nijmegen en omgeving op 5 januari 1814. Rond dit vertrek was er een goed overleg tussen Franse gezagsdragers en een commissie van Nijmeegse notabelen. Een forse burgerwacht werd ingesteld om eventueel oproerig Nijmeegs gepeupel aan te pakken. Na de geslaagde machtswisseling vormde deze commissie het nieuwe – maar als vanouds nagenoeg exclusief protestantse - stadsbestuur.Spreker Wlifried Uitterhoeve schreef over dit thema het boek 1813 – Haagse bluf. De korte chaos van de vrijwording (Vantilt, april 2013).

Een 'visuele lezing' met veel gravures en aandacht vor de stedenbouwkundige ontwikkelingen tot 1875 (sloop van de wallen). Nieuwe gebouwen, de oude vestingwerken en historische gebeurtenissen als belegeringen en gevechten hebben allemaal hun sporen nagelaten in Nijmeegse prenten. Ook productie- en distributieproces van oude prenten komen aan de orde, evenals merkwaardige feiten rond sommige graveurs en uitgevers van prenten.
Wat hebben een ruïne, een geboorte, een adelaar en stadsrechten met elkaar gemeen? Het antwoord: vier generaties Hohenstaufen in Nijmegen. Huub Kurstjens bekeek in deze lezing de stad Nijmegen als een lieu de mémoire voor de geschiedenis van de Hohenstaufen. De invloed van vier Hohenstaufenkeizers en -koningen op de stad Nijmegen werd belicht. Zijn daarvan nog overblijfselen te zien?

Het Nijmeegse stadswapen en de stadskleuren hebben volgens Kurstjens een directe relatie met de Hohenstaufen!

Van 1890 tot 1940, was Nijmegen, na Den Haag, de belangrijkste ‘Indische’ stad van Nederland. Dat kwam vooral door het grote Nederlandse hoofdkwartier van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Dit zogeheten Europese deel van het KNIL werd het Korps Koloniale Reserve genoemd en was belast met de werving, selectie en eerste training van voldoende vrijwilligers voor dienst in de tropen. Het Korps zorgde ook voor de opvang van alle verlofgangers, afzwaaiers, gepensioneerden, zieken en gehandicapten. Aanvankelijk waren burgers negatief tegenover de Koloniale Reserve, dat rond 1900 veel weg had van een vreemdelingenlegioen. In de twintigste eeuw veranderde het ‘zooitje ongeregeld’ in een indrukwekkend, exotisch ogend keurkorps.
De mannen van de Koloniale Reserve werden gedurende het pijnlijke dekolonisatieproces na 1945 vergeten. Maar ze zitten, onvervreemdbaar, in het DNA van de stad en zijn bewoners. Letterlijk omdat in het Rijk van Nijmegen meer dan 5000 mensen zichzelf als ‘Indo’ beschouwen, figuurlijk omdat er in de cultuur van de stad nog veel van de Koloniale Reserve te zien is: een flink aantal grote gebouwen, maar ook immateriële zaken zoals de Vierdaagse Afstandsmarsen, door de Koloniale Reserve naar Nijmegen gehaald en groot gemaakt.

Afgelopen najaar verscheen onder grote mediabelangstelling het boek Jodenjacht. De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog. In dit mede door de bekende journalist en historicus Ad van Liempt samengestelde boek speelt de Nijmeegse politie een prominente rol. De plaatselijke ‘politieke afdeling’ van de politiedienst was volgens de auteurs één van de meest fanatieke en meedogenloze van het land. Op sluwe en slinkse wijze lokte een groep van ongeveer tien agenten tussen 1942 en 1943 joden in de val. Dat in Nijmegen verhoudingsgewijs weinig joodse inwoners de oorlog overleefden, komt hiermee in een extra wrang daglicht te staan.
De feiten liegen er niet om, maar toch is er het een en ander aan te merken op de werkwijze van de historici achter Jodenjacht. De context van de gebeurtenissen, de voorgeschiedenis van de Nijmeegse politie, de samenstelling van de stad: in het boek wordt er niet of nauwelijks aandacht aan besteed. Zo is er een enigszins vertekend beeld ontstaan van het verleden. In deze lezing zal de achtergrond en ontwikkeling van de Nijmeegse politie tijdens de oorlog op basis van lokale bronnen uitvoeriger worden geschetst. De lezing is tevens een (nieuwe) kennismaking met het onderzoek dat momenteel aan de Radboud Universiteit wordt gedaan naar verraad en verzet in Nijmegen en dat in 2014 gereed zal zijn.
Zijn Stedeatlas van Nijmegen uit 1956 is een mijlpaal in de stedelijke historiografie. Ook schreef Gorissen over de Nijmeegse burchten, de Duffelt en het Getijdeboek van Katharina van Kleef. Een artikel over de familie Maelwael; staat aan de basis van de huidige activiteiten rond de Gebroeders van Nijmegen. Hij had een sleutelrol in de grensoverschrijdende geschiedkundige contacten na de Tweede Wereldoorlog.
Spreker drs. Bert Thissen studeerde geschiedenis aan de KUN en is sinds 1997 stadsarchivaris van Kleef en een opvolger van Gorissen. Dr. Friedrich Gorissen (1912-1993) was stadsarchivaris van Kleef en directeur van het museum Haus Koekkoek. Hij heeft veel bijgedragen aan de Nijmeegse geschiedschrijving.
Architect Filip Delanghe (AWG Architecten Antwerpen) werkte aan de nieuwbouw op de Hessenberg, een historische plek, hartje stad. Hij had als supervisor van het project Hessenberg o.a. de taak om de kwaliteit en de onderlinge samenhang van de ontwerpen van de betrokken architectenbureaus te bewaken. Daarvoor stelde hij een beeldkwaliteitsplan op met de uitgangspunten voor de nieuwbouw wat betreft materiaalgebruik, uitstraling en de vormentaal van de gebouwen.

Delanghe: “We werken veel aan stedenbouwkundige ontwikkelingen in een cultuurhistorische omgeving waar we weer een hedendaagse invulling aan geven.” Volgens Delanghe is het belangrijk om eerst inzicht te krijgen in wat precies de cultuurhistorie van de plek is, om van daaruit het plan vorm te geven. Een samenspraak met de buurtbewoners is daar onderdeel van. Het project ontving de Njmeegse Architectuurprijs 2011.
Op de kaart van het intellectuele leven van de 17e- en 18e eeuw is Nijmegen maar moeilijk te vinden. Dat de Nijmeegse burgemeester Justinus de Beyer, heer van Hulsen (1705-1772) desondanks een rol speelde in de zogeheten Republiek der Letteren, het internationale netwerk van geleerden, is daarom bijzonder. De Beyer was correspondent voor het tijdschrift Bibliothèque françoise, waarin onder meer ook Voltaire publiceerde, en was lid van de Académie royale des sciences, des belles lettres et des arts van Rouen. Daarnaast was De Beyer tegelijkertijd een typisch regent. In deze lezing staat het dubbelleven als lokaal politicus en internationaal intellectueel centraal in een periode van verlichting én met een grote invloed van de adel
De noordelijke grensstreek van het Romeinse rijk was voor vele Romeinen afschrikwekkend. Het weer was er slecht, de grond zompig en de inwoners dronken regenwater uit kuilen. De beroemde verzuchting van Tacitus spreekt boekdelen: “wie zou Azië, Afrika of Italië verlaten en op zoek gaan naar Germanië? Het terrein is er woest, het klimaat ruw, het leven en landschap somber. Hier kom je alleen indien het je vaderland is.” Toch reisden Romeinen van vele rangen en standen regelmatig naar de regio. Met vaak militaire motieven, maar ook was er expliciete aandacht van de elite van het Rijk, en zelfs van de keizer, voor de verafgelegen zones van hun imperium, ook in vredestijd. In deze lezing stond centraal: het belang van (de noordelijke) grenssteden, met name Nijmegen, voor de organisatie van het Romeinse rijk en voor de wettiging van de positie van de keizer. Ook of het belang van dit soort steden veranderde, en welke rol specifieke heersers daarbij speelden.
Tijdens een bezoek aan Auschwitz ontdekt Paul Glaser in een vitrine een koffer uit Nederland met zijn achternaam. Dit is voor hem aanleiding om het verzwegen lot van zijn in Nijmegen geboren en opgegroeide tante Roosje te onderzoeken.
Rosa Regina Glaser (1914-2000) is een geëmancipeerde vrouw die met flair haar plek heeft veroverd. Na haar Nijmeegse jeugd boekt ze successen als danslerares en danst ze in Amsterdam, Londen, Parijs, Berlijn en Brussel. Wanneer de nationaalsocialisten de macht grijpen begint voor Roosje, 25 jaar oud en Joods, een levensgevaarlijk avontuur. Ze wordt slachtoffer van verraad door haar eigen man. Roosje komt terecht in zes concentratiekampen. In Auschwitz leert Roosje SS’ers dansen en de bijbehorende etiquette. Ze weet met lef de oorlog te overleven. Een uitzonderlijk en waar gebeurd verhaal dat laat zien dat een scherp onderscheid tussen goed en fout in de oorlog niet bestaat. Zie ook :
De lezing behandelde Nijmegen tussen 1473 en 1502 en het ontstaan van het historische topstuk antependium, een altaardoek van het machtige Nicolaesgilde. Het origineel is te zien in Museum Het Valkhof. Fraai beeldmateriaal en muziek uit de late 15e eeuw omlijstten de lezing. Hendriks schetste de context van het doek, de betekenis en de gebruikte materialen en procédés. 
Nijmegen heeft zo'n vijfduizend inwoners met een Indische achtergrond: nakomelingen van kolonialen, KNIL-militairen en andere Indischgasten; ook van de repatrianten van na 1945. Enkele illustere Indische Nijmegenaren zijn schrijver Tjalie Robinson, schilder Jan Toorop en acteur Willem Nijholt. Publiciste Pieke Hooghoff schetste in deze lezing een breed beeld van Indisch Nijmegen in de 20e eeuw.
Pieke Hooghoff (1951) is Nijmeegse - niet Indisch – en publiceert als amateur-historicus vooral over Indisch-Nijmeegse onderwerpen, zoals het boek Bandoeng aan de Waal (2000).
Tussen 1981 en 1983 groef de afdeling Provinciaal-Romeinse archeologie van de Nijmeegse universiteit in Nijmegen-West (Waterkwartier) resten op van monumentale grafcomplexen met ommuringen en grafmonumenten. Men trof daarbij uitzonderlijk rijke, ongeschonden graven aan. Het gaat hier onmiskenbaar om de rijkste groep graven uit de Romeinse tijd in Noordwest-Europa. Alle graven bevatten namelijk grote hoeveelheden vaatwerk van glas, aardewerk en brons. Daarnaast kwamen uit bijna elk graf ook andere zeldzame voorwerpen te voorschijn, zoals de resten van een stoel, schrijfgerei, wapens en voorwerpen van barnsteen en bergkristal. De graven dateren allemaal uit het laatste kwart van de 1ste en het eerste kwart van de 2de eeuw. Ze maken deel uit van het grafveld van de eerste stad van Nederland, de nederzetting (Ulpia) Noviomagus, die zich daar in het laatste kwart van de 1ste eeuw had ontwikkeld.
Centraal op deze avond stond schrijver Koos van Zomeren en zijn in 2009 verschenen boek over links Nijmegen Die stad, dat jaar. Roman met aantekeningen (Arbeiderspers, 356 pp). Dat boek is een mix van roman en geschiedschrijving en gaat over de oprichting van de Socialistiese Partij in Nijmegen in het jaar 1972. De stad is dus Nijmegen, het jaar 1972. Het is het jaar van de Europacup voor Ajax, van bedrijfssluitingen en massaontslagen, van Nixon in China en van de Vietnam kerstbombardementen. Maar het was ook het oprichtingsjaar van de Socialistiese Partij. Stond Nederland aan de vooravond van het socialisme? En moest dat in Nijmegen beginnen? Door gebruik te maken van de eigen herinnering, (mede)getuigen te interviewen en historische bronnen te raadplegen, schetst Koos van Zomeren een haarscherp – nu eens komisch dan weer wrang, nu eens ontluisterend dan weer inspirerend – beeld van de gang van zaken binnen een maoïstische splinterbeweging.
Naast een vraaggesprek met Koos van Zomeren door historicus Jan Brauer, werd met twee andere tijdgenoten - PvdA-politicus Wim Hompe en publicist/studentactivist Wilfried Uitterhoeve - een portret van links-Nijmegen in de jaren zeventig gereconstrueerd.
De auteur van De pijn die blijft (2005), sprak over historisch onderzoek naar Nijmeegse oorlogsdoden. Daarbij gaat het enerzijds om zijn eerdere, elf jaar durende, onderzoek naar nabestaanden van de circa 770 dodelijke slachtoffers van het bombardement van 22 februari 1944 en in vervolg daarop over zijn huidige onderzoek naar nabestaanden van de vele overige Nijmeegse oorlogsdoden. Die vielen bij andere bombardementen, in het verzet, in de bevrijdingsstrijd om Nijmegen, in de daarop volgende vijf maanden durende frontstadperiode (medio september 1944 tot medio februari 1945), in de Duitse Arbeitseinsatz en, soms jaren later, als gevolg van de oorlog. Hij vertelde over zijn beweegredenen, over de strijd tegen de klok en over de moeizame wegen die hij moet bewandelen om tientallen jaren na de oorlog, soms wereldwijd, nabestaanden of fotomateriaal te achterhalen. Enige tientallen dramatische verhalen en oorlogsherinneringen van ooggetuigen vormen de rode draad in de Numaga- lezing. Op de site
www.oorlogsdodennijmegen.nl zijn de resultaten van zijn onderzoeken opgenomen.
Voor informatie over slachtoffers, adressen van nabestaanden en foto's of documentatie over oorlogsslachtoffers is Bart Janssen bereikbaar op:
St. Jacobslaan 388, 6533 VV Nijmegen
tel.: 024-3563879
e-mail: bartaltmjanssen@planet.nl
Sandra Langereis over het onderwerp van haar in januari 2010 verschenen nieuwe boek Breken met het verleden. Herinneren en vergeten op het Valkhof in de Bataafse revolutiejaren, uitgegeven door Vantilt. Daarin zet zij de achtergronden uiteen van de afbraak van de Valkhofburcht in de jaren 1796-1797 en plaatst zij die voor Nijmegen zeer ingrijpende gebeurtenis in het licht van de recente herbouwdiscussie omtrent de Donjon. De spreekster is van mening dat in de herbouwdiscussie omtrent de Valkhofburcht en de Donjon twee zaken over het hoofd worden gezien. Zij zal uitleggen waarom, ten eerste, niet alleen de bouw van de Valkhofburcht een plaats in de collectieve herinnering verdient. Ook de afbraak van de burcht mag, zo luidt een van de conclusies van haar studie, worden herinnerd als een memorabele daad. Ten tweede zal zij ingaan op het cultuurhistorische belang van het dadelijk na de afbraak aangelegde stadspark op het Valkhof van landschapsarchitect Zocher, en een pleidooi houden voor een restauratie van het Valkhofpark van 1800.
De uitvinding van de transistor in 1947 heeft de enorme revolutie in de communicatie veroorzaakt waarvan we nu getuige zijn. Dat dit zou gaan gebeuren was al snel duidelijk. De zeer sterke positie van Philips op de markt van radiobuizen werd bedreigd en Philips moest dus meedoen aan de verder ontwikkeling van transistors. De Raad van Bestuur besloot daarom snel een eigen halfgeleiderbedrijf te stichten. In Eindhoven was daarvoor geen personeel beschikbaar dus kwam men in 1953, min of meer bij toeval, in Nijmegen terecht. Het bedrijf ontwikkelde zich al na enige jaren tot het grootste van Nijmegen, maar maakte ook alle ups en downs mee van de zich razendsnel ontwikkelende halfgeleiderindustrie. Die snelle groei leidde tot allerlei ingrijpende organisatorische en sociale veranderingen en tot spanningen met de leiding in Eindhoven, maar Philips Nijmegen slaagde er in op halfgeleidergebied een grote speler te worden. Tot men in de jaren tachtig de ontwikkelingen niet meer kon bijhouden en probeerde via een inhaalslag de achterstand in te halen.
Ger de Wind heeft de ontwikkeling van de halfgeleidertechnologie meegemaakt, zowel in de research, als bij Philips Nijmegen, waar hij operations manager was. Na zijn pensionering studeerde cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit en studeerde af op de geschiedenis van Philips Nijmegen.